Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Avondmaalspraktijk in vraag en antwoord (4)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Avondmaalspraktijk in vraag en antwoord (4)

(Lambertus Myseras)

9 minuten leestijd

Oorzaken van onrust omtrent het Avondmaal

Vraag:

Welk antwoord geeft u aan een gelovige die in ergerlijke zonden gevallen is, en daardoor verontrust is om tot het Avondmaal te naderen?

Antwoord:

1. Als zo iemand ondervindt dat hij voor de tijd van het Avondmaal geen kracht heeft om met de zonden te breken, dan is het voor hem het beste zichzelf te censureren en zich van het Avondmaal te onthouden. Om dan eerst met worstelend bidden tot de

Heere, om kracht en genade daarvoor te ontvangen, uit de zonde op te staan. Zoals in de tijd van Hizkia: Want zij hadden het (Pascha) niet kunnen houden, omdat de priesters zich niet genoeg geheiligd hadden, 2 Kronieken 30:3.

2. Maar als iemand uit zwakheid in de zonde gevallen is en men heeft daar berouw over, dan geldt wat het Formulier van de Doop zegt: Als wij soms uit zwakheid in zonden vallen, moeten wij daarom aan Gods genade niet vertwijfelen, nog minder in de zonden blijven liggen. Omdat het Avondmaal door die lieve Heere Jezus ingesteld is als een zeker teken en getuigenis, dat in alle gevallen de gelovigen, die met Petrus berouw hebben en verzoening zoeken bij de Vader door Christus, even zeker vergeving van hun zonden zullen krijgen als Petrus en anderen, die uit zwakheid in zonden zijn gevallen.

En dan is het Avondmaal voor zulke gelovigen een gezegend middel om in Gods kracht en met nieuwe voornemens beloften te doen en hun verbond te vernieuwen om terug te keren tot de Heere, van wie zij door de zonden waren afgeweken. Bij monde van de profeet Jeremia roept de Heere zijn volk toe: Keert weder, gij afkerige kinderen! Ik zal uw afkeringen genezen. En het volk antwoord: Zie, hier zijn zij, wij komen tot U, want Gij zijt de HEERE, onze God! Jeremia 3:22. En de apostel der liefde schrijft in zijn eerste algemene brief:

Mijn kinderkens, ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt. En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige; En Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gehele wereld, 1 Johannes 2:1,2.

Ik hoop dat deze overwegingen tot nut mogen zijn voor gelovigen die in zonden gevallen zijn. Laten zij er gebruik van maken in de voorbereiding op het Avondmaal.

Vraag:

Maar als nu een gelovige met de zonden van zijn natuur te worstelen heeft? Als hij daar dagelijks in valt en hij gaat daaronder gebukt en kan ze toch niet te boven komen? En hij denkt bij zichzelf, ik kan beter van het Avondmaal afblijven omdat ik zo zondig ben? Welk antwoord zoudt u hem geven?

Antwoord:

1. Dat het met iemand die zich van het Avondmaal onthoudt niet beter maar erger zal worden. Evenals een gewonde niet beter zal worden als hij niet naar de dokter gaat. Want: Die gezond zijn hebben den medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn. Mattheus 9:12.

2. Dat iemand, door af te blijven, er voor open ligt om in zware strikken van de duivel en in zware twijfel te raken, omdat hij Jezus’ nodiging niet opvolgt: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven, Mattheus 11:28.

3. Dat het beter zou zijn door het geloof bij Jezus kracht te halen. Diegezegd heeft: want zonder Mij kunt gij niets doen, Johannes 15:5.

4. Als een gelovige niet ten Avondmaal zou gaan voordat hij de zonde van zijn natuur geheel te boven was, dan zou hij nooit kunnen gaan. Elke gelovige zal tot het einde van zijn leven met de overgebleven natuurzonde te worstelen hebben. Volgens Paulus in Rom.. 7:18. Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet.

5. Juist daarin wordt de rijkdom van Gods genade en de uitnemende liefde van die teerhartige, medelijdende Hogepriester, die lieve Heere Jezus, die Bloedbruidegom, gezien, dat Hij Zijn tafel openzet voor Zijn gebrekkig volk. Om haar de zonden steeds opnieuw te vergeven en haar te verkwikken, om door middel van het Avondmaal de treurigen Sions te geven : sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwde geest, Jesaja 61:3.

Conflicten Vraag:

Maar als iemand met zijn naaste een conflict heeft en dientengevolge het moeilijk krijgt met het Avondmaal, welke raad zou u zo iemand geven?

Antwoord:

Omdat het Avondmaal de vergeving van de zonden van al Gods volk verzegelt, is het ook billijk, dat ieder zijn naasten die misdaden vergeeft, volgens de vijfde bede in het gebed des Heeren. Dus moet ieder erop uit zijn om door Gods genade alle haat, toorn, onverzoenlijkheid, jaloersheid en wraaklust af te leggen. Hij moet zijn naasten zo trachten te vergeven, zoals hij wenste dat hij van God aan het Avondmaal opnieuw de verzegeling van de vergeving van zijn misdaden ontvangt.

Vraag:

Hoe met ik mijn naaste vergeven om aan het Avondmaal te kunnen gaan ?

Antwoord:

1. Ik moet ernaar staan om hem oprecht te vergeven.

2. Geheel en al te vergeven.

3. Ik moet vo‘or hem kunnen bidden: Heere vergeef hem zoals ik wens dat U mijn zonden vergeeft.

4. Ik moet mijn naaste het goede toe kunnen wensen en desnoods goed kunnen doen.

Dat zijn 4 dingen die in de vijfde bede (Vergeef ons onze schulden) liggen opgesloten. Zo behoorde het te zijn bij iedere goed voorbereide Avondmaalganger. Daarom moet het worden afgekeurd als iemand zegt:

1. Ik vergeef het wel, maar zal het niet vergeten.

2. Ik vergeef wel het een, maar niet het ander.

3. Ik kan voor zo iemand niet bidden.

4. Ik kan en zal zo iemand nooit goed doen.

Als iemand zo gesteld is, moet hij zich van het Avondmaal onthouden.

Vraag:

Maar als een gelovige nu eens al zuchtende zegt: och, ik zou dat van harte willen doen, en bid de Heere daar ook om, maar ik merk dat mijn natuur daar niet aan wil om altijd de minste en de eerste in het vergeven te zijn, wat zou u hem dan antwoorden? Of als hij zou zeggen, hadden zij dit of dat maar niet gezegd of gedaan, of was hij het maar niet die ik zoveel goeds gedaan heb, dan kon ik het wel vergeven, maar nu kan ik het nog niet, welk antwoord zou u dan geven?

Antwoord:

1. Laat zo een dan eens het volgende bedenken: Was de Heere, met eerbied van God gesproken, vanwege Zijn onbegrijpelijke liefde niet de erste geweest om naar mij om te zien, toen ik naar Hem niet vroeg (zie eens Jesaja 65:1), en om mijn misdaden te vergeven, waar was ik dan met mijn arme zondige ziel gebleven!

2. Als de Heere nu eens zulke voorwaarden stelde en zei: zondaar of zondares, als u zolang en zoveel niet gezondigd had of dit of dat niet gezegd of gedaan enz. Hoe zou het dan met mij aflopen? Dan moet ik zeker verloren gaan. O oneindige liefde Gods, wat verplicht u mij om ook mijn naaste alles te vergeven.

3. Als de Heere eens tot mij zei: wel, zondige worm, wat heb ik u voor kwaad gedaan, dat u zo lang en veel tegen Mij hebt gezondigd? Heb ik u niet alles goed gedaan? En heb ik u niet gezworen dat ik niet meer op u toornen of schelden zal? En zult u dan ook uw naaste niet vergeven?

De Heere geve dat een ieder die dit ooit zal lezen, door deze woorden bewogen mag worden zijn naaste te vergeven.

Vraag:

Maar als een gelovige eens zou zeggen: ik durf niet aan het Avondmaal te gaan, omdat ik tot mijn groot verdriet met zulke vreselijke atheïstische gedachten te worstelen heb (nl. dat God niet bestaat) en ik ben dikwijls bang, dat het de zonde tegen de Heilige Geest is, wat zou u zo iemand antwoorden?

Antwoord:

Dit is een heel moeilijke kwestie en ik zal die daarom met onderscheid beantwoorden.

1. Dat dit de onvergeeflijke zonde niet is, blijkt uit hetgeen Paulus schrijft in 2 Korinthe 12:7, dat hem een scherpe doorn in het vlees gegeven was, “een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou”. Die vuistslagen van de satan zijn volgens onze kanttekeningen terecht beschouwd als de aanvechtingen van de satan en vreselijke inwerpingen van de duivel.

2. De ondervinding leert dat behalve Paulus ook de vele gelovigen, ja zelfs verzekerde gelovigen die nabij de Heere leven, dagelijks in het verborgen daarover kermen moeten en zonodig hun klacht bij elkaar weleens uitstorten om voor elkaar tegen deze aanvechtingen (nl. dat God niet bestaat) te bidden of voor elkaar te bidden van deze aanvechtingen verschoond te blijven.

Daar heeft die venijnige duivel nu behagen in, dat hij veel zwakke en onervaren gelovigen wijsmaakt, dat andere gelovigen dat niet hebben. En dat om hen het zwijgen op te leggen en wijs te maken dat het de onvergefelijke zonde is. Terwijl hijzelf, de duivel, hen die gedachte inwerpt, dat God niet bestaat. Het bewijs daarvan, nl. dat die gedachten de zonde tegen de Heilige Geest niet zijn, is, dat die arme ziel daarvoor schrikt en beeft. Zij bidt en weent dat die gedachten nooit in haar zouden opkomen. Zij gaat daaronder als het ware gebukt.

God geve dat vele gelovigen, die daarmee te kampen hebben, mogen zien, dat dit van de duivel is.

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 1997

Bewaar het pand | 8 Pagina's

De Avondmaalspraktijk in vraag en antwoord (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 1997

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken