Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De geestelijke verlatingen (9)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De geestelijke verlatingen (9)

11 minuten leestijd

We hebben in het vorige artikel in het kader van het pastoraat rondom de geestelijke verlating gezien, hoe men zich moet opstellen jegens een verlatene. Dat biddend luisteren allereerst nodig is. We hebben goedkope manieren van troosten en pastoraat bedrijven ontmaskerd als de kwaal verergeren. Nu willen we in het laatste artikel enkele pastorale adviezen doorgeven, die we wel kunnen gebruiken. Voorop moet dan staan, dat het altijd schriftuurlijk en confessioneel verantwoorde adviezen moeten zijn. We moeten troosten op grond van Gods Woord en wijzen naar Gods Woord. Vanuit Gods Woord mogen we hen, die verlaten zijn, onderwijzen.

A. Allereerst moeten we daarbij aandringen op een grondig zelfonderzoek. Wat is de oorzaak van de geestelijke verlating. Kan die worden aangegeven? Worden er bepaalde zonden aan de hand gehouden? “Doorzoek uzelf nauw, ja zeer nauw”, zegt Zefanja. Onderzoek u of gij in het geloof zijt.

Als het om zonde of verachtering in de genade gaat die haar oorzaak weer in de zonde vinden, dan moeten we niet schuwen de zonde (indien mogelijk) concreet aan te wijzen. Zeker, dat is pijnlijk voor het vlees, maar toch profijtelijk. Dat hoeft niet botweg, zonder gevoel, maar kan vragenderwijs. Laat de mensen zo mogelijk zelf maar aanwijzen waar het op vast zit in hun leven.

Zo deed Nathan dat door de gelijkenis van het ooi-lam aan David voor te houden. En toen David zei: die man is gewisselijk een man des doods, maakte hij de scherpe toepassing: Gij zijt die man.

Juist dan is de belijdenis van zonden nodig, zodat de oorzaak van de verlating weggenomen wordt. Zo wordt waar: ‘“k Bekend o Heere, aan U oprecht mijn zonden, ‘k verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden. Maar ik beleed na ernstig overleg mijn boze daan, Gij naamt die gunstig weg”.

Zo wordt de oorzaak van de verlating weggenomen en mag ook bij vernieuwing vanuit de begeerte de keuze in het hart vallen om de zonde te haten en te vlieden en om vanuit de lust en liefde naar de wil Gods in alle goede werken zoeken te leven.

B. Op grond van dit eerste advies mogen we, indien dat bekend is, ook wijzen op het werk Gods in het leven van de verlatenen in vroeger dagen.

Asaf doet dat ook als hij in Psalm 77 zegt: “Ik overdacht de dagen van ouds, de jaren der eeuwen. Ik dacht aan mijn snarenspel; in de nacht overlegde ik in mijn hart en mijn geest onderzocht”. De herinnering van de vorige staat is tot vertroosting voor het leven, waarin men zich nu bevindt. En juist dat vroegere leven kan de begeerte opwekken: ach, wierd ik derwaarts weer geleid. Dan zou mijn mond U d’ ere geven. Wie dat leven daarom mist en het nochtans begeert, zal worden opgewekt om het vurig te zoeken.

C. Daarbij is geen lijdelijkheid, maar lijdzaamheid van node. Daar moet ook op gewezen worden. Het mag niet in een berustende en afwachtende houding geschieden, maar in een wachtende houding, waarbij we biddend leren wachten op de Heere, meer dan de wachters op de morgen (Psalm 130).

Zo getuigt Asaf in Psalm 77 bevindelijk: “Ten dage mijner benauwdheid zocht ik de Heere, mijn hand was des nachts uitgestrekt en liet niet af; mijn ziel weigerde getroost te worden”.

En zo lezen we van de bruid uit het Hooglied, toen ze haar Bruidegom was kwijtgeraakt: “Mijn liefste trok Zijn hand van het gat der deur; en mijn ingewand werd ontroerd om Zijnentwil. Ik deed mijn Liefste open, maar mijn Liefste was geweken. Hij was doorgegaan; mijn ziel ging uit vanwege Zijn spreken; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet, ik riep Hem, maar Hij antwoordde niet”.

Maar dat is opdat ze zouden leren hoe kostelijk de gemeenschap met de Heere is en hoe verschrikkelijk de geestelijke verlating is. Daarom moeten ze leren des te vuriger zich te benaarstigen Hem te zoeken in het onderzoek van Zijn Woord en gebed.

D. En juist dat laatste, dat gebedsleven is zo belangrijk. De verlatene wordt opgeroepen vurig te bidden en smeken tot de levende God. Immers, in de verlating dreigt zo gauw het gevaar, dat men zijn hulp en heil bij anderen dan de Heere zoekt.

Zo ging Saul naar de waarzegster van Endor om de geest van Samuël te raadplegen, toen de Heere hem verlaten had. En de zieke koning Ahazia van Samaria zond boden naar Ekron om Baäl Zebub, de vliegengod te raadplegen. Maar dan moet Elia zeggen: Is er dan geen God in Israel, dat gij heengaat naar Ekron om Baal Zebub te raadplegen?

Tot Hem alleen moeten ze smeken. En waar we niet bidden kunnen, laat dan de zucht van het hart maar omhoog stijgen: Heere, leer mij bidden, want ik weet niet te bidden gelijk het behoort. Om voor Hem de schuld in die verlating te beleven, bewenen en belijden. Daarbij mogen we de Heere niet dwingen, want alles is verbeurd en verzon-digd. Maar we mogen de Heere wel dringen. Opdat het waar worde: “Dit leert mijn ziel, U achteraan te kleven”. En opdat ze met Jakob leren smeken: “Ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent”.

E. In die weg mogen ze biddend wachten en wachtend bidden. Met Habakuk moet worden geleerd: “Ik stond op mijn wacht en ik hield wacht om te zien wat Hij in mij spreken zou. Zo Hij vertoeft, verbeidt Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven”. Want: “Die de Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen gelijk de arenden”.

Ja, “Wacht op de Heere, godvruchte schaar, houdt moed. Hij is getrouw, de Bron van alle goed. Zo daalt Zijn kracht op in zwakheid neer. Wacht dan, ja wacht verlaat u op de Heere”. Want Hij komt altijd onverwacht en ongedacht. Hij komt als een verrassend God. In die weg wordt het waar wat de bruid op Gods tijd mocht ervaren: “toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem, Dien mijn ziele liefheeft”.

En als Hij dan overkomt, dan troost Hij zoals niemand dat kan. “Als een, die zijn moeder troost, alzo zal Ik u troosten” (Jesaja 66:13).

O, dan wordt het voor die zielen waar, wat de Heere belooft: “Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten; maar met grote ontfermingen zal Ik u vergaderen. In een kleine toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen; maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij uwer weder ontfermen, zegt de Heere, uw Verlosser: (Jesaja 54:7, 8).

“Want bergen zullen wijken en heuvelen wankelen; maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer” (Jesaja 54:10).

F. En hoe is dat nu mogelijk? Wel, hier mogen we elkaar wijzen op de Heere Jezus Christus, Die veel meer en veel dieper nog verlaten is geweest, dan dat zij op aarde ooit zullen kunnen ervaren.

Hij is verzocht geworden door de duivel in de woestijn. Hij is verzocht geworden in zijn leven doordat mensen Hem verachtten en de duivel in de gedaante van bezetenen op Hem afkwam.

Hij is voornamelijk verzocht en verlaten geweest aan het einde van Zijn leven. Maar aan het kruis wordt Hij van God en mensen verlaten. En dat was geen gedeeltelijke verlating, maar een gehele verlating. In die verlating is het, dat Hij het uitriep: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? Zo heeft nooit iemand dat ervaren.

En nu zegt ons avondmaalsformulier daarvan ten troost verspreid in de smarten van de verlating: “En heeft Zich vernederd in de allerdiepste vers-maadheid en angst der hel, met lichaam en ziel, aan het hout des kruises, toen Hij riep met luider stem: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” opdat wij tot God zouden aangenomen, en nimmermeer van Hem verlaten worden”.

Ook de belijdenis spreekt daarover ten troost. In vraag 44 wordt gezegd: “Waarom volgt daar: nedergedaald ter helle? Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste, dat mijn Heere Jezus Christus door Zijn onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikkingen en helse kwelling, in welke Hij in Zijn ganse lijden (maar inzonderheid aan het kruis) gezonken was, mij van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft”.

Ja, Hij is in alles verzocht geweest gelijk als wij, uitgenomen de zonde. Daarom kunnen en mogen we Gods kinderen juist daarmee vertroosten opdat ze Hem om ondersteuning zouden smeken.

G. Zo mogen we ook wijzen op het doel, dat de Heere met de geestelijke verlating heeft. Dat is niet uit lust tot plagen, maar uit liefde. “Daarom ziet, Ik zal haar lokken en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken” (Hos. 2:13).

Paulus zegt in Hebr. 12:11: “En alle kastijding als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van droefheid te zijn; doch daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen, die door dezeve geoefend zijn”. Daarom worden we ook opgeroepen in de volgende verzen: “Daarom, richt weder op de trage handen en de slappe knieën; en maakt rechte paden voor uw voeten, opdat hetgeen kreupel is, niet verdraaid worde, maar dat het veeleer genezen worde”.

H.Daarbij mogen we, niet allereerst, maar toch ook troosten met de wetenschap, dat de geestelijke verlatingen dan wel dikwijls tot onze schande zijn omdat ze getuigen van de zonde, maar dat ze toch ook alleen voorkomen bij Gods kinderen. Ze zijn een bewijs van het genadewerk Gods in de ziel. Wijs hen er maar op, dat de Heere wel Zijn genadewerkingen inhoudt, maar niet Zijn genade Zelf. Dat Hij Zijn eigen werk voleindigt.

Ook dat mag een aansporing zijn om te smeken of de Heere nog eens op Zijn eigen werk terug wil komen. Dan mogen ze de Heere wijzen op Zijn woord en pleiten op Wie Hij is: “En de Allerhoogste Zelf zal hen bevestigen” (Psalm 87:5b).

Daarom haalt artikel 26 van de N.G.B. ten troost aan wat Paulus in Hebreeën 4:14-17 zegt: “...Want wij hebben geen Hogepriester, Die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde. Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden, ter bekwamer tijd”. En zegt de Heere niet Zelf: “Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven”?

- Op Hem mogen ze wijzen ook bij alle tegenwerpingen en vragen, die ze nog in kunnen brengen. Want dat kunnen er vele zijn. Vragen als: moet ik mij in die geestelijke verlatingen onthouden van het heilig avondmaal of niet; is het verlangen naar genade wel echt; heb ik de zonde tegen de Heilige Geest niet begaan; ben ik geen huichelaar; ben ik geen afvallige; enz. Het zou te ver voeren om daarop hier antwoord te geven. Het zijn dikwijls vragen, waar de Heere Zelf een antwoord door Woord en Geest op moet geven. Maar daar mogen we elkaar dan ook op wijzen en aansporen onze kracht en hulp alleen van Hem te verwachten.

En welk een zalige vreugde geeft het als het de Heere behaagt de geestelijke verlating op te heffen en zelf wederom

terug te komen in de ziel van Zijn kinderen om ze lieflijk te gaan omhelzen. Als Hij terugkomt, komt Hij voller en rijker terug als tevoren. Dan wordt al wat aan Hem is gans begeerlijk. Dan mogen ze Hem bij vernieuwing omhelzen in het geloof. O, dan kunnen ze Hem niet meer missen, maar gaan in het geloof nauwgezetter leven. Want de liefde Gods is in hun hart uitgestort en daarom willen ze Hem niet meer bedroeven. O, hier worden Gods kinderen nog wel verlaten van de Heere om ze te louteren door het lijden gelijk het zilver wordt beproefd. Maar eenmaal gaat ook dat voorbij. Dan is geen verlating meer nodig, want dan zullen ze altoos bij de Heere mogen zijn en ontvangen allen, die wettig gestreden hebben, de kroon des levens om God eeuwig te eren. En dan geldt ook van de ambtsdragers, wat David in Psalm 41 zingt: “Welzalig hij. die zich verstandig draagt bij een ellendig mens; de Heere zal hem, wanneer hij treurt en klaagt, bevrijden naar zijn wens. Behoeden en doen leven hier op aard’, in vreed’ en zaligheid; nooit van Zijn God verlaten, maar bewaard voor ‘s vijands boos beleid”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1997

Bewaar het pand | 8 Pagina's

De geestelijke verlatingen (9)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1997

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken