Bekijk het origineel

Paulus en de Filippenzen (8)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Paulus en de Filippenzen (8)

(Fil. 1:3-11)

10 minuten leestijd

We hebben samen de verzen 3 tot en met 11 van het eerste hoofdstuk van Paulus’ brief aan de Filippenzen gelezen. Paulus schrijft daar dat hij reden heeft om te danken en om te bidden als hij aan de Filippenzen denkt. Hij vertelt ook waarom hij dankt en waarvoor hij bidt. Op die manier krijgen we onderwijs ten aanzien van het ware bidden. En uit wat Paulus in dit verband schrijft krijgen we tevens onderwijs inzake het echte christelijke leven. Om die dingen duidelijk voor onze aandacht te krijgen nemen we van deze pericoop uit Paulus’ brief nog geen afscheid, maar staan we er nog een keer bij stil.

Het ware bidden

We mogen - u zult dat begrijpen - niet onkundig zijn ten aanzien van de vraag wat een waar gebed is. Zijn we in dat opzicht wel onkundig en bidden we zonder dat we in dit heilige werk onderwezen zijn, dan moeten van zulk bidden maar niet teveel verwachten. De discipelen begrepen dat. Vandaar dat zij op zeker moment aan de Heere Jezus de vraag stelden: Heere leer ons bidden (Luk. 11: l).

Laten we ons toch niet vergissen in de gedachte dat elk mens wel kan bidden, ook al is hij er niet in onderwezen. Niet alles wat wij bidden noemen is echt bidden; bidden dat goed is in Gods ogen. Er is zelfs een bidden dat een gruwel is voor de Heere. Zo lezen we het in Spr. 28:9: ‘Die zijn oor afwendt van de wet te horen, diens gebed zelfs zal een gruwel zijn’. Ja, er zijn gebeden die God niet eens horen wil. Tegen een zondig, afgodendienend Israel zegt God: “En als gij uw handen uitbreidt, verberg Ik Mijn ogen voor u; ook wanneer gij het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; want uw handen zijn vol bloed” (Jes. 1: 15).

Is er dan niet genoeg reden om met ernst te weten te komen wat een waar gebed is? Laten we dan nogmaals naar Paulus biddend luisteren, want uit zijn voorbeeld kunnen we heel wat te weten komen dat ook voor ons gebedsleven van groot belang is.

Echt bielden begint bij en eindigt met God

In vers 3 begint Paulus bij God: Ik dank mijn God... In vers 11 eindigt hij met Hem, als hij zegt dat alles moet zijn tot heerlijkheid en prijs van God. Het gaat in het ware bidden inderdaad om God. Trouwens, laat ook het ‘Onze Vader’, wat de Heere Jezus Zelf op de lippen van Zijn discipelen gelegd heeft, niet hetzelfde zien? Ook dat gebed begint bij God. Direct in de aanspraak al - ‘Onze Vader, die in de hemelen zijt’ - maar verder ook in de eerste drie beden waarin het gaat om Gods Naam, Gods Rijk en Gods wil. En het slot van dit volmaakte gebed -eindigt het niet met God? ‘Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, in der eeuwigheid. Amen’. Maar het kan niet van elk gebed gezegd worden dat het zowel begint bij als eindigt in God. Het gebed van de Farizeeër in de gelijkenis was heel anders. Dat begon en eindigde bij hemzelf. Jezus zegt - en dat is heel typerend - dat de Farizeeër ‘bij zichzelf’ bad. Het ging hem in zijn bidden alleen maar om zichzelf. Zulke bidders moeten er dan ook niet op reke-ken dat ze gehoor zullen vinden. Jacobus maakt dat duidelijk als hij schrijft: ‘Gij bidt en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uw wellusten doorbrengen zoudt’ (Jac. 4:3).

In het licht van deze dingen is het daarom van groot belang, dat we beseffen, dat het ons in ons bidden allereerst om God moet gaan. Van nature kan echter geen mens zo bidden. We hebben allemaal een zelfzuchtige instelling en daardoor is ons bidden ook op onszelf gericht. Ziet u de noodzaak om onderwezen te worden door de Geest der gebeden, opdat we waarlijk zullen bidden? Bidden, zoals Paulus dat deed.

In het ware bidden mag veel van God verwacht en dus ook gevraagd worden De Filippenzen hadden al zoveel genade van de Heere ontvangen. Paulus wist dat. Had hij daar dan niet tevreden mee moeten zijn? Had Paulus zich in zijn bidden dan niet beter kunnen beperken tot die kerken, waar de dingen veel moeilijker lagen? Waar partijschappen waren en daardoor verdeeldheid of waar ketterijen de mensen in grote verwarring hadden gebracht of waar allerlei andere misstanden waren? Daar hadden ze d e gebeden van de apostel nodig. Maar in Filippi was al zoveel van de gunst van God geschonken. Was het nodig dat Paulus ook voor die gemeente bleef bidden?

Inderdaad, er was al veel van God ontvangen en dat openbaarde zich ook in de vruchten. Maar juist het zien van de vruchten spoorde Paulus aan om te vragen om meer vrucht. Groeien er ooit genoeg vruchten? Wordt God ooit genoeg verheerlijkt? Blijft het niet altijd onder de maat in Gods kerk, zelfs in tijden van een rijk en bloeiend geestelijk leven? Kan iemand ooit zeggen: Nu hebben we God genoeg eer toegebracht? Nee, er zal altijd reden zijn om nog vruchtbaarder te zijn; God verdient altijd nog weer meer eer te ontvangen van de Zijnen.

Daarom is het niet misplaatst als Paulus om overvloediger liefde voor de Filippenzen bidt. Trouwens, als we op God letten, mag er ook om meer gevraagd worden. Van Hem mag veel verwacht worden. Bij Hem is een volheid en Hij wordt van geven niet minder en van inhouden niet rijker. Laten we toch geen grenzen stellen aan wat God geven kan of geven wil. Laten we grote gedachten van Hem hebben als we tot Hem gaan in het gebed.

In het ware bidden gaat het om de persoonlijke relatie met God

Paulus kon en mocht zeggen: ‘Ik dank m ij n God’. God is zijn God. Paulus is geen vreemdeling of buitenstaander meer. De openbaring van Gods genade heeft zijn leven helemaal veranderd en nu mag Paulus bij deze God horen. Er is een persoonlijke band gelegd.

U begrijpt, dat er op deze manier ook een grond voor vertrouwen gekomen is. Nu mag Paulus de verborgen omgang met de Heere kennen. En als hij bidt, mag hij dat doen in het vertrouwen, dat de Heere hem kent. Alweer valt de parallel op met het gebed dat Jezus zijn discipelen leerde. Hij leerde hen immers ook vanuit die persoonlijke relatie tot God spreken. ‘Onze Vader, die in de hemelen zijt’. Dit laat wel heel duidelijk zien, hoe nodig het voor ons is, om deze God persoonlijk te kennen. Dan alleen kunnen we echt vertrouwelijk met Hem omgaan. Niemand mag dan ook rusten voordat hij of zij die persoonlijke band met de Heere mag kennen.

Uiteraard is er meer te zeggen over het ware bidden. Ik beperk me in dit artikel echter tot die aspecten, die vanuit wat Paulus hier zegt tot ons komen. Laten we dezen dingen ter harte nemen.

Alsook de dingen die hij hier zegt over het echte christelijke leven.

Het echte christelijke leven

Ook ten aanzien van het echte christelijke leven zegt Paulus een paar dingen.

Het echte christelijke leven dient gekenmerkt te worden door voortdurende groei

Om overvloediger liefde bad Paulus. Om het vervuld worden met vruchten der gerechtigheid. Hij wenste dat ze steeds zouden toenemen in de kennis en in de genade van de Heere Jezus Christus. Is er ooit een punt bereikt waarop een christen op zijn lauweren kan gaan rusten en tevreden kan zijn met wat hij bereikt heeft? Nee, nooit. Er is altijd nog zoveel tekort; zoveel waarin we dienen toe te nemen.

Hebben we daar oog voor? En bidden we dan met de apostel om voortgang en toename? Om meer genade en om meer liefde en om meer ijver en om meer wijsheid? Wee de kerk, als zij zelfvoldaan gaat worden! Zelfvoldaanheid komt inderdaad voor. Er zijn kinderen Gods, die helaas wel zelfgenoegzaam zijn en vanuit die door henzelf ingenomen hoge positie uit de hoogte op anderen neerzien. Laten we echter niet vergeten, dat de Heere zelfgenoegzame mensen, zoals Hij ze in Laodicea aantrof, gedreigd heeft dat Hij ze uit Zijn mond zou spuwen...

Er is geen reden om zelfvoldaan te zijn. Iemand, die waarlijk beleeft dat hij van genade afhankelijk is, weet ook dat hij gedurig in diepe afhankelijkheid om nieuwe genade moet vragen. Hij weet eveneens dat God altijd meer van hem verdient te ontvangen dan hij in staat is te geven. Dus dient hij te staan naar voortgang en toename.

Het echte christelijke leven bestaat uit gemeenschap met en afhankelijkheid van Christus

Het gaat om vruchtdragen. Maar goede vruchten zijn er in het leven van de christen niet vanzelf. Hij kan ze zelf niet voortbrengen. Nog minder komen de goede vruchten als gevolg van de beïnvloeding door de omgeving waarin we leven. De wereld heeft ons in dit opzicht al helemaal niets te bieden. Daarom zegt Johannes: ‘Heb de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld’ is(l Joh. 2:15).

De echte vrucht groeit alleen door Christus. Dat maakte Paulus duidelijk in vs. 11. Vandaar dat er ook verbondenheid met Christus moet zijn wil er van echt vruchtdragen sprake zijn. Zoals de rank ook pas echt goed vrucht kan dragen als hij in de wijnstok is en blijft.

Paulus had dat voor zichzelf goed verstaan. Hij mocht er ook van getuigen. Ik denk bijvoorbeeld aan wat hij in de Galatenbrief schrijft: “Ik ben met Christus gekruist en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij. en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft en Zichzelf voor mij overgegeven heeft” (2:20). Welnu, hierin is het geheim van een echt christelijk leven gelegen.

Het echte christelijke leven wordt beschenen door het licht van de dag van Christus

Tot tweemaal toe heeft Paulus in de pericoop die we bestuderen op de dag van Christus gewezen. In vs. 6 noemt hij die dag als hij het heeft over de voleinding van het goede werk dat God in de Filippenzen was begonnen. In vs. 10 noemt hij die dag weer als hij het heeft over de onberispelijke wandel die nodig is zullen ze zonder verschrikken die dag tegemoet gaan. Paulus schrijft over die dag trouwens ook op nog vele andere plaatsen in zijn brieven en dan gaat hij er nog uitvoeriger op in. Bijvoorbeeld in 1 Thess. 1:9 en 10 en 2 Thess. 1.

Dat die dag komt zullen we moeten beseffen. Dat we ons op die dag voor te bereiden hebben zal ons ook steeds voor ogen moeten staan. Dat we in het licht van die dag hebben te waken is iets waar de Heere Jezus ons van wil doordringen. In het ware christelijke leven zal met de komst van die dag gerekend worden. Maar als dat zo behoort te wezen, ontbreekt er dan niet veel aan het echte christelijke leven? Die dag van Christus staat vaak heel ver bij ons vandaan. Of vergis ik mij nu? Zijn er niet velen, die er nauwelijks en misschien wel nooit aan denken? Zijn er niet velen, wier gedachten en daden geheel door hun aardse bezigheden worden beheerst ?

Toch mag het leven van Gods kinderen nù nooit losgemaakt worden van het leven straks. En tussen dat nù en dat straks staat de dag van Christus. Laat wat God over die dag zegt dan maar meer de stof voor onze meditatie zijn. Om ons er met des te meer ijver op voor te bereiden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1997

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Paulus en de Filippenzen (8)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1997

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken