Bekijk het origineel

Des Christens groot interest (8)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Des Christens groot interest (8)

9 minuten leestijd

Complete vernieuwing

Het tweede kenmerk van het deelhebben aan Christus is een nieuw leven. Guthrie benadrukt dat de hele mens bij deze vernieuwing betrokken is.

Het verstand van de mens wordt door de Heilige Geest vernieuwd. Door de Heilige Geest ga je inzien dat Christus de wijsheid en de kracht Gods is. We gaan erkennen met een verlicht verstand dat de weg van de zaligheid in de Heere Jezus de enige juiste weg is.

Het hart en de genegenheden van de zondaar worden door de Heilige Geest vernieuwd. Hier komt het vernieuwende werk van de Heilige Geest duidelijk openbaar. “Het hart is veranderd in een nieuw hart, een vlezen hart, dat open staat voor indrukken en waarin Gods wet is afgedrukt en waarin de vreze Gods woont.”

Dit komt vooral tot uiting in de liefde van de mens. Eerst was de liefde gericht op de zonde. Nu is de liefde gericht op de Heere en op Zijn wet. Je hart gaat ernaar uit om de geboden van de Heere lief te hebben. “O Heere, hoe lief heb ik Uw wet” (Ps. 119:63). De liefde gaat nu ook uit tot hen die door dezelfde Geest het beeld van God dragen. De liefde tot het volk van God is toe te schrijven aan het feit dat ook zij kinderen Gods zijn en de geboden van de Heere onderhouden. “Ik ben een gezel van allen die U vrezen en van hen die Uw bevelen onderhouden” (Ps. 119:63). De haat van de mens krijgt een andere richting door Gods Geest. Nu is de haat gericht tegen de zonde. “Ik haat kwade ranken” (Ps. 119:113). De blijdschap wordt ook vernieuwd. De blijdschap gaat uit naar God. Eerst verblijden we ons in de zonde, maar nu ligt er vreugde in het onderhouden van de geboden van de Heere. “Maar zijn lust is in des Heeren wet” (Ps. 1:2). De droefheid krijgt ook een ander karakter. Nu ga ik door Gods Geest rouwklagen over de zonde waarin ik eerst lust had. “Men rouw-klaagt over de zonde omdat de zonde Christus zoveel kwaad berokkend heeft” (Zach. 12:10). Maar deze innerlijke vernieuwing blijft niet onopgemerkt. Ook de uitwendige leden van de mens worden vernieuwd. De leden van het lichaam die eerst ten dienste stonden van de zonde, worden nu gebruikt als wapenen van de gerechtigheid tot heiligmaking (Rom. 6:19). Dat geldt voor het oog, de tong, het oor, de hand, en de voet. Op deze wijze laat Guthrie heel sterk het woord van de apostel Paulus tot uitdrukking komen: “Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet het is alles nieuw geworden. En al deze dingen zijn uit God” (2 Kor. 5:17,18a). Het nieuwe leven is ook echt nieuw leven. Het is uit God. Het is zo totaal anders dan het oude leven. Het werk van de Heilige Geest is radicaal. Hij kan bij het oude niet aansluiten. Hij maakt een nieuw begin. Hij schenkt nieuw leven. Het radicale wordt duidelijk in de complete verandering van de zondaar. Maar Guthrie verliest de onvolmaaktheid en de overgebleven zonden niet uit het oog. Hij zegt dat de onheiligheid van de christen behoort tot één van de lasten die hij meedraagt in dit leven. Echter, eerst laat hij de radicaliteit van het vernieuwende werk van de Heilige Geest zien. De christen is een nieuwe schepping. Hij wordt vernieuwd in al zijn wegen. Hij gaat de Heere zoeken. Vroeger deed hij dat ook wel, maar het was alleen uiterlijk. Het hoorde erbij. Nu is het de belangrijkste vraag hoe ik in de dag van Christus’ wederkomst tegenover God sta. Het Koninkrijk van God gaat ons nu ter harte. De zaak van Christus wordt onze zaak. Dat worden nu de belangrijkste zaken in mijn leven: mijn zaligheid en de voortgang van Gods werk in deze wereld.

We gaan de Heere ook anders dienen. We kunnen niet meer tevreden zijn met het dienen van de Heere alleen in uiterlijke dingen. We gaan de Heere aanbidden in geest en in waarheid. We krijgen een ‘geestelijk besef van God’. Dat betekent dat wij ons de Heere voortdurend voor ogen stellen. De Heere is er bij in al ons doen en laten. Ons handelen wordt bepaald door een oprechte gezindheid van ons hart om Hem te dienen. “Laat de redenen mijns monds en de overdenking mijns harten welbehagelijk zijn voor Uw aangezicht, o Heere, mijn Rotssteen en mijn Verlosser” (Ps. 19:15). Ook in ons dagelijks beroep willen we de Heere dienen. We gaan net als Nehemia biddend onze weg (Nehemia 2:4).

De houding ten opzichte van onze naaste wordt anders. We oefenen onszelf om een onergerlijk geweten te hebben tegenover God en de mensen. De vrucht van de Heilige Geest komt ook tot uiting in onze dagelijkse omgang met onze man, vrouw, kinderen, familie, buren, collega’s.

De gewone dagelijkse dingen als slapen, eten, drinken, ontspanning, kleding gaan we gebruiken naar de wil van God. We gaan God ermee verheerlijken. We danken God met ons hart voor Zijn zegeningen in het dagelijkse leven. We gaan de Heere erdoor verheerlijken. Gebruiken we elke dag om de Heere te danken voor Zijn zegeningen, voor de gaven uit Zijn hand, zoals eten, drinken, slapen en kleding?

Kortom, heel het leven van een zondaar komt onder het beslag van Gods vernieuwende Geest. Een complete verandering, dat altijd op gespannen voet staat met het oude leven.

Zijn we vernieuwd door de Heilige Geest? Herkennen we ons leven in de dingen die uit de Schriften hier door Guthrie worden opgediept om het leven uit de Geest van de Heere Jezus weer te geven? De boodschap die Guthrie ons mee wil geven is dat wij allen zo’n vernieuwing nodig hebben. Ons leven is uit de aarde aards. We doen zonde en wij zijn zonde. Ons hart en ons leven is compleet en totaal verdorven. Maar het werk van de Heilige Geest is ook compleet en totaal. Hij pakt de verdorvenheid bij de wortel aan. Hij schenkt een nieuw hart. Door de gave van een nieuw hart wordt heel het leven vernieuwd. “De daden van een nieuw leven worden door de gehele mens voortgebracht”. Je gaat strijden tegen grote en kleine zonden. Heel de wet van God gaat mij ter harte. “Hij neemt zich voor, zolang hij op aarde leeft, niet op te houden, eenswillend met God te zijn en zich steeds uit te strekken tot de prijs der roeping Gods” (Filipp. 3:13,14).

Onvolmaaktheid

Maar is dit niet een ideaal beeld van een kind van God? Zien Gods kinderen in hun leven deze complete vernieuwing altijd wel even sterk? Kan het kenmerk van het nieuwe leven wel functioneren als een toetssteen van ons deel aan Christus?

Komt in het leven van de gelovige zijn onvolmaaktheid niet altijd weer heel sterk aan licht? Hoe wordt dit nieuwe leven dan zichtbaar?

Guthrie wijst dan eerst op de grote beloften van God, die Hij in Zijn Woord geopenbaard heeft. De Heere heeft Zich verbonden het stenen hart weg te nemen en een vlezen hart te geven. Hij heeft Zich verbonden de vreze van Zijn Naam in de harten van zondaren en Zijn Geest in hun binnenste te geven (Ezech. 36:26). “Hij wil erom gebeden zijn en langs deze weg zal Hij hen leren hoe zij deze dingen moeten zoeken en Hem ertoe brengen opdat Hij dit alles aan hen zal doen”.

De beloften van de Heere willen ons uitlokken om de Heere te vragen Zijn werk in ons leven te doen. Is dat de uitwerking van de prediking van Gods beloften in uw en jouw leven? Hebben ze ons leren smeken om Gods genade en om het werk van de Heilige Geest? Vluchten we tot de Heere met Zijn eigen Woord om Hem aan te spreken op Zijn Woord? Zo wil de Heere dat we komen op grond van Zijn eigen beloften: smekend om een nieuw hart, om Zijn Geest in ons binnenste. Bent u zo‘n smekeling aan de troon van Gods genade? Dat is de weg waarin de Heere Zijn beloften wil vervullen. De beloften van de Heere zijn betrouwbaar. Dat geeft vastheid en houvast aan een zondaar, die geen enkele grond vindt in zichzelf.

Troost

Tot troost van de zwakke gelovigen voegt Guthrie er nog aan toe dat deze vernieuwing niet in ieder kind van God even volkomen is. Maar die nieuwe mens moet er wel zijn. Met minder kan het niet toe. “Toch hebben begenadigden weet van deze vernieuwing. Als u hen deze dingen uitlegt, dan vindt het weerklank in hun hart”.

Als de Heilige Geest werkt in je hart, zul je met alle zwakheden en gebreken toch deze dingen terug vinden in je hart. We hebben geen vrede meer met de zonden. We kunnen niet tevreden meer zijn over onszelf. Telkens wanneer wij struikelen, zullen we bedroefd zijn dat we ons hartelijk voornemen om de Heere te dienen niet zijn nagekomen. We kunnen dan oprecht tegen de Heere zeggen: Heere, u weet dat ik Uw wet liefheb, maar U weet ook van mijn struikelingen.

Tot geestelijke leiding van zondaren die op die weg van heiligmaking nog niet zover komen als ze wel zouden willen, zegt Guthrie het volgende. We moeten ook een geschikte tijd uitkiezen om deze dingen bij onszelf te zoeken. We moeten dat niet doen als we overmeesterd zijn door de zonde en de zonde de overhand in ons leven heeft. Wanneer het wintertijd is, zie je ook geen bladeren en vruchten aan de boom. Wat mij betreft, had Guthrie dit nog wel iets meer mogen uitwerken naar de praktijk van het Geestelijke leven. Naar mijn indruk bedoelt Guthrie met een geschikte tijd waarin het geloofsleven zich in een rustige tijd bevindt. Dat is een tijd waarin we de Heere zoeken, de genademiddelen met verlangen gebruiken, niet in grote zonden vallen, met onze zwakheid tot Christus vluchten en op Hem gelovig zien. Volgens hem is die tijd er in het leven van een godzalige. Hij kan niet in de zonde blijven, al valt hij in de zonde. De zonde is voor hem in de regel een droevige kwelling. “En wij nemen aan dat hij het in afhankelijkheid voor de Heere neerlegt, opdat Hij zijn wegen weer recht maakt, zoals David spreekt. Zult Gij mijn voet niet redden van aanstoot?” (Ps. 56:14).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 maart 1998

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Des Christens groot interest (8)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 maart 1998

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken