Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gaat de dominee voorbij? (6)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Gaat de dominee voorbij? (6)

8 minuten leestijd

Het is een goede zaak als predikers een zekere relativering kennen in de verwerking van de ambtelijke last(en), die zozeer op de ambtsdrager kan gaan drukken, dat hij eronder gebukt kan gaan. Met alle gevolgen van dien. Door die relativering wordt niets van de ernst en het hoge gewicht van zijn ambt teruggeroepen. Volgens veel kerkmensen gaat het niet gauw goed (in de kerk). Relativering is dan nodig. In dit verband heeft iemand de humor in de heilige dienst eens een gave van God genoemd (W.A. Wiersinga) om te kunnen overleven. Overdreven of niet? Ik vind het in ieder geval raak getypeerd en.... ik ga de werkelijkheid van deze woorden steeds meer als waar beleven. Wordt er niet veel te lichtvaardig gedacht over de schade, die een predikant, in hart en nieren, kan oplopen bij alles wat hij in de gemeente ontmoet? Welk een nadelige invloed kan het zelfs niet uitoefenen op zijn eigen geloofsleven? Ds. Blok vraagt er in ieder geval in een apart hoofdstuk onze aandacht voor! Wat hier geschreven wordt vóór dominees of over dominees, gaat echter niet alleen hen aan, maar niet minder alle leden der gemeente, die ernst maken met het voortdurend onderzoek van eigen hart en leven. Eerst wordt weer het ‘geestelijke klimaat’ belicht waarin even gemakkelijk als oppervlakkig gesproken en gedacht kan worden over ‘geloof’ en ‘geloven’. Enerzijds zijn er de moeiten in de worsteling om te kunnen geloven. ‘Regeert God over alles, ook over alle leed vandaag?’. Anderzijds de weerbarstigheid van het menselijke hart, waarin elke aansluiting wordt gemist om te ‘mogen’ geloven. De mensen staan erg kritisch tegenover wat zij ‘moeten geloven’ (de geloofsinhoud) en niet ‘kunnen geloven’ (het missen van de ervaring). Zó staat en leeft de dominee vaak tussen de uitersten. Hij wordt geconfronteerd met de aanvechtingen van de gemeenteleden en hij constateert dat hij ook een mens is van deze tijd. Welke uitwerking heeft het moderne levensgevoel op hem en zijn huis? Er moet een oud gezegde zijn (ik kende het niet), dat als volgt luidt: ‘Als de duivel in het dorp is, loopt hij eerst drie keer om de pastorie heen’.

De predikant en zijn geloofsleven

Vanuit het Schriftwoord ‘Oefen uzelf tot godzaligheid’ (1 Tim. 4:7b), waar het immers gaat om de opwekking tot een getrouwe ambtsvervulling, worden ons enkele toetsstenen tot zelfbeproeving aangereikt. Wie zich mag oefenen in een vroom leven, zal dat altijd moeten doen vanuit het sola gratia, het door genade alleen!

Vrucht dus van de geloofsgemeenschap met Christus, die door de verborgen werking van de Heilige Geest tot stand komt. Concreet komen in de oefening tot godzaligheid o.a. de zelfverloochening, de navolging en de overdenking van het toekomende leven, aan de orde. Naar analogie van Calvijn. De zelfverloochening schijnt bij velen vandaag een besmet woord, maar het is en blijft voluit een bijbels begrip. Ja, zelfs een eerste vereiste. Onwillekeurig denken wij aan het woord van de apostel: ‘Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was’ (Fil. 2:5). De zelfzucht maakt veel kapot. Zij kweekt egocentrische mensen. Om niet te zeggen egoïstische! Het gevolg daarvan is weer de toenemende drang tot individualisering in kerk en samenleving. Het ik-gerichte denken. Wie zich mag oefenen in zelfverloochening, weet wat bescheidenheid is, gedraagt zich mild en zal respect weten op te brengen voor de (andere) naaste. Onmisbare eigenschappen voor een predikant! Alleen in die gezindheid, ongetwijfeld valt daar méér over te zeggen, zijn wij navolgers van Christus. Wij leven in de lijdenstijd, waar de prediking ons in het bijzonder behoort te richten op Hem, die voor de vreugde, die Hem was voorgesteld, het kruis heeft verdragen en schande veracht. Waarom valt het ons toch zo zwaar, wanneer wij werkelijk door het geloof op Jezus mogen zien, om onze oude natuur te doden en in een nieuw godzalig leven te wandelen? Als predikers en gemeente. Het gaat toch niet om ons, maar om Hem? Wordt dat gekend en gezocht in het kruisdragen? Weten wij van het sterven aan ons verdorven ‘eigen ik’? Calvijn noemt als zegen van het kruisdragen o.a. de afbraak van onze hoogmoed en de scholing in zelfkennis en nederigheid. Hij wist waarover hij sprak. Hij stond immers zelf in de branding van de kerkelijke (geloofs)strijd van zijn dagen. Had hij daarom zoveel oog voor de betrekkelijkheid van het tegenwoordige- en de heerlijkheid van het toekomende leven? Ons aardse leven is, volgens Calvijn, onzeker, vluchtig en ijdel. Indien de hemel ons vaderland is, wat is dan de aarde anders dan een oord van ballingschap?

Wat Calvijn beweerde, staat haaks op het tegenwoordige, autonome, denken van de mens. Deze staat op zijn vermeende rechten en heeft nauwelijks oog voor zijn plichten. Voor God en de naaste. Zelfverloochening en kruisdragen liggen ons niet.

Tot bezinning en tot bekering strekkend, is de conclusie, die door Blok getrokken wordt als hij verder gaat met het woord van Paulus: ‘Oefen uzelf tot godzaligheid’. Wij weten in welk verband de apostel dat schrijft. Vandaag de dag is er een overwaardering voor het lichaam. De instellingen, waar wij ons lichaam kunnen trainen, zijn niet te tellen. Zeker is het van belang aandacht te geven aan onze lichamelijke conditie. Maar waar is de evenredigheid met- of zelfs het hoger achten van de oefening van onze ziel? Oefening in de vreze des Heeren is heilzaam voor het toekomende leven. Bijzonder actueel is het voorbeeld, dat dan wordt genoemd. ‘Er zijn mensen, die midden in de nacht hun wekker laten aflopen om een bokswedstrijd op televisie te kunnen zien, maar ze kunnen op zondagmorgen niet uit hun bed komen om naar de kerk te gaan’.

Kan een dominee zalig worden?

Ik zou ditmaal willen besluiten met de waarschuwing van Dietrich Vorwerk. die al in 1912 gehoord kon worden. De schrijver van het boekje: ‘Kann auch ein Pastor selig worden?’

Dominees kunnen niet zalig worden, zegt Vorwerk. Alleen zondaren worden zalig! Dominees verkeren meer dan andere mensen in het gevaar zich tevreden te stellen met surrogaten van bekering. Er is het gevaar dat je je theologische kennis stelt in de plaats van je bekering. Zou hij, wiens roeping het is verlorenen tot de zaligheid te leiden, zelf niet zalig worden? Zou hij. die anderen tot bekering roept, zelf onbekeerd kunnen blijven? De redding van anderen helpt ons, dominees, niets!

Het woord dat wij anderen uitdelen, hoeft ons nog geen nut te doen! Niemand wordt verzadigd doordat hij voor anderen brood snijdt en hun dat toereikt. Daarbij kan hij zelf op een ellendige manier van honger omkomen. Omdat dominees zo gemakkelijk de zegen, die zij anderen brengen, voor een eigen zegen aanzien. Omdat ze zo gemakkelijk het anderen tot bekering brengen met het zelf bekeerd-zijn verwarren, daarom is het nodig tot de dominees te zeggen: Bekeert u van uzelf!

De verzoekingen voor een dominee zijn groot. Het ambt van een dominee is een publiek ambt. Hij vertoont zich in het publiek en laat zich daar horen. Men kan zijn ambt vergelijken met het werk van een toneelspeler (!). Beiden, dominee en toneelspeler, treden op voor een groot publiek. Beiden willen indruk maken, bijval oogsten. Misschien niet zozeer voor zichzelf, maar dan toch voor wat ze brengen. Daarin ligt een verschrikkelijke verzoeking tot hoogmoed en ijdelheid, tot mensen willen behagen en effectbejag. Het bewijs voor de hoogmoed van vele dominees is hun ongeschiktheid om op een goede manier met collega’s om te gaan, speciaal wel als zijzelf niet de eerste viool kunnen spelen, als een ander vollere kerken heeft dan zij. Let wel: dit werd alles in 1912 opgemerkt! Beschamend en ontdekkend.

Verder is er het gevaar dat er een contrast ontstaat tussen de woorden en het innerlijke leven van de prediker. Berekende en gemaakte gevoelsont-roeringen, berekende en ingestudeerde gezalfdheid, in één woord: pastorale slimheid en pastoraal raffinement komen in de plaats van de echte Geest van Jezus Christus. In geen enkele stand, aldus Vorwerk, verkeert men in zo groot gevaar om de zonde tegen de Heilige Geest te bedrijven als in de ‘domineesstand’. Want deze zonde is immers alleen daar mogelijk, waar volkomen heldere kennis der geopenbaarde waarheid zich verbindt met volkomen innerlijke afwending van deze waarheid. Een prediker is niet te verontschuldigen. Zijn verantwoordelijkheid is groot. Aan hem werd meer toevertrouwd, daarom wordt ook meer van hem geëist.

Kan een dominee zalig worden?

Wij hoorden eenmaal Petrus een soortgelijke vraag stellen: Wie kan dan zalig worden ? Gelukkig voor prediker en gemeente, dat de Heere Jezus het laatste woord sprak: ‘De dingen, die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn mogelijk bij God’.

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1998

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Gaat de dominee voorbij? (6)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1998

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken