Bekijk het origineel

Des Christens groot interest (8)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Des Christens groot interest (8)

8 minuten leestijd

In dit artikel maken we een begin met de behandeling van het tweede gedeelte van dit boek van William Guthrie. In het eerste deel ging het om de vraag hoe wij kunnen weten of wij een zaligmakend deel aan de Heere Jezus Christus hebben. Guthrie heeft al die dingen die in de Schriften daarop betrekking hebben samen gevat in twee kenmerken: een waar geloof en een nieuw leven. Uiteraard hangen deze twee ook weer heel nauw met eikaarsamen.

In het tweede deel van zijn boek gaat hij in op de vraag hoe wij dat zaligmakende deel aan Christus kunnen krijgen. Guthrie wil hen die niet weten of ze deel hebben aan Christus, onderwijs geven om hen tot Christus te leiden. Dat proeft u in heel dit boekje. Guthrie is een bewogen prediker van zijn, het Evangelie die zijn hoorders en lezers het liefste ziet aan de voeten van de Heere Jezus Christus.

Dit tweede deel heeft hij met name geschreven voor hen die de kenmerken die genoemd zijn in het eerste deel, niet op zichzelf kunnen of durven toepassen.

Het verbond

Vooraf maakt Guthrie enkele opmerkingen over het verbond. Hij doet dit om de weg tot de zaligheid in de Heere Jezus ons helder voor de aandacht te stellen.

Werkverbond

Guthrie begint met het verbond dat God met Adam heeft gemaakt voor de zondeval. De mens was in staat om dit verbond te houden (Prediker 7:29).

Maar de mens heeft door zijn ongehoorzaamheid gegeten van de verboden vrucht en heeft het verbond verbroken en zichzelf in de ellende gebracht. Guthrie haalt onder meer Hosea 6:7 aan waar staat dat het volk van Israel het verbond verbroken heeft zoals Adam dat heeft gedaan. Dit verbond staat onder ons bekend als het werkverbond. In dit verbond geeft God de mens het eeuwige leven als loon op zijn gehoorzaamheid aan Zijn geboden. Maar door de zondeval heeft Adam dit verbond voor eeuwig te niet gedaan. Het is onmogelijk om het eeuwige leven te verwerven door dit verbond. Door de werken van de wet zal niemand meer de zaligheid kunnen ontvangen.

Genadeverbond

Nu openbaart God in de Schriften Zijn genade. Hij nam Zich van eeuwigheid voor om mensen op een andere manier zalig te maken, namelijk door Jezus Christus en het verbond der genade.

Dit verbond heeft God al aan Adam en Eva geopenbaard (Gen. 3:15). De komst van Christus naar deze wereld om verzoening tot stand te brengen, heeft alles te maken met het genadeverbond. Door Christus kan God zondaren behouden. Dit genadeverbond heeft de Heere in alle geslachten aan Zijn kerk bekend gemaakt. De bekendmaking van dit genadeverbond houdt in dat de Heere de weg tot de zaligheid in Christus aan zondaren openbaart.

Het genadeverbond heeft de Heere met Israel opgericht. “Zo wordt het ganse volk van Israel het volk des Heeren genoemd en het wordt gehouden Hem te erkennen als hun God. Hij erkent het als Zijn volk. Ja, de Heere verbindt Zich ook om de God te zijn van hun zaad en de nakomelingen van hen, die zich zo onder Zijn inzettingen buigen. Het verbond is gemaakt tussen God en al het volk, jong en oud, al dan niet aanwezig op die dag (Deut. 29:11 -15). En allen zijn bestemd onder enig teken van dat verbond te komen, gelijk aan Abraham bevolen werd (Gen. 17:10). Dit was niet alleen zo in het Oude Testament, maar ook in het Nieuwe Testament. De Heere biedt Zichzelf aan om onze God in Christus Jezus te zijn. En de mensen die belijden dit te aanvaarden en tot bewijs hiervan zich onderwerpen aan de ordinantiën, worden beschouwd als Gods verbondsvolk.”

Dit uitvoerige citaat laat zien hoe Guthrie het genadeverbond behandeld. Het is niet mijn bedoeling om Guthrie voor het karretje van een bepaalde verbondsvisie te spannen. We kunnen, denk ik, wel zeggen dat Guthrie eenvoudig de Schriften naspreekt. De Heere heeft met ons en onze kinderen het genadeverbond opgericht. Guthrie laat niet na om in sterke bewoorden uit te drukken wat God doet in het genade verbond: “De Heere biedt Zichzelf aan om onze God in Christus Jezus te zijn.” In dit licht mogen we het genadeverbond waarin we begrepen zijn, nooit gering achten. In het genadeverbond biedt de Heere Zichzelf aan om onze God te zijn in de Heere Jezus Christus. Elk aanbod van de Heere is welgemeend en oprecht.

Tweeërlei kinderen van het verbond

Maar niet iedereen die dit aanbod van de Heere in het genadeverbond ontvangt, wordt behouden. “Velen handelen trouweloos met God. Velen zijn tevreden wanneer zij alleen maar in naam tot het genadeverbond behoren. We kunnen met de mond belijden tot het verbond te behoren en ondertussen niet oprecht van hart zijn. Alleen degenen die de Christus oprecht belijden als het rantsoen voor hun zonden, worden de geestelijke beloften van het verbond deelachtig gemaakt.

Deze schriftuurlijke benadering bewaart er voor dat we het genadeverbond overschatten. We zouden kunnen zeggen dat Guthrie hier de tweeërlei kinderen van het verbond aanduidt. Zij die alleen in naam de Heiland belijden en instemmen met de weg der zaligheid en zich onderwerpen aan Gods inzettingen, hebben niet het recht om Gods kinderen genoemd te worden. Dat geldt alleen van hen die door een oprecht geloof Christus hebben aangenomen. In hun leven worden de beloften van het verbond deelachtig gemaakt en vervuld. Deze heldere en bijbelse lijn is de moeite waard om te bestuderen en te overdenken.

Bijbels gebod

Hoe komt iemand ertoe om God in Christus aan te nemen? Het diepste geheim hiervan is Gods verkiezing. Alleen de uitverkoren doen de goede keus die de Heere in hen werkt. Deze fundamentele belijdenis, die Guthrie voor de volle honderd procent onderschrijft, staat hem niet in de weg om te spreken van een gebod om te geloven. Een citaat: “Toch heeft de Heere de mensen, die Zijn Evangelie horen, als een plicht opgelegd Zijn aanbieding van de zaligheid door Christus Jezus aan te nemen, alsof het in hun eigen macht was dit te doen.”

U ziet hoe sterk het gebod tot geloof onder woorden wordt gebracht. Wanneer wij onder de prediking van het Woord zijn, verplicht de Heere ons om te geloven. Wij worden verplicht om de zaligheid aan te nemen. Zo moet het Evangelie ook gebracht worden. Er mag voor de kerkgangers geen twijfel over bestaan wat zij moeten doen. Ze mogen het Woord van God niet verwerpen, maar ze moeten het door het geloof aannemen.

Laat de klem maar op ons afkomen dat de Heere ons onder die eis stelt. Wanneer deze eis in de prediking wordt verkondigd, krijgt niemand de ruimte om ongelovig te blijven. De predikers van het Evangelie hebben zo het Woord te brengen dat niemand kan denken dat hij wel onbekeerd en ongelovig mag blijven.

De eis moet zo verkondigd worden alsof de mens zelf kon geloven. Zo dringend moet de eis tot geloof ons na aan het hart gelegd worden.

Weet Guthrie dan niet dat het geloof een gave Gods is? Jazeker, Guthrie belijdt ook niet dat de mens zelf kan geloven. Hoe dringend de eis ook wordt verkondigd, geen mens kan van zichzelf geloven. Maar de Heere gebruikt deze bevelen en nodigingen om “de werkzaamheden tussen Hem en zondaren tot stand te brengen”. Met andere woorden: De Heere gebruikt de eis om Zijn aanbod van de zaligheid aan te nemen, om een zondaar te brengen tot Hem. De Heere gebruikt de eis om ons te ontdekken aan onze aandacht om te geloven, opdat we tot de Heere zouden vluchten met het gebed om geloof.

“Zo is het dan een komen van onze kant en nochtans een trekken van Gods (kant Joh. 6:44). Het is een trekken van Zijn kant en een nalopen van onze kant (Hoogl. 1:4). Een naderen van onze zijde en een verkiezen en doen naderen van Zijn zijde (Ps. 65:5). Het is een geloven of aannemen van onze zijde (Joh. 1:12) en tegelijk is het ons gegeven te geloven (Filipp. 1:29). Guthrie verkondigt en belijdt voluit het geloof als vrije en soevereine gave van God. Wij kunnen dat met ons verstand ook nooit in overeenstemming brengen met de eis om te geloven, waardoor ons ongeloof als schuld voor God wordt aangewezen. We hoeven het ook niet logisch kloppend te maken.

Guthrie spreekt de Schrift na en laat het zien: “Het is een trekken van Zijn kant en een nalopen van onze kant.

Heeft die eis tot geloof ons biddend gemaakt? De Heere wijst ons ongeloof aan als schuld. Wanneer wij niet geloven en niet komen tot Christus, kunnen wij nooit een beroep doe op het feit dat God het ons niet heeft gegeven. Deze eis van de Heere wil ons uitdrijven naar Hem. Deze God kan het geloof werken in onze harten. De Heere wil het geloof geven waardoor ik de Heere Jezus aanneem. Onze catechismus belijdt als antwoord op de vraag: “Vanwaar komt zulk geloof?” Van de Heilige Geest, Die het geloof werkt in onze harten door de verkondiging van het Heilig Evangelie.” De Heilige Geest gebruikt de prediking als middel. In deze prediking van het Evangelie wordt ons de gewilligheid van de Heere rijk verkondigd om te doen wat wij zelf niet kunnen. “Al wat u ontbreekt, schenk Ik, zo gij ‘t smeekt, mild en overvloedig”. Ontbreekt het u aan geloof? De Heere geeft wat u nodig hebt. Roep Hem aan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1998

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Des Christens groot interest (8)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1998

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken