Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gaat de dominee voorbij? (8)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Gaat de dominee voorbij? (8)

8 minuten leestijd

In enkele lijnen heb ik de laatste keer (Bewaar het Pand no. 8 d.d. 16 april 1998) geprobeerd het hoge belang van de prediking aan te geven. De verkondiging van het Woord van God mag en moet gezien worden als één van de mooiste en tegelijk moeilijkste taken, waartoe een predikant zich geroepen behoort te weten. Terecht geeft het klassieke formulier om dienaren des Woords te bevestigen aan deze belangrijkste taak de hoogste prioriteit. Het ambtswerk van een predikant mag veelzijdig heten, maar dit mag nooit en te nimmer ten koste gaan van zijn hoofdtaak. Daarom gaat de behandeling van het onderwerp Predikant en prediking ons allen aan. Het raakt niet alleen de dienaar van het Woord, maar ook de gemeente, waarin de kerkenraad, m.n. de ouderlingen, een belangrijke sleutelfunctie mag vervullen om voldoende voorwaarden te scheppen, opdat de dominee ook metterdaad de gelegenheid ontvangt om zijn roeping voldoende te kunnen vervullen. Het is immers niet gering wat van hem gevraagd en verwacht wordt? ‘Eerstelijk, dat hij des Heeren Woord, door de Schriften der Profeten en Apostelen geopenbaard, grondig en oprechtelijk aan de gemeente zal voordragen en het toeëigenen, zo in het gemeen als in het bijzonder, tot nuttigheid der toehoorders, met onderwijzen, vermanen, vertroosten en bestraffen, naar eens iegelijks behoefte, verkondigende de bekering tot God en de verzoening met Hem door het geloof in Jezus Christus en wederleggende met de Heilige Schrift alle dwalingen en ketterijen, die tegen deze zuivere leer strijden’ (vrij weergegeven naar het bevestigingsformulier). Bekende woorden, die wij meer dan eens hoorden. Blijvend actuele woorden ook om ons te wachten voor allerlei ontsporingen binnen het kerkelijke leven t.a.v. wat van de predikant en de prediking verwacht mag worden. Bij dit verwachtingspatroon moeten wij ons uitsluitend laten richten door de Schrift. Daarin ligt de eis en de norm vervat, waaraan predikant en gemeente zich hebben te houden met verloochening van eigen (vermeende) inzicht en voorkeur.

Welke eisen moeten gesteld aan de prediking?

Ik had u eerder beloofd hierop terug te komen. Met Gods hulp hoop ik dat zeker te doen, maar allereerst wil ik hierbij toch voorrang geven aan de opmerkingen, die door Ds. M.J.C. Blok zijn gemaakt. Wij zouden het misschien bijna vergeten, dat zijn pennenvruchten de directe oorzaak zijn van deze bijdragen over de aansprekende titel Gaat de dominee voorbij? Nadat wij naar hem hebben geluisterd en uiteraard de stemmen uit het verleden gehoord, die ook hij steeds laat doorklinken, wil ik, zoals beloofd, daar wat dieper op ingaan. Of beter gezegd: wat breder aandacht voor vragen op een eenvoudige wijze. Dieper klinkt zo pretentieus, voor iemand, die voor wat betreft het predikambt zelf nog maar pas ‘in de kinderschoenen’ staat. Bovendien is het onderwerp over de eisen, die aan de prediking gesteld moeten worden, haast onuitputtelijk, gelet op het vele, dat al in het verleden geschreven is over dit levensbelangrijke onderwerp. Het raakt toch het leven van de kerk? En de nood der kerk, is de nood van de prediking!

Wij luisteren dus eerst naar de behartigenswaardige woorden van Ds. Blok.

Duidelijk wordt het daarbij, dat hij zelf eerst geluisterd heeft naar wat er in de gemeente leeft aan gedachten over de prediking. Sommigen, zegt hij, willen een heldere uitleg van de tekst. Hun verwachting is sterk exegetisch gekleurd. Anderen zitten te wachten op een uiteenzetting van de gereformeerde leer. Hun verwachting is dogmatisch getint. Weer anderen willen voortgeholpen worden met praktische richtlijnen en adviezen. Er zijn er die prijs stellen op poëzie in de preek, op een preek met een literaire, artistieke inslag. Je kunt als hoorder gehinderd worden door je eigen verwachting van de preek! Dat gebeurt, als de predikant op een andere manier preekt dan je graag zou willen. Wat verwacht de hoorder eigenlijk van een goede preek en wat is een goede preek?

Wat kunnen wij van deze ‘bevindingen’ van de schrijver leren? Allereerst dat het goed is om als dienaar van het Woord te weten, wat de gedachten van de gemeenten zijn t.a.v. de prediking? Of is het wellicht van groter belang om ondanks deze wetenschap ons niet in verwarring te laten brengen door wat de gemeente verwacht? Zou het niet vele dienaren van het Woord voor overspanning bewaren door niet altijd krampachtig te willen blijven beantwoorden aan de haast onverzadigbare consumptieve luisterhouding van de gemeente? De één wil dit en de ander weer wat anders horen en ontvangen! Dan wordt het ‘voortreffelijk werk’ (1 Tim. 3:1) inderdaad een onbegonnen werk. Dit wordt echter niet gezegd om predikheren een zekere immuniteit aan te praten en zij zich bij voorbaat verontschuldigd houden voor een gezonde oordeelsvorming van de gemeente over de rechte bediening van het Woord van God. Wat werd dit al door niemand minder dan Jacobus Koelman aangevoeld. Gelet op de volgende woorden, dat ‘veel Leeraren zoo preeken, datse haar meeste tijdt met verklaren doorbrengen, hoewel de texten niet duyster zijn en licht konden geopent worden, maar sy soekender veel toe te zeggen, ende de verkeerde verklaringen te wederleggen, als of dat het werk was, dat daar meest vereyscht wierdt, zoo loopt het uur door en weinig tijdts is er voor de toepassing, die het leven van de Predikant moest zijn; voorts zijn de nuttigheden zoo generael, datse tot het gemoedt niet raken; men preekt zo en past zo toe, dat alle het wel kunnen verdragen; want toch het leven is er uit’ (aangehaald door J. Hovius in: ‘Het toezicht op de

Dienaren des Woords door de kerkelijke vergadering’ 1968). Oude woorden, die ons ook vandaag als dienaren van het Woord tot nadenken mogen stemmen! Plaatsen wij daar woorden tegenover uit onze tijd dan is het evenwicht in de terechte- en onterechte kritiek weer hersteld. Het zijn de woorden van Dr. C. Trimp, die hij schreef in het ambtsdragersblad Dienst in april 1995: ‘Er zijn soms mensen in de kerk, die op het praktische, pittige woord zitten te wachten; de uitleg van de tekst interesseert deze mensen nauwelijks. Een dergelijke afwachtende houding is volstrekt onjuist. Op dezelfde wijze zouden er ook predikanten kunnen zijn, die hun kracht zoeken in het pittige werk en kwistig strooien met spitse opmerkingen, braaf gepraat of kloek geroep. Maar waar is het exegetische fundament? De gemeente heeft recht op en behoefte aan ‘brood’. Stichtelijke ‘tutti frutti’ kan dat niet vervangen. Het zijn juist de ouderlingen die op dit punt de wacht bij het niveau moeten betrekken, ongerechtvaardige verlangens van gemeenteleden moeten weerspreken op het huisbezoek en op de kerkenraadsvergadering de jacht naar het goedkope effect moeten bestrijden bij zichzelf of bij de dominee’. Waarvan akte! Wij vragen ons nogmaals af: aan welke eisen de schriftuurlijk-bevindelijke prediking moet voldoen. Ik zou daarbij kunnen verwijzen naar één van de meditaties, die enkele weken geleden verscheen in Bewaar het Pand van de hand van Ds. M. Vlietstra. Paulus’ prediking op de Areopagus. Slaat u hem nog eens op! Wat een prachtige lijnen worden hier getrokken. Ter toetsing van de prediking, die wij van harte voorstaan binnen onze kerken! Maar ook hier snijdt het mes naar twee kanten. De prediker beproeve zich, maar niet minder de gemeente, die naar hem mag beluisteren. Nu u dit leest, kort nà Pinksteren, is het alleszins de moeite waard om de laatste preken, die wij mochten horen, te toetsen aan de Pinksterpreek, die gehouden werd door Petrus. De bijbelse prediking van Gods gericht en genade! Hoe dan? In de ontvouwing van het Woord. De opening van de Schriften. Merken wij het niet steeds op bij de behandeling van al de heilsfeiten? Dat wij ze eerst enigermate kunnen gaan verstaan, wanneer het Woord door de Heilige Geest mag worden geopend om door diezelfde Geest te worden toegepast aan de harten van allen, die zich onder de verkondiging van het tot leven wekkende Woord mogen bevinden. U voelt wel aan: hier moet meer over gezegd. Hier ligt de bron voor onze persoonlijke meditatie. Wie haar kent, komt in het wonder terecht. Het wonder van Gods welbehagen, waarin de Heere het leven schenkt, dat begint met het eenvoudig horen en verstaan. In de zin, zoals Jezus Zelf dat bedoeld heeft. Wie het verstaan mag, gaat er van zingen:

Hoe wonderbaar is Uw getuigenis!
Dies zal mijn ziel dat ook getrouw bewaren;
Want d’oop ’ning van Uw woorden zal gewis,
Gelijk een licht, het donker op doen klaren;
Zij geeft verstand aan slechten, wien ‘ t gemis
Van zulk een glans een eeuw’gen nacht zou baren.

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 1998

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Gaat de dominee voorbij? (8)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 1998

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken