Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Bezorgheid in Amersfoort

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Bezorgheid in Amersfoort

8 minuten leestijd

Een aantal weken geleden gaf ik een korte eerste reactie op de impressie, die ds. Schoonderwoerd in hetzelfde nummer van “Bewaar het Pand” plaatste en die betrekking had op de ambts dragersconferentie die in Amersfoort werd gehouden en waar dr. Loonstra de spreker was. Ik stemde ds. Schoonderwoerd helemaal toe dat ook voor mij die ambtsdragersconferentie een teleurstellend verloop had, vooral ook doordat diverse belangrijke vragen die naar voren gebracht waren in de discussie niet meer aan de orde kwamen. Intussen zijn er verschillende weken verstreken. Door mijn verblijf in het buitenland is een vervolg op mijn eerste reactie tot nog toe uitgebleven. Nu pak ik de draad weer op en zal in een aantal artikelen op diverse aspecten van wat aan de orde kwam of in ieder geval had moeten komen, ingaan. Intussen heeft ook de voorzitter van de conferentie, br. D. Koole, in het artikel van ds. Schoonderwoerd aanleiding gevonden om in “De Wekker” nog eens uitvoerig uit de doeken te doen hoe een en ander zich heeft toegedragen. Het is echter niet mijn bedoeling om met hem in debat te gaan. Ik zal ook niet zoveel meer zeggen over wat er op de conferentie gezegd is. Waar het mij vooral om gaat is nog eens even aandacht te geven aan de vragen die wel gesteld maar niet beantwoord zijn.

Neem mij de Bijbel niet af!

Vooraf echter dit. Tijdens de periode waarin door de aanwezige conferen tievakantiegangers vragen konden worden gesteld werden diverse geluiden gehoord. Er waren er onder de aanwezigen, die dankbaar waren voor de eerlijke manier waarop de inleider had gesproken en die zich goed konden vinden in de door hem gegeven visie op de Schrift. Er waren er echter ook - en hun aantal was niet gering - die hun grote zorg en moeite uitspraken. Wat zij van de inleider te horen hadden gekregen hadden zij als verontrustend ervaren. Opmerkingen werden gehoord als: Wat blijft er zo nog te geloven over? en: Komt de inleider op deze wijze niet in strijd met wat onze belijdenis zegt over het geloof in de Schrift als Gods Woord? en: Hadden vorige generaties het dan helemaal mis als zij zonder aarzeling alles geloofden wat de Schrift bekend maakt? En nog meer indringende vragen. Om eerlijk te zijn was ik er blij mee die geluiden te horen. Alles wordt toch niet voor zoete koek geslikt. Er zijn nog ambtsdragers die kennelijk willen meedenken over de aan de orde gestelde zaken. Ambtsdragers ook, die zich niet zonder meer alles laten wijsmaken wat door sommige theologen wordt verkondigd. Laat dat alstublieft zo blijven. Theologen hebben de eeuwen door toch al de neiging gehad om de zaken in de kerk te regelen en te bepalen welke opvattingen binnen de kerk gelding zullen hebben.

Overigens heeft die vragenperiode op de conferentie wel duidelijk gemaakt dat de zaak van de Heilige Schrift een gevoelige is. Intuitief is er dan bij velen terstond de reactie: Blijf van de Schrift af. Neem mij de Bijbel niet af. Zeker, die houding kan van een zekere krampachtigheid getuigen. En in die kramphouding kan men er dan voor kiezen de vragen die er zijn uit de weg te gaan en die maar het liefst te vermijden. Dat kan zo zijn. Maar dat is niet altijd het geval. Daarom is het ook helemaal onjuist om te denken dat als er verontrusting ontstaat over een visie als welke door dr. Loonstra verkondigd wordt, dit voortkomt uit zo’n kramphouding. Ik zeg dit met nadruk, omdat ik geluiden hoor, die in die richting wijzen. Vrees voor de opvattingen van Loonstra zou dan voortkomen uit een zekere onvolwassenheid bij mensen, die de vragen die Loonstra aan de orde stelt, niet onder ogen durven zien en er dus niet van willen horen. Ik voor mij heb dat niet beluisterd in wat door de diverse conferentiegangers ten berde werd gebracht. Wat ik er wel in beluisterd heb is terechte zorg: Raken we op deze manier de Bijbel niet kwijt? Wat er ook in doorklonk was oprechte liefde tot de Bijbel als Gods Woord. Gods Woord is voor hen die de Heere vrezen immers het enige houvast geworden; het betrouwbare Woord. En dan betrouwbaar van kaft tot kaft. En wie me dat afneemt, al is het maar voor een gedeelte, kan mijn vertrouwen niet hebben.

Binding aan de confessie

Daarom was het ook ronduit stotend dat een van de aanwezige ambtsdragers durfde zeggen, dat hij niet geloofde in de Bijbel van kaft tot kaft en die daarna met vrij onbelangrijke zaken de vergadering ophield. Je vraagt je dan in gemoede af: Wat doet die man hier? Hoe kan het bestaan dat hij in een van onze kerken als ambtsdrager functioneert? Heeft die man met een eerlijk geweten zijn handtekening onder het ondertekeningsformulier geplaatst bij zijn ambtsaanvaarding? Tussen haakjes, ik hoor wel eens geruchten dat ambtsdragers bezwaar maken tegen het plaatsen van hun handtekening. Dat is een veeg teken. Anderzijds is het ook weer niet zo verbazend. We leven in een tijd waarin veel dingen gerelativeerd worden. Dingen die onder ons als vaststaand golden, worden niet meer zo gezien. Daaronder vallen onder andere ook de belijdenisgeschriften. Die zijn in vele kringen niet meer zo geliefd. Ze worden ook niet zo hard nodig geacht. Onder invloed van dat relativerende denken hebben allerlei zaken die in het verleden hun beslag kregen vandaag veel van hun belang verloren, zo wordt gedacht. Historisch besef is veelal erg ver weg. De redenering is: Laat het waar zijn, dat onze belijdenisgeschriften diverse zaken heel goed op formule gebracht hebben - dat was voor de tijd waarin ze ontstonden. Vandaag leven we echter in een heel andere tijd en nu kunnen we het niet meer met de “stoffige termen” van die oude geschriften doen. Deze wijze van denken heeft in onze kerken hier en daar helaas ook ingang gekregen. Onder invloed van de toegenomen contacten met de evangelischen? Zeer waarschijnlijk wel. Maar ook onder invloed van de contacten met de Nederlands Gereformeerde Kerken, waar openlijk gezegd wordt dat men een wat vrijere binding aan de belijdenis voorstaat. Wat dat betreft is het zaak, dat we in onze kerken goed aandacht zullen blijven geven aan het bepaalde in de artikelen 52 en 53 van onze Kerkorde, waar het gaat over de ondertekening van het verbindingsformulier. Officieel hoort dit te worden gecontroleerd als namens de classis kerkvisitatie wordt afgelegd en als daarbij ondermeer gevraagd dient te worden naar die ondertekening. Het mag toch niet zo zijn dat stilzwijgend onder ons een mentaliteit gaat heersen die van geen strakke binding aan de confessie meer wil weten. Gebeurt dat wel, dan zal dat ons op den duur wel eens zuur kunnen opbreken. Nu we het over de ondertekening van het verbindingsformulier door ambtsdragers hebben, geeft me dat tegelijkertijd gelegenheid de vraag aan de orde te stellen die op de conferentie als volgt werd geformuleerd: “Wat is de waarde van onze handtekening onder het verbindings formulier voor ambtsdragers (vlgs artt. 52 en 53 KO) tegen de achtergrond van de interpretatie van dr. Loonstra ten opzichte van Gods Woord in het licht van art. 7 NGB. Het betreft hier een belangrijke vraag, althans naar mijn mening. Maar hoe belangrijk ook, de vraag kwam op de conferentie verder niet aan de orde. Laat ik de vraag in een wat breder kader plaatsen. U weet dat onze Nederlandse Geloofsbelijdenis heel nadrukkelijk over de Schrift spreekt. Nogal uitvoerig wordt dat gedaan in de artikelen 3 tot en met 7. Als de boven geciteerde vraag verwijst naar met name art.7 is ongetwijfeld gedacht aan de openingszin van dat artikel, die luidt: “Wij geloven, dat deze heilige Schrift de wil Gods volkomen bevat en dat al hetgeen de mens schuldig is te geloven om zalig te worden, daarin genoegzaam geleerd wordt”. Naast deze belangrijke passage zouden ook nog passages uit andere artikelen genoemd kunnen worden. Ik denk aan een zinnetje in art.4. Daar wordt van de kanonieke boeken van zowel het Oude als het Nieuwe Testament gezegd: “waar niets tegen te zeggen valt”. Ook in art. 5 staat iets wat onze aandacht verdient. “En wij geloven zonder enige twijfeling al wat daarin begrepen is”. Let op de woorden “zonder enige twijfeling”. Ook op het woordje “al”. Dus niets uitgezonderd. Welnu, de vraag is, of dr. Loonstra met zijn opvattingen nog wel blijft binnen deze uitspraken van de confessie. Ik zou zeggen: een kardinale vraag. Een vraag waar de kerken in hun beoordeling van een en ander niet omheen hunnen. Een vraag die dan ook een antwoord had moeten ontvangen op de gehouden conferentie. De confessionele integriteit van een van onze predikanten is er mee aan de orde gesteld.

Zo’n vraag mag niet op de tafel blijven liggen zonder antwoord te hebben ontvangen. We zullen er een volgende keer nader op ingaan D.V.

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1998

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Bezorgheid in Amersfoort

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1998

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken