Bekijk het origineel

Gaat de dominee voorbij? (11)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Gaat de dominee voorbij? (11)

9 minuten leestijd

De eisen van de prediking!

Nadenken over de vereisten van de prediking is waarlijk geen sinecure. Een onderwerp met vele gevoelige kanten. Voor de prediker en de luisterende gemeente. Zonder dat ik dit ook maar enigszins kon voorzien, is het schrijven over deze gevoelige materie er niet gemakkelijker op geworden. Nü, tegelijk met deze serie artikelen, twee andere scribenten kanttekeningen plaatsten, die alles met ditzelfde onderwerp te maken hebben.

Prof. Van ‘t Spijker in De Wekker over ‘Gemeente onder het Woord’ en Ds. Den Butter in Bewaar het Pand over het leven van Daniel Rowlands. Het toont op meer dan één wijze hoe omvangrijk en onderscheiden het onderwerp is, waaraan ik begonnen ben. Al schrijvende heb ik eerlijk gezegd weleens gedacht: ‘waar ben ik eigenlijk aan begonnen?’

Ondertussen vergeten wij niet de gevoeligheid en de ernst, die onvermijdelijk worden opgeroepen, bij het nadenken over de schriftuurlijk bevindelijke prediking. Niet voor niets heeft iemand eens gesproken over het waagstuk van de prediking (K.H. Miskotte). Een uitdrukking, die niet uit zijn verband moet worden gerukt, maar uiting wil zijn van die heilige spanning èn inspanning, die de ziel van de prediker moet doen huiveren, wanneer hij het Woord mag en moet bedienen. Het Woord bedienen, wil immers zeggen, dat men overtuigd moet zijn, dat het woord, dat gesproken wordt, Gods Woord is. In het besef dat ‘deze schat aan een aarden vat’ is toebetrouwd (2 Kor. 4:7).

Het waagstuk der prediking

Voordat wij verder willen gaan luisteren naar de eisen van de prediking, zoals Paulus die gesteld heeft, luisteren wij naar de ootmoedige belijdenis van James Henry Thornwell.

Een begaafd prediker van het Evangelie in de Verenigde Staten uit de vorige eeuw. Een belijdenis, die ons niet alleen inzicht geeft in de zèlfkennis, die deze gezant van Christus moet hebben gehad, maar ook op gevoelige wijze ons laat verstaan hoe deze dienaar de last van de bediening heeft ervaren.

‘Het is een grote zaak te verstaan wat het betekent om predikant te zijn en hoe men moet preken. Effectieve preken zijn de vrucht van studeren, van tucht, van gebed en in het bijzonder van de zalving van de Heilige Geest. In de preek moeten de uitmuntende eigenschappen van elke andersoortige compositie, die bedoeld is om iets over te brengen, ook aanwezig zijn en moeten niet alleen met geloofsernst gepreekt worden maar gedrongen door de liefde die van Boven komt. Men moet zien dat ze recht vanuit het hart komen, vanuit het hart dat vervuld is van de liefde van Christus en de liefde voor zielen. Wees ervan overtuigd dat er maar weinig prediking in de wereld is en het is een mysterie van genade en goddelijke kracht dat Gods zaak niet vernietigd is in de wereld, wanneer we letten op de kwaliteiten van vele zogenaamde predikanten om het Evangelie te preken. Als ik zie wat ik hiervan terecht breng word ik met afschuw vervuld. Ik heb nog nooit een preek in mijn leven gemaakt en nog veel minder gehouden en ik begin te wanhopen of mij dat ooit zal gelukken. Moge de Heere u meer kennis en genade geven en dat u één doel voor ogen houdt’.

Martyn Lloyd-Jones, die deze belijdenis aanhaalt in zijn ‘Prediking en predikers’ (blz. 99) voegt er nog aan toe: ‘het kan niet anders of ieder die enig besef heeft van wat preken inhoudt, zal voelen, dat hij nooit gepreekt heeft. Maar hij blijft proberen in de hoop, dat hij eenmaal door Gods genade echt zal mogen preken’. Wie durft het nu nog langer te wagen om lichtvaardig te denken en te spreken over de geweldige eisen, die gesteld moeten worden aan de rechte bedoening van het goddelijk Woord?

Wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer...

De apostel heeft er bij Timotheüs op aangedrongen om de wacht te betrekken bij de gezonde leer. Hij zal zichzelf daarvoor moeten geven. Met hart en ziel. Alleen zó zal hij enigszins kunnen beantwoorden aan de hoge roeping om het Woord te verkondigen. Met klem en overtuiging. Daar wijzen m.n. de volgende werkwoorden wel op. In dubbele zin zetten zij de prediker aan het denken en aan het werk. Om op geen andere wijze de herdersstaf van het Woord te gebruiken. Wederleggend, bestraffend en vermanend. Evenwel in de daarbij behorende gezindheid: in alles lankmoedig. Timotheüs moet er niet met de botte bijl op los slaan. Met veel liefde en geduld voor de onwetenden en de zwakken in het geloof. Het gaat er immers om dat tegen alle wind van leer (Efeze 4:14), de leer, die naar de godzaligheid is, doordringe in de levens van zondaren. Wat komt het daarbij alleszins aan op lankmoedigheid. Gelijk God Zelf lankmoedig is over ons, omdat Hij niet wil, dat enigen verloren zullen gaan (2 Petrus 3:9). Alles moet dienen tot de bevordering van de zuivere leer, door de apostel zelfs de gezonde leer genoemd. Wat een dankbaarheid en blijdschap klinkt er in zijn woorden door wanneer hij zijn geestelijke zoon mag opwekken tot getrouwheid in de ambtelijke dienst: ‘Maar blijft gij in het geen gij geleerd hebt en waarvan u verzekering gedaan is, wetende, van wien gij het geleerd hebt’ (2 Tim. 3:14). Paulus is een wijs en voorzichtig leermeester, die het Woord hoog acht. Hij heeft er zijn leven voor over gehad. Onvermoeid heeft hij zich ingezet voor de verdediging van de christelijke leer. Om mensen te overtuigen van de heerlijkheid van het Evangelie, zo nodig te bestraffen wanneer zij het in diskrediet brachten. Oók dat is gebeurd. En hij heeft er Timotheüs voor willen waarschuwen. Deze heeft er kennis mee gemaakt, dat er een tijd zou zijn, waarin men de gezonde leer niet meer zal willen verdragen.

Daarom dienen wij temeer in onze tijd, de wacht te betrekken bij de verkondiging van het Woord. Met geen andere bezieling dan die het leven van de apostel gekenmerkt heeft. Als het in zijn tijd al zo broodnodig was het Pand te bewaren, hetgeen ons is toebetrouwd, hoeveel te meer in onze dagen. Een tijd, waarin er onmiskenbaar een vervlakking, zo niet een kaalslag optreedt in de prediking van het Woord. Is het daarom niet alleszins gerechtvaardigd om vandaag de dag ons opnieuw te bezinnen op wat het eigene behoort te zijn van onze christelijke gereformeerde prediking?

Juist in de vakantietijd komen onze gemeenteleden er wel achter, dat deze lang niet op alle plaatsen op dezelfde wijze ten gehore wordt gebracht. Ik heb het daarbij niet over de verscheidenheid van gaven, maar om het fundament der waarheid zelf!

Mag de preek nog wel preek heten, wanneer zij niet meer appellerend is. Niet meer het geweten aanspreekt en aandringt tot persoonlijk onderzoek. Wat zijn er een preken, waarin als vanzelfsprekend wordt verondersteld, dat allen reeds behouden zijn. Expliciet zal dat niet worden beweerd, maar in de prediking wordt het evenwel niet meer opgemerkt. Terecht is weleens gezegd, dat de tijd van de veronderstelde wedergeboorte achter ons ligt, maar dat wij niet genoeg beducht kunnen zijn voor het veronderstelde geloof.

Verondersteld geloof

Een gevaar, dat de kerk altijd al bedreigd heeft. Ontdekkend is de ontboezeming, die Lloyd-Jones in zijn eerder aangehaald werk laat horen: ‘Het grootste gevaar waarmee de preekstoel geconfronteerd wordt is aan te nemen, dat iedereen, die zegt christen te zijn, dat ook werkelijk denkt en lid van de kerk is, dus noodzakelijkerwijs christelijk is. Dat is volgens mij de allergrootste en zeker meest voorkomende blunder. Omdat mensen lid van de kerk zijn neemt men aan dat ze christenen zijn. Dat is gevaarlijk en verkeerd. Waarom? Als u dat aanneemt, zult u in al uw preken de neiging hebben zo te preken, dat dit bij de christelijke gelovigen aansluit. Uw boodschappen zullen altijd leerstellig zijn en het evangelische element en geluid zullen verwaarloosd worden, misschien wel bijna helemaal. Dit is een grote en ernstige dwaling. Laat mij u vertellen waarom ik dit zeg. Ik zou graag beginnen met wat ik zelf persoonlijk ervaren heb. Vele jaren lang dacht ik, dat ik christen was, terwijl dat in feite niet zo was. Pas later begon ik in te zien, dat ik helemaal geen christen was of geworden was. Ik was lid van een kerk en woonde de diensten trouw bij. Dus iedereen die net als de meeste predikanten mij voor een christen aanzag, vergiste zich hierin. Ze hadden mijn toestand verkeerd beoordeeld. Wat ik nodig had, was een prediking die mij zou overtuigen van zonde en mij mijn nood zou laten zien en mij tot oprecht berouw zou brengen en mij iets over de wedergeboorte zou vertellen. Maar daarover hoorde ik nooit preken. In de prediking, die wij hoorden werd er altijd van uitgegaan dat we allemaal christenen waren. Ik denk dat dit vooral in deze eeuw één van de grootste vergissingen van de kerk is geweest. Ik ben in mijn ervaring als predikant en pastor hierin vele malen versterkt’ (blz. 146-147 a.w.).

Hier worden gevoelige snaren geraakt. Wie zijn eigen hart en kerkelijk leven kent, merkt (helaas) een herkenbare situatie. Weer wordt het oude gezegde bewaarheid, dat de nood der kerk, de nood der prediking is!

Vanwege het hoge gemeenschappelijke belang, dat wij allen behoren te kennen bij de rechte verkondiging van het Woord, wil ik een volgende keer D.V. nog één keer met u verder dóórdenken over m.n. het onderscheidenlijke element van de prediking. De Heere bewege ons tot die geestelijke bezinning, waar Hij Zelf het hoge belang van de kennis van Zijn Woord heeft aangegeven en daar zelfs de zaligheid aan verbonden heeft.

Mijn volk gaat verloren...

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1998

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Gaat de dominee voorbij? (11)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1998

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken