Bekijk het origineel

“Al wat daarin begrepen is”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

“Al wat daarin begrepen is”

10 minuten leestijd

Gereformeerde Schriftbeschouwing

We zouden de vraag onder ogen zien of dr. Loonstra met zijn opvattingen over de Schrift en haar geloofwaardigheid blijft binnen het kader van onze belijdenis. Bij ‘belijdenis’ denken we dan met name aan wat er beleden wordt in de artikelen 3 tot en met 7 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis. Die artikelen spreken namelijk uitdrukkelijk over de Bijbel als het Woord van God. De Heidelbergse Catechismus bevat geen afzonderlijk gedeelte waarin het over de Bijbel gaat, al is bij elk onderdeel de waarheid die God in Zijn Woord geopenbaard heeft wel de ongenoemde vooronderstelling. Datzelfde geldt ook van de Dordtse Leerregels. Maar de belijdenis, die op naam van Guido de Brès staat, kent dus wel een gedeelte dat afzonderlijk over het Schriftgezag en het Schriftgeloof handelt. Daarmee is de Nederlandse Geloofsbelijdenis overigens geen uitzondering. Er zijn nog andere confessies van gereformeerd karakter die ook afzonderlijk over de Schrift spreken. Ik denk zowel aan de Franse geloofsbelijdenis als ook aan de Schotse en zeker ook aan de Westminster Confessie. Deze laatste gaat zelfs heel uitvoerig op deze materie in. Dit alles laat weten, dat de kerken der Reformatie het van groot belang hebben geacht, dat we in onze kijk op en in onze belijdenis omtrent de Bijbel als Gods Woord helder zouden zijn. We kunnen dan ook met recht spreken van een gereformeerde Schriftbeschouwing. Aan die gereformeerde Schriftbeschouwing zijn natuurlijk allen gebonden, die tot een kerk behoren die de gereformeerde belijdenis onderschrijft. En wat in dit opzicht geldt van alle leden van zo’n kerk mag wel heel bijzonder gezegd worden van degenen die in zo’n kerk dienen. Zij hebben niet voor niets ook nog eens hun handtekening gezet. In het door hen ondertekende formulier staat onder andere ook:

“Wij verklaren oprecht en in goede consciëntie voor de Heere, dat wij van harte gevoelen en geloven, dat al de artikelen en stukken van de leer, in de Drie Formulieren van Enigheid begrepen” (dus ook wat de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt in de artikelen 3-7) “in alles met Gods Woord overeenkomen. Wij beloven, dat wij deze leer ijverig zullen leren en getrouw voorstaan, zonder daartegen, hetzij openlijk of bedekt, direct of indirect, iets te leren of te schrijven”. Deze verklaring en deze belofte zijn duidelijk genoeg!

De vraag waar we voor staan en die op de ambtsdragersconferentie van 23 mei uitdrukkelijk gesteld werd, maar waar geen antwoord op kwam is of dr. Loonstra zich aan die belofte gehouden heeft en of hij er inderdaad blijk van heeft gegeven, dat hij binnen het raam van deze gereformeerde Schriftbeschouwing denkt en schrijft. Laat ons eens zien.

Uitgangspunt

In zijn boek “De geloofwaardigheid van de bijbel” begint Loonstra met te zeggen, dat “de geloofwaardigheid van de bijbel gegeven is met de grondovertuiging dat wij in de Schriften van het Oude en Nieuwe Testament te maken hebben met het geschreven Woord van de levende en betrouwbare God” (p. 15). Dat is dus Loonstra’s grondovertuiging en dat neemt hij bij het schrijven van zijn boek als zijn uitgangspunt. Op de ambtsdragersconferentie heeft hij dit dan ook uitgesproken. Welnu, dit duidelijk geformuleerde uitgangspunt wekt verwachtingen.

Het is immers een duidelijk confessioneel standpunt. Het komt, zo geformuleerd, goed overeen met wat we in de belijdenis onder woorden gebracht vinden. In onze belijdenis lezen we immers, dat we al de boeken van de bijbel ontvangen “voor heilig en kanoniek, om ons geloof daarnaar te reguleren, daarop te gronden en daarmee te bestigen”. En waarom dat zo is, wordt vervolgens duidelijk gemaakt, als gezegd wordt dat deze boeken “van God zijn” (art. 5). Van belang is ook art. 7, dat begint met “Wij geloven dat deze Heilige Schrift de wil Gods volkomenlijk vervat en dat al hetgeen de mens schuldig is te geloven om zalig te worden, daarin genoegzaam geleerd wordt”. En even verder in dit artikel lezen we: “Want dewijl het verboden is aan het Woord van God iets toe te doen of er iets af te doen, zo blijkt daaruit wel, dat de leer daarvan zeer volmaakt en in alle manieren volkomen is”. Het uitgangspunt van Loonstra lijkt met deze uitspraken helemaal in overeenstemming te zijn. Houdt hij zich er ook aan?

Alles

Het valt op als we de belijdenis horen spreken over Gods Woord, dat er van geen aarzeling sprake is. Integendeel, we ontmoeten een paar maal het woordje ‘al’. “Al deze boeken”; “al hetgeen de mens schuldig is te geloven”; “in alle manieren volkomen”. Hoe kan de belijdenis zo spreken? Is dan inderdaad heel de Bijbel waar? Staan er geen dingen in die anders zijn gegaan dan beschreven staat?

U zult wel eens gehoord hebben, dat er soms onderscheid gemaakt wordt tussen de zaken, die te maken hebben met geloof en leven en zaken die met andere dingen in verband staan, bijvoorbeeld de geschiedenis of de natuurkunde, e.d. Welnu, als het gaat over de zaken van geloof en leven, dan moeten we erkennen dat de bijbel gezag heeft en dat we ons aan die dingen hebben te onderwerpen. Gaat het echter over andere dingen, dan mogen we gevoeglijk aannemen dat niet alles wat de Bijbel daarover zegt correct is. Met name worden er dan nog wel eens vraagtekens gezet bij de betrouwbaarheid van bepaalde historische gegevens, die in de Bijbel worden vermeld, maar die volgens andere bronnen op zijn minst aanvechtbaar zijn. Op deze manier wordt dan een onderscheid aangebracht tussen wat wel en wat niet met gezag tot ons komt en het staat aan de bijbellezer om uit te maken wat tot de ene en wat tot de andere categorie behoort. Onze confessie kent dat onderscheid echter niet. Denk nog maar weer aan het allesomvattende ‘al’, dat herhaaldelijk gebruikt wordt en waarmee alles wat de bijbel zegt wordt aangeduid. Hoe komt de confessie ertoe zo te spreken? Dat heeft zij van Gods Woord zelf geleerd.

Paulus heeft bijvoorbeeld helemaal niet getwijfeld aan allerlei historische gegevens, zoals die in het Oude Testament worden verteld. Hij gelooft zonder twijfel aan wat er over Abraham staat geschreven (Rom. 4) en over Elia (Rom. 11) en over het volk Israël (1 Cor. 10). Maar ook over Eva (2 Cor. 11; 1 Tim. 2). De schrijver van de brief aan de Hebreeën kent geen twijfel bij het geloven en weergeven van allerlei historische details, zoals hij die in het Oude Testament is tegen gekomen. Of het nu gaat over Melchizedek (Hebr. 7) of over de tabernakel (Hebr. 9) of over allerlei geloofsdaden van mensen (Hebr. 11) hij gelooft ‘al’ wat er staat, inclusief de doortocht door de Rode Zee en de val van Jericho. En bij de Heere Jezus zelf ontmoeten we hetzelfde. Hij gelooft in de exacte weergave van de geschiedenis van David, die de toonbroden at (Matt. 12) en in de historiciteit van wat het boek Jona vertelt over deze profeet en zijn prediking in Ninevé (Matt. 12). Wat de Bijbel vertelt over Elia en Elisa, over Mozes en over de vrouw van Lot - de Heiland heeft het allemaal geloofd, zonder enige twijfeling. Terwijl deze zaken toch niet allemaal direct met geloof en leven te maken hebben. Welnu, vanwege het feit, dat de Schrift zo spreekt, mag ook de confessie spreken zoals zij doet.

En behoort het dus bij de gereformeerde Schriftbeschouwing om de ganse Schrift te nemen als het betrouwbare en onfeilbare Woord van God, in alle delen volmaakt.

Nu opnieuw de vraag of Loonstra ook zo handelt en of dat uit wat hij naar voren heeft gebracht is af te lezen.

Hemelvaart en Pinksteren

“Archeologische vondsten op de plaatsen waar vroeger Jericho en Ai gelegen hebben, komen niet overeen met de berichten over deze plaatsen in Joz. 2, 6, 7 en 8”, zo lezen we op p. 44 van Loonstra’s boek. Uit het gedeelte waarin hij op deze zaak nader ingaat, wordt niet duidelijk waar het gelijk ligt, bij de archeologische vondsten of bij wat de Bijbel erover zegt. “In dit stadium laat ik echter in het midden of de moeilijkheid bij het verhaal ligt, dan wel bij de archeologische conclusies, of dat de moeilijkheid veroorzaakt wordt door de vooronderstellingen waarmee wij het verhaal lezen” (p. 45). Maar niet alleen laat Loonstra het ‘in dit stadium’ in het midden, hij maakt nergens duidelijk, dat hij ook gelooft dat datgene wat de Heere over Jericho en Ai zegt, ‘in alle manieren volkomen is’.

Ernstiger is wat geschreven wordt over de hemelvaart van de Heere Jezus en over de uitstorting van de Heilige Geest op Pinksteren. Nee, Loonstra zegt niet, dat hij niet gelooft dat de Heere Jezus letterlijk is opgenomen in de hemel. Wat hij wel zegt is dit: “Wat de hemelvaart van Jezus betreft, de heilswerkelijkheid die daarmee wordt aangegeven is, dat Hij na zijn opstanding de onzichtbare ruimte van God is binnengegaan en de heerschappij van zijn Vader ontvangen heeft. De voorstelling dat Hij werd opgenomen terwijl zij het zagen en dat een wolk Hem aan hun ogen onttrok (Hand. 1:9) is daarbij niet essentieel en dus ook niet onmisbaar. Deze voorstelling sluit aan bij het toenmalige wereldbeeld van de woonplaats van God boven de lucht en de wolken. Ik houd het erop dat het hier om een reële visualisering gaat van het afscheid van Jezus, waarin Hij Zich heeft aangepast aan de ervaringswereld van zijn discipelen” (p. 210). Maar mocht iemand van mening zijn, dat het in het hemelvaartsevangelie in Hand. 1 niet gaat om een letterlijk-historisch gebeuren, maar om een visualisering achteraf, dan wijst Loonstra die mening vooralsnog niet van de hand.

Iets dergelijks zegt hij ook over Pinksteren. Hand. 2 kan wat Loonstra betreft verstaan worden als een latere ver-beelding van de heilswerkelijkheid van het leven door de Geest en behoeft niet een weergave te zijn van een historische gebeurtenis die toen en daar heeft plaats gevonden exact zoals Hand. 2 beschrijft. “Aan de heilswerkelijkheid zelf wordt daarmee niet tekort gedaan”, aldus de schrijver (p. 211).

Niet essentieel, niet onmisbaar, niet tekort gedaan aan de heilswerkelijkheid. Dat zijn de typeringen die Loonstra gebruikt. Maar door deze voorstelling van zaken is hij naar mijn stellige overtuiging wel in strijd gekomen met de gereformeerde Schriftbeschouwing zoals die verwoord staat in onze confessie. Die beschouwing belijdt dat we “zonder enige twijfeling geloven al wat daarin begrepen is”. Zonder enige twijfeling! Zo geloven we ook wat Hand. 1 en Hand. 2 ons vertellen. Zoals het daar staat is het gegaan en niet anders. Lichamelijk, zichtbaar en plaatselijk is de Heere Jezus opgenomen in de hemel. Zijn discipelen zijn er getuigen van geweest. En nu alstublieft geen gefilosofeer over het wereldbeeld van toen en de ervaringswereld van de discipelen..... Het gaat wel degelijk om essentiële zaken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1998

Bewaar het pand | 12 Pagina's

“Al wat daarin begrepen is”

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1998

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken