Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De plaats van de heiliging in de prediking

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De plaats van de heiliging in de prediking

13 minuten leestijd

Vooraf

Laat ik, voor dat ik overga tot het eigenlijke van mijn onderwerp, het zwaard op ons aller hart mogen neerzetten. Het preken over de heiliging, de heiliging een goede plaats geven in de prediking, kan dat wel als de prediker zelf die heiliging niet ondergaat? Horatius Bonar schrijft in zijn boek ‘Gods weg van heiligheid’: “De rechtgeaarde prediker preekt het evangelie altijd, niet alleen als een kracht Gods tot zaligheid voor een ieder die gelooft, maar ook een kracht Gods tot heiligheid”. Maar laten we dan wel bedenken dat de ‘rechtgeaarde’ prediker diegene is die zichzelf diep bewust is ook voorwerp te zijn dat geheiligd dient te worden. Dat is ook bij dit onderwerp het geval en ook bij het lezen ervan. Hoe zullen we de plaats van de heiliging in de prediking bespreken zonder zelf die waarachtige zucht tot heiliging te kennen? Dan kunnen we heel veel weten over het antinomianisme en over het perfectionisme, we kunnen dan aangeven hoe we deze klippen moeten omzeilen als het gaat om de heiliging, we kunnen dan eventuele accentverschillen tussen Calvijn en Kohlbrugge aangeven, maar het blijft dan een verstandelijke aangelegenheid. De gemeente kan door een prediker die zelf geen deel heeft aan de heiliging wel verder geleid worden, maar we kunnen dan ook een sta-inde-weg zijn voor onze gemeente en voor haar heiliging. Er schuilt veel waars in de opmerking: ‘zo de prediker, zo het volk’.

Laten wij onszelf onderzoeken, te meer daar Ralph Erskine in een preek over Galaten 2:19 schrijft dat de heiliging een geheimenis is, dat door weinigen bij ondervinding wordt verstaan. We kunnen en mogen niet volstaan met het onderzoeken van onze gemeenten. Misschien moet u zich, net als ik, er weleens op betrappen dat op het punt van de heiliging, beter gezegd op het punt van de onheiligheid, die gemeente zoveel in beeld komt dat we zelf buiten beeld vallen. Laten we in deze tijd, waarin de onheiligheid hand over hand toeneemt, de hand ook in eigen boezem steken en als het gaat om de heiliging in de prediking onszelf als de predikers, niet vergeten. Want wellicht is dit toch, naast de studie over de heiliging, de beste manier om de heiliging een goede plaats te geven in de prediking.

“Zo waakt dan en bidt, opdat gij niet in verzoeking valt”.

Indeling

Ik wil mijn onderwerp in tweeën uiteen laten vallen. Wanneer de bijbelse leer over de heiliging naar voren wordt gebracht, komen twee zaken naar voren. Zowel prof. dr. W.H. Velema in zijn boek ‘Geroepen tot heilig leven’ als wijlen prof. dr. J.P. Versteeg in zijn Apeldoornse Studie met de titel ‘de Geest en de gelovige’ onderscheiden deze twee facetten als het gaat om de heiliging. Ik hoef u niet te vertellen dat het dan gaat om de facetten van de heiliging als gave en de heiliging als opgave, anders gezegd: de heiliging als geschenk en de heiliging als bevel, of nog anders gezegd met theologische woorden: de indicativus en de imperativus. Of om het nog één keer weer anders te zeggen: de inputatieve heiliging en de effectieve heiliging.

Wanneer het gaat om de plaats van de heiliging in de prediking zal ook wel een andere indeling mogelijk zijn. De titel van het onderwerp geeft immers aan dat het nu moet gaan om de plaats in de prediking. Dat is een andere insteek dan de bijbelse leer van de heiliging. Toch kies ik voor de tweedeling die in de bijbelse leer van de heiliging wordt aangebracht. Niet omdat ik nu een onderwerp over de leer van de heiliging wil gaan houden, maar omdat de leer van de heiliging en de plaats van de heiliging in de prediking nauw aan elkaar verwant zijn. We zouden het mijns inziens zo kunnen formuleren dat de plaats van de heiliging in de prediking terug gaat, gegrond dient te zijn op de bijbelse leer van de heiliging. De plaats van de heiliging in de prediking dient voort te komen uit en bepaald te worden door de leer van de heiliging. Ik heb mijn twee punten zo geformuleerd: I. De plaats waar de gaven naar voren komen. 2. De plaats waar de opgaven naar voren komen.

1. De plaats waar de gaven naar voren komen

Indeling

Bij het doorlezen van het één en ander krijg ik de indruk dat er bij de gaven rond de heiliging sprake is van twee onderscheiden, maar volstrekt niet te scheiden elementen. Ik zou daarom mijn eerste punt over de gaven ook weer willen onderverdelen in tweeën. Wanneer wij in de prediking de heiliging als gave, als geschenk naar voren brengen, dan kunnen we daar twee verschillende facetten mee bedoelen, namelijk: a. De toegerekende heiligheid en b. De krachtbron voor de effectieve heiliging.

A. De toegerekende heiligheid

Inhoud

Allereerst gaan we het hebben over de toegerekende heiligheid. Er is mij veel aan gelegen om dat over de heiliging duidelijk te zeggen in de prediking. Want op dit punt is er rijke troost uit te delen aan de zuchters onder ons gehoor, zuchters over eigen onheiligheid. De toegerekende heiligheid is een zaak die de kramp kan weghalen uit hun leven. Ik bedoel geenszins het jagen naar de volkomenheid weg te nemen, waar Paulus het over heeft in Filippenzen 3:12. Dat zal straks wel blijken in het tweede punt van het onderwerp. Maar er is wel verschil tussen jagen en jagen. Het jagen naar de heiligheid dient er te zijn in het leven van een gelovige, maar het mag door die gelovige gebeuren met het zicht op de toegerekende heiligheid. Wanneer wij in de prediking de schatten van Christus openleggen voor onze gemeenten en voor onszelf, laten we dan ook de heiligheid van Christus eens duidelijk tonen. Dat zal het geweest zijn waardoor Kohlbrugge nu nog bekend is. Dit moet niet iets eigens van Kohlbrugge zijn, maar van ons allen. Goed, misschien had één en ander ook wel meer in evenwicht met de geëffectueerde heiliging naar voren kunnen komen in sommige preken van Kohlbrugge. Maar rond de toegerekende heiligheid kunnen we onze winst doen met zijn opvattingen. Want wanneer het gaat om de plaats van de heiliging in de prediking dan mag de heiliging dezelfde plaats ontvangen als de rechtvaardiging. Ik bedoel dan, dat zoals de rechtvaardigheid van Christus in de weg van het ware geloof aan een onrechtvaardige wordt toegerekend, evenzo ook de heiligheid van Christus aan diezelfde zondaar langs dezelfde weg van het hetzelfde geloof wordt toegerekend. Het mag ons opvallen, dat in Zondag 23, vraag en antwoord 60, de gerechtigheid en de heiligheid van Christus naast elkaar worden genoemd als het gaat om wat geschonken en wat toegerekend wordt uit de schatkamers van het heil dat verworven is aan het kruis. Wat krijgt ze de heiligheid een vertroostende plaats in de prediking. Christus geeft de Zijnen langs de weg van het geloof, dat is de nauwe band aan Hem van iemand die weet niets te hebben in zichzelf en alles in Christus, Zijn heiligheid. Hij kent geen smet der zonde. Hij kent geen bedorvenheid. Hij kan het zingen en dan tegelijk in volmaaktheid denken: “Ik draag Uw heil’ge wet, die Gij de sterv’ling zet, in het binnenst’ ingewand”. Gaat het bij de rechtvaardiging om de schuld der zonde en wordt die schuld vereffend door de toegerekende gerechtigheid van Christus, bij de heiliging gaat het om de smet der zonde en die wordt bedekt voor Gods heilig oog met het kleed van Christus’ heiligheid. Want door de toegerekende gerechtigheid van Christus geldt het voor de Zijnen dat ze voor God zijn “evenals had ik nooit zonde gehad noch gedaan”, maar vanwege de toegerekende heiligheid van Christus mag ik zeggen met antwoord 60 uit de Heidelbergse Catechismus: “ja, als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft”. Is dat geen balsem in die zo pijnlijke wond van diegene die God heeft leren liefkrijgen en die tot zijn of haar droefheid zoveel onheiligheid moet waarnemen in eigen leven? Zijn er onder uw hoorders niet die door Ridderus aangeduid zouden worden als degenen die maar blijven staarogen naar de heiligheid van de wet, maar niets zien van de vriendelijkheid van het evangelie? Geef de heiliging dan ook volop, samen met de rechtvaardiging, deze plaats in uw prediking. Zoals Kohlbrugge in een preek over Romeinen 8:28 - en dan citeer ik Kohlbrugge vanuit het boek van Donkersloot met als titel ‘De goddeloze gerechtvaardigd’ -: “Bij ‘heilige’ denkt men altijd aan zedelijke volmaaktheid - denkt gij echter daarbij aan de liefde Gods. Want degenen, die Hij heilig heet, heet Hij daarom zo, wijl Hij Zich hunner niet geschaamd heeft, maar hen aangenomen heeft en hun de verzekering Zijns vredes doet toekomen. Omdat dus Zijn Woord tot hen is gekomen, daarom zijn zij heilig, en nu, houdt het daarvoor, gij, wie het om heiligheid gaat, dat gij heilig zijt omdat het Woord tot u is gekomen. Want het Woord overdekt hen met Zijn heerlijkheid. Diegenen nu, die het Woord met Zijn heerlijkheid overdekt, zijn dus daarom in Gods ogen heilig, omdat zij zichzelf in genen dele kunnen helpen, maar zeer zwakke vaten zijn’... ‘Heiligen’ zijn dus de zodanigen, die volkomen gezondheid van node hebben en uit de grond des harten daarnaar verlangen”. Of zoals Kohlbrugge het verwoord heeft in zijn ‘vragen en antwoorden tot opheldering en bevestiging van de Heidelbergse Catechismus’ bij zijn vragen en antwoorden bij vraag 91 van de Heidelberger: “Wat hebben wij over het algemeen omtrent het houden van de geboden Gods vast te stellen? Dat wij daartoe geheel onbekwaam zijn; dat zulks echter niet aan de geboden, maar aan ons ligt. De wet is heilig, zij moet niet alleen naar de letter, maar naar de Geest gehouden worden; wij daarentegen zijn vleselijk, verkocht onder de zonde. Dit moet bij ons vast staan, dat wij volstrekt in overeenstemming met de wet moeten zijn, en juist daarom hebben wij ons aan Christus, hebben wij aan Zijn genade vast te houden, en zo zullen wij door Zijn Geest, naar Zijn belofte, wandelen aan Zijn hand en naar Zijn raad, in een door Hem vervulde wet, zo dat wij daarbij zondaars blijven en alleen Zijn heiligmaking roemen”. Kohlbrugge kan bij het aantrekken van de nieuwe mens (Ef. 4:22) verwijzen naar het aantrekken van Christus, zoals dat in Romeinen 13:14 naar voren komt. Die plaats mogen ook wij aan de heiliging geven in de prediking. Want de Schrift doet het zelf ook. Mag ik u wijzen op Romeinen 6:11: “Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar God levende zijt in Christus Jezus, onze Heere”. In de praktijk van het dagelijkse leven, lijkt het er niet op dat de gelovige ‘der zonde dood’ is. Wat heeft de onheiligheid vaak een grote plaats. Maar tegen hen die hun zaligheid in Jezus Christus hebben leren zoeken en verdriet kennen over eigen onheiligheid, klinken die machtige woorden: ‘houdt het daarvoor’. Ik zei: ‘machtige woorden’, het zijn - zo zijn ze volstrekt niet bedoeld - ‘oppervlakkige woorden’. Bedoeld is niet een rekensommetje, maar een werkelijkheid die gelden mag in dat toevluchtnemende van het geloof. Wie tot Hem komt als een onheilige, krijgt van Christus Zijn heiligheid en diegene mag het ervoor houden dat er geen onheiligheid meer in hem of haar gevonden wordt door God. De Beknopte Gereformeerde Dogmatiek wijst ons er in de behandeling van de heiliging op dat de woorden ‘houdt het daarvoor’ ook voorkomen in Romeinen 3:28. Daar hebben wij in onze vertaling “wij besluiten dan” staan, maar daar staat het zelfde woord: “wij houden het ervoor dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet”. Dat is niet zomaar een conclusie aan het eind van een betoog, maar een geloofswerkelijkheid. De gelovige mag het ervoor houden gerechtvaardigd te zijn in de weg van het geloof. Zo mag die gelovige het er ook voor houden geheiligd te zijn langs diezelfde weg. We komen in de Bijbel wel de uitspraak ‘gerechtvaardigd door het geloof’ tegen, maar niet ‘geheiligd door het geloof’. Maar hoewel niet zo uitgedrukt, vinden we de zaak zelf wel in de Bijbel. Ik zou ook nog kunnen wijzen op een tekst als 1 Korinthe 1:30: “Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing”. Hier treffen wij ook weer de rechtvaardigheid en de heiligheid naast elkaar aan.

Ik ben me bewust dat Ds. J. van Sliedrecht in zijn verklaring van de Catechismus bij Zondag 23 zegt dat de heiligheid van Christus anders wordt toegerekend dan de rechtvaardigheid en dat als je dat niet zo steltje een neo Kohlbruggiaan en Barthiaan bent. Als hij daarmee bedoelt dat de heiligheid ook uitgewerkt wordt in de gelovige en geëffectueerd wordt in een dadelijke heiliging, ben ik het met hem eens. En ook de Beknopte Gereformeerde Dogmatiek laat deze geluiden horen. Maar dat neemt niet weg dat de heiligheid van Christus óók een toegerekende kant kent. En die mogen we in de prediking voluit laten gelden. Zoals het voluit klinkt in 1 Korinthe 6:11: “En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in den Naam van den Heere Jezus, en door den Geest onzes Gods”. Ook wat deze toerekening betreft moet volop blijven gelden wat Calvijn heeft bedoeld met een ‘duplex gratia’. Er is een tweevoudige genade, rechtvaardiging en heiliging. Laten we, om het te zeggen met de bekende woorden van Calvijn, Christus niet door midden scheuren. Waar Hij de rechtvaardiging geeft, daar geeft Hij ook de heiliging. Ze horen onlosmakelijk bij elkaar. In de Institutie van Calvijn lezen we in boek III, hoofdstuk 16, paragraaf 1 wanneer over het aangrijpen van Christus gerechtigheid gesproken is: “maar gij kunt deze niet aangrijpen, of gij grijpt tevens de heiligmaking aan”.

En even verder in diezelfde paragraaf: “Wilt gij dus rechtvaardigheid in Christus verkrijgen, zoo moet gij vooraf Christus bezitten. En gij kunt Hem niet bezitten, of gij wordt tevens zijne heiligmaking deelachtig, dewijl Hij niet in stukken kan gedeeld worden. Dewijl dan de Heere ons deze weldaden te genieten geeft, alleen door Zichzelf aan ons mede te deelen, zoo schenkt Hij beiden tegelijk, en nimmer de eene zonder de andere”. En dat als genadegeschenken voor mensen die alles verzondigd hebben, maar met heel hun bedorven bestaan die ene Naam zoeken door Welke zij moeten zalig worden. Laat ik dit facet van de toerekening van Christus’ heiligheid afsluiten met een citaat van Bonar uit zijn boek ‘Gods weg van heiligheid’: “aan de ene kant is de heiliging een daad, een zaak, die eenmaal wordt verricht, zoals ook bij de rechtvaardiging. Op het ogenblik dat het bloed ons aanraakt, dat is zodra wij Gods getuigenis over het bloed geloven, zijn wij ‘rein’ (Joh. 15:3), ‘geheiligd’, door God afgezonderd”. Wat een troost voor het hart dat beleeft dat God niet met een restauratie tevreden is, maar nieuwbouw wil en eist. Het hart dat het niet op kan brengen, hunkert naar troost. Laten we daarom de heiliging als toerekening voluit laten gelden in onze prediking.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1998

Bewaar het pand | 12 Pagina's

De plaats van de heiliging in de prediking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1998

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken