Bekijk het origineel

Ontmoetingsdag Openingswoord Ds. M. Vlietstra

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Ontmoetingsdag Openingswoord Ds. M. Vlietstra

6 minuten leestijd

Zingen; Psalm 90:1,2 Gebed

Lezen: Psalm 90

Geliefde aanwezigen,

We hebben samen gezongen uit Psalm 90, en we hebben die psalm ook gelezen. De psalm, die ons zo heel nadrukkelijk bepaalt bij de broosheid, bij de vergankelijkheid van het leven. En u zult misschien wel hebben begrepen dat de keus voor deze psalm niet los staat van het zo plotselinge overlijden van ons commissielid van “Bewaar het Pand”, br. J. Boer op woensdag 9 september jl. in de leeftijd van 62 jaar. Zijn heengaan betekent allereerst een smartelijk verlies voor zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen, die een gelief de man, vader en grootvader moeten missen, en die wij in het bijzonder Gods ondersteunende en troostende genade toebidden. Een groot verlies ook voor de gemeente van Barendrecht, die hij vanaf 1974 als diaken mocht dienen.

Hij was quaestor van de Generale Synode van onze kerken, vanwege zijn grote deskundigheid op financieel gebied. En hij vervulde meer functies die ik nu niet ga opnoemen. Maar sinds 1996 was deze bekwame, maar ook zeer bescheiden broeder ook lid van het bestuur van de stichting “Bewaar het Pand” waarvoor hij zich als penningmeester met de liefde van zijn hart inzette. Ook wij missen hem en zullen hem missen. Vorig jaar ontvielen ons onze onvergetelijke broeders Ds. Slagboom en Ds. v.d. Ent. En nu dan broeder Boer, die voor ons zo geheel onverwacht door de Heere werd weggenomen.

Geliefden, het roept ons alles toe dat wij hier geen blijvende stad hebben; dat wij op weg zijn naar ons eeuwig huis.

Mozes is in psalm 90 diep onder de indruk van de vergankelijkheid van dit aardse leven. En geen wonder! Hij heeft het in zijn lange leven moeten meemaken dat een heel geslacht om hem heen wegstierf in de woestijn.

Eerst roept hij in herinnering de weldaden, die de Heere vanouds aan Israel heeft bewezen. Hij is altijd weer voor Zijn volk een Woning geweest, een Schuilplaats. En dan wijst Hij op de eeuwigheid van God. Eer de bergen geboren waren, ja eer er iets was, was God er. En alles dankt aan Hem het bestaan. Maar wie is nu tegenover die eeuwige God de kleine nietige mens? “Gij doet de mens wederkeren tot verbrijzeling, en zegt: keer weder, gij mensenkinderen!” Mozes herinnert hiermee duidelijk aan het woord dat God eens tot de gevallen mens sprak: “Stof zijt ge, en ge zult tot stof wederkeren”. De vergankelijkheid van de mens is het gevolg van de zonde.

In de volgende verzen komt dat nog duidelijker uit als hij zegt: want wij vergaan door Uw toom, en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt. Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns! De bezoldiging, het loon dat de zonde uitbetaalt is de dood. Als er geen zonde was, dan was er ook geen dood, dan waren er geen tranen, dan was er geen kerkhof en geen graf. En ons vergankelijke leven is nog zo kort ook. Zeventig jaar, of zo wij zeer sterk zijn tachtig jaar. Maar of het nu dertig, zeventig of tachtig jaar is: elk leven is kort als wij erachter staan, als een gedachte! En het uitnemendste ervan is moeite en verdriet. Het uitnemendste, het beste van ons leven, wat onze trots was, is moeite en verdriet. Het verwerven en het bewaren van het levensgenot en de levensgoederen kost moeite en inspanning, en het bezitten en het genieten ervan geeft geen volle bevrediging. En dit leven, vol moeite en verdriet, is nog zo kort ook. Het wordt snellijk afgesneden en wij vliegen daarheen. En nog eens: het vindt alles zijn oorzaak in de toorn van God over de zonde. Wie kent de sterkte Uws toorns en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt? En zie dan gaat Mozes bidden, smeken: Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen. Heere, leer het ons toch inzien dat ons leven maar zo kort is, dat het bij dagen telt, dat wij altijd op de grens leven van tijd en eeuwigheid. Heere, bewaar ons er toch voor dat wij over de ernst van het leven zouden heenhuppelen, dat wij de dood almaar van ons af zouden zetten. Want wij zijn er zo aan toe: een handbreed!

O God. dat wij toch een wijs hart van U mogen bekomen, een hart, door U begiftigd met die wijsheid, waarvan de vreze des Heeren het beginsel is. Heere, ontdek onze ogen, opdat wij zien mogen, dat wij vanwege onze zonden onder het rechtmatig oordeel des doods liggen. Onder het oordeel van de lichamelijke, van de geestelijke en van de eeuwige dood!

Geliefden, dat de ernst van het leven, dat de vergankelijkheid, de broosheid van het leven, waarmee wij voortdurend worden geconfronteerd, ons tot deze bede mocht uitdrijven. Tot dat gebed om een wijs hart, om een hart dat de Heere vreest. Want nu hebben wij te doen met een God, Die geen lust heeft in onze dood, maar in onze bekering en in ons leven. Met een God, Die op de bede om een wijs hart het antwoord gereed heeft in de Zoon van Zijn welbehagen, in de Zoon van Zijn eeuwige liefde, in de algenoegzame Zaligmaker, de Heere Jezus Christus. Aan Hem is het loon der zonde uitbetaald, de dood in al zijn verschrikking. Maar in die weg heeft Hij de dood uitgestorven en overwonnen en het leven, het eeuwige leven verworven voor zondaren, gevallen Adamskinde ren, die de dood verdiend hebben en die zich bij het ontdekkend licht van de Heilige Geest die dood ook leren waardig keuren. Wonderheerlijk evangelie in een wereld vol stervenden. Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. O, Hoor dan de stem van de Heere Jezus Zelf: Die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven. Die in Mij gelooft zal niet sterven in eeuwigheid.

Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen!

Zo bidt Mozes en hij wil dat wij het bidden. Bidden om een wijs hart, dat de Heere door Zijn Geest alleen geven kan, maar dan ook geven wil. Mozes heeft het ontvangen. Nietwaar: die bidt, die ontvangt! Daarom mocht Mozes die goede keus doen, “verkiezende liever met het volk van God kwalijk behandeld te worden dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben; achtende de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom te zijn dan de schatten van Egypte, want Hij zag op de vergelding des loons.

Ook Mozes is gestorven. Maar hij mocht leven voor rekening van Christus, Die ook voor hem de rekening heeft betaald. En hij stierf aan Gods hart. Zijn sterven betekende voor hem eeuwige winst.

Zalig zijn de doden, die in de Heere sterven van nu aan. Ja! zegt de Geest, opdat zij rusten van hun arbeid; en hun werken volgen met hen.

We zingen samen Psalm 89:7,8

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1998

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Ontmoetingsdag Openingswoord Ds. M. Vlietstra

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1998

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken