Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ten spijt van satan: Gods werk zal gelukken! (8)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ten spijt van satan: Gods werk zal gelukken! (8)

6 minuten leestijd

Satan zit niet stil. Wanneer hij dit doet, heeft hij daarmee een bedoeling. Op een bepaald moment zal hij zijn slag slaan. Hij is immers de grote vijand van de Heere. En daar hij het werk van de Heere niet kan vernietigen, stelt hij alles in het werk het te bestrijden en de werkers des Heeren te ontmoedigen, zodat zij aflaten om verder te gaan.

Het bouwbesluit van de volksvergadering werd bekend. De leiders van de oppositie werden actief. De wapens in het arsenaal van de satan werden gehaald, namelijk spot en leugenpropaganda. Deze wapens worden ook nu nog gebruikt. Ze raken niet aftands. De woordvoerders zijn bekend. Bij het tweetal, genoemd in vers 10, heeft zich een derde gevoegd: Gesem, de Arabier, waarschijnlijk van Edomietische afkomst. Wanneer we letten op hun nationaliteit, dan behoorde men tot een broedervolk van Israel: Moab, Ammon en Edom. De gezindheid die bij deze volken in het begin was, was na zoveel jaren niet voorbij. De oude vijandschap kwam weer goed naar boven. Zo is het nog. In het wereldgebeuren wordt het gezien en we kunnen het meemaken dichtbij huis. Hoe het zelfs in de eindtijd zal zijn, wordt door de Heere gezegd. Hij heeft het over vijandschap, haat, vervolging en zelfs zullen gezinsleden elkaar overleveren. Men zal tegen elkaar opstaan, en dat om Hem, Zijn Woord en Zijn dienst. Ook in Nehemia’s tijd werden bespotting en verdachtmaking ingezet. Het eerste wapen is zeer gevaarlijk. De satan hanteert het graag, bijzondere wanneer men bezig is met de kerk, het koninkrijk van de Heere. Zodra de drie vijanden bij Nehemia en de werkers waren, begonnen zij te spotten. “Wat gaan jullie nu doen? Er komt niets van terecht. Laat niet om jullie lachen!” Men probeerde hen ook verdacht en zelfs bang te maken. “Jullie zijn geen werkers, maar rebellisten. Jullie komen in opstand tegen de koning”. Bezweek men? Trad er verlamming op? De Heere regeert en Hij liet zien en horen, Wie Hij is. Nehemia wankelde niet. In de kracht van de Heere nam hij het woord. En welk woord deed hij horen? Het staat er zo met nadruk: ‘Toen gaf ik tot antwoord en zeide tot hen: God van de hemel zal het ons doen gelukken”. Opvallend is dat Nehemia niet terugschold. Hij wees ook niet op de permissie, ontvangen van de koning om te herbouwen. Hij wees naar boven, op de almachtige God, de God van de hemel. De hoge God, Die in de hemel woont en troont en de aarde heeft tot een voetbank voor Zijn voeten. En die Heere zal het ons doen gelukken. We zijn niet bezig met een particuliere zaak, maar met de zaak van de Heere. Daar staat Hij voor in. Die vaste overtuiging had Nehemia. Vandaar dat het geen grootsprekerij was toen hij beleed: Hij zal het ons doen gelukken. Krachtig was hij tegenover de vijanden en ootmoedig voor de Heere. Zo was het leven van Nehemia. We lezen ervan in hoofdstuk I. De daad van de Heere in zijn hart en ’s Heeren leiding in zijn leven hebben hem verkwikt en gesterkt. Het gaf hem de zekerheid dat het met het werk niet zou misgaan. Het kon ook niet, want de Heere is de Uitdenker, de Opdrachtgever en de Volvoerder.

Wat kan dat ook vandaag moed geven om verder te gaan. Het dienstwerk gaat niet stuk, of loopt ten einde. Zo voor het oog kan het soms lijken, want de macht van de satan is groot en de zuigkracht van de wereld sterk. Echter, de Heere staat voor Zijn werk in. Het komt goed, Nehemia weet het. De muren herrijzen. De stad zal weer stad Gods zijn; de tempel woon- en werkplaats van de Heere. Wanneer we denken aan Paulus’ schrijven aan de Korinthiërs, wijst hij ook op ’s Heeren werk, dat voltooid zal worden. Hij zegt: Gods akkerwerk, Gods gebouw zijt gij”. Door hem werd Gods Kerk vergeleken met een groenende akker, met een uit de grond oprijzend bouwwerk. Er moest nog veel gebeuren en het zou nog een tijd duren voor het tot oogsten kwam, of voor het hele gebouw kon opgeleverd worden. Maar het begin was er. De Kerk is een reeds beplante en wel besproeide akker, vol beloften van een rijke oogst. Zij is een reeds begonnen bouwwerk en het is een lust te zien, hoe dit gebouw bezig is boven de grond te komen. De voltooiing zal komen. Daar was Nehemia ook van overtuigd, al zag hij nu alleen maar ruïnes en puinhopen.

De Heere geeft zelfs, al wordt er voor het oog niets van gezien het geloofslied: Ik weet, hoe ’t vast gebouw van Uw gunstbewijzen, naar Uw gemaakt bestek, in eeuwig zal rijzen; zo min de hemel ooit uit zijn stand zal wijken, zo min zal Uw trouw ooit wank’len of bezwijken. En de geloofstaal: Wij, Zijn knechten zullen ons opmaken en bouwen. Het geloof door de liefde werkend, dreef hen tot arbeiden. Het zich inzetten voor de Heere, Zijn stad. Zijn tempel. Zijn eer en verheerlijking. Die ijver, die bezieling voor ’s Heeren Naam en zaak, voor Zijn Christus moge onder ons zijn. De vraag mag niet ontbreken, wat is mijn drijfveer om ambtelijk bezig te zijn? Waar jaag ik naar op de zondag of in de week? Ik geloof dat het dringend nodig is, dat ambtsdragers zich daarop bezinnen en staan naar de ijver van de Heere Jezus, waar Paulus veel van kende, zodat hij ook met zekerheid kon zeggen: Gods medearbeiders zijn wij. Met dit woord beweerde hij niet, dat God de Heere niet zonder de mens kan tot volbrenging van Zijn werk. Van een samenwerkingsverband is geen sprake, maar Hij schakelt mensen in. De Heere gebruikt arbeiders. Onbekwaam, maar bevoegd en bekwaam gemaakt door Hem. Deze wetenschap bezat Nehemia. De Heere zal straks uitspreken: Het is geschied. Het doel is bereikt. En Zijn knechten zullen zich verblijden. En hoe zal het gaan met de vijanden? In Godsvrucht laat Nehemia horen: Maar gijlieden hebt geen deel, noch gerechtigheid, noch gedachtenis in Jeruzalem. Tegenwerkers zullen in de heilige stad geen duimbreed grond bezitten. Hun woning zal ontbreken. Onder de burgers worden ze niet geteld. Ze worden buitengesloten. Hier is de profetie van de toekomst. Van het Jeruzalem Gods staat beschreven: En in haar zal niet inkomen iets dat ontreinigt en gruwelijkheid doet en leugen spreekt. In de stad zullen alleen zijn, allen die weet hebben van genade en het heil van Sion zoeken. Die bidden:

Uw koninkrijk koom’ toch, o HEERE; Ai, werp de troon des satans neer; Regeer ons door Uw Geest en Woord; Uw lof word’ eens alom gehoord,

En d’aarde met Uw vrees vervuld, Totdat G’Uw rijk volmaken zult.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1999

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Ten spijt van satan: Gods werk zal gelukken! (8)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1999

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken