Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Hoe werd er gepreekt in de oude Christelijke Gereformeerde Kerk (1869-1892)? (4)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Hoe werd er gepreekt in de oude Christelijke Gereformeerde Kerk (1869-1892)? (4)

8 minuten leestijd

We kennen ze allemaal: bundels met preken over de Heidelbergse Catechismus. Door de eeuwen heen zijn er heel veel verschenen. Bijna zolang er in de kerk der Reformatie uit de Catechismus wordt gepreekt. Bekende namen in dit verband: Johannes van der Kemp, Bernardus Smytegelt en Theo-dorus van der Groe. Welnu, ook in de Christelijke Gereformeerde Kerk van na 1869 was er behoefte ontstaan aan een dergelijke bundel met Catechismuspreken. Het zou een boek worden met predikaties van diverse predikanten uit de hele ‘breedte’ van de kerk. Docent A. Brummelkamp voerde de redactie en schreef een inleidend woord. Het boek verscheen in twee banden in 1881 bij Jan Haan in Delfzijl: “De Heidelbergsche Catechis mus in drie en vijftig leerredenen door verschillende Christelijke Gereformeerde Predikanten”.

De “Leerrede over Zondag Twee” werd geleverd door ds. J. Graansma, predikant te Enschedé. In 1881, het jaar dus dat deze bundel verscheen, overleed hij al - nog maar 31 jaar oud. Zijn eerste gemeente was De Lier, waar hij drie jaar stond. Zeven jaren slechts heeft hij de kerken gediend. Maar deze preek (waarschijnlijk de enige die van hem overgeleverd is) doet hem kennen als een ernstige en eerlijke prediker die de waarheid van Gods Woord - ook al is die waarheid helemaal niet vleiend voor de mens -op de harten binden wil. En die aandringt op een hartelijke erkenning van wat nodig is tot zaligheid.

Opvallend is dat deze Catechismus-preek een ‘tekst’ heeft. Dat geldt trouwens van elke preek in deze bundel. Dat had de redactie kennelijk als eis gesteld aan de meewerkende predikanten. Het is een gebruik dat nog wel plaatsvindt: ook de Catechismuspreek heeft een Schriftplaats als ‘tekst’. Het dient om te benadrukken dat ook de Catechismusprediking Woordbedien-ing is. Bij deze preek is de tekst Romeinen 3:20 “Door de Wet is de kennis der zonde”. Zondag 2 immers behandelt de vraag naar de kennis van de ellende - “Uit de Wet Gods”. Die Wet die de mens niet houden kan. Want “ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten”. Dominee Graansma behandelt deze stof aan de hand van drie gedachten: “1) de eisch der liefde door God gesteld; 2) de neiging tot haat den mensch van nature eigen; 3) de zelfkennis welke uit de overweging van deze beide voortvloeit”.

“De kennis der ellende - zoo iets, dan voorzeker is zij een aanstoot en ergernis voor den trots van het zondige menschenhart, Mijne Hoorders! Niet weinigen nemen dan ook maar liefst geene kennis van haar, en gelijken alzoo zoo menigen kranke, die niettegenstaande den verraderlijken blos op den wangen en de gedurig onrustiger ademhaling, zich inbeeldt, dat hij, nu ja, niet volkomen gezond, maar toch in elk geval niet doodelijk krank is. En inderdaad er behoort een hoogen moed toe om met juistheid kennis te nemen van een zoo ongelukkigen staat als de ellende des menschen.” Ds. Graansma wijst er dus op dat het niet zo aantrekkelijk is om over de ellende van de mens te horen. Doorgaans willen we dit onderwerp maar het liefst vermijden. Op zichzelf is de kennis der ellende zelfs in staat om de mens tot vertwijfeling en wanhoop te brengen. Maar, zo zegt hij dan, let er wel op dat de Catechismus dit thema niet behandelt als een op zichzelf staande waarheid. Het is een inleiding op de leer der verlossing. Wel een noodzakelijke inleiding!

Wat behelst de ellende van de mens? Dat hij in ballingschap is. “Tengevolge der zonde hield de gemeenschap met God op de kring te zijn, waarin de mensch leefde en zich verlustigde, en buiten dien zaligen kring gesloten, werd hij zwervende en dolende ...” De grens van die zalige kring is de Wet van de heilige God. Daar is hij buiten geraakt. Hij heeft het liefdegebod overtreden. De strekking van de Wet des Heeren is geen mindere dan Gods eer en de zaligheid der schepselen. Ook de liefde tot de naaste bedoelt de zaligheid. De mens is echter een hater van God en van Zijn naaste geworden. Dat is zijn vervreemding van Zijn Schepper.

Sprekend over de geneigdheid van het mensenhart legt ds. Graansma er de nadruk op dat het bij de mens van binnen fout is. De zonde is niet alleen een storing aan de buitenkant. “Nu spreekt onze Belijdenis niet van eene daad, waarbij men wellicht verzachtende omstandigheden zou kunnen pleiten, door te spreken van storende invloeden buiten af; maar in onzen catechismus is sprake van wat in het binnenste des menschen schuilt, en dientengevolge maar al te dikwerf naar buiten openbaar wordt. Geneigd heet het daarbij, niet somtijds of toevallig, maar ‘van nature’ d.w.z. krachtens onzen aard.” Dat de Schrift ook zo over de mens spreekt, wijst hij aan door middel van diverse voorbeelden. Spraken zo ook de profeten niet? Voor wie nu nog niet overtuigd is, wijst hij op diverse voorbeelden uit de geschiedenis. Ook daarin blijkt wie de mens is. Dat hij een hater van God en de naaste is. De gruwelijkheden van de 20e eeuw waren aan deze prediker natuurlijk nog niet bekend, maar desondanks kon hij wijzen op verschrikkelijke dingen. “Laat de Heere naar Zijn rechtvaardig oordeel ook maar één ogenblik aan de zondige neiging van het menschenhart den vrijen teugel, dan doen ons behalve zoovele verwoestende oorlogen en de vloek der slavernij, een Spaansche furie en een Fransch schrikbewind, socialisme en nihilisme zien tot wat gruwzame uiting deze neiging komen kan...”

In het laatste punt van zijn preek komt ds. Graansma met ‘de kennis der ellende’ heel dicht bij zijn hoorders. Dat laatste punt heeft dan ook het karakter van een toepassing. Hij typeert die zelfkennis op drie manieren: ze is onmisbaar, ze is beschamend en ze is heilzaam. Onmisbaar is de kennis van mijn ellende. Heb ik mijzelf voor Gods aangezicht niet leren kennen als een hater van God en van de naaste, dan zal ik de verlossing in Christus niet nodig krijgen. Die belijdenis, “niet als een nagesproken klank of een overgenomen woord, maar een ernstig gemeende schuldbekentenis”, gewerkt door Gods genade. Ik citeer nog enkele woorden: “Zonder die genade toch komt de mensch tot zoo diep vernederende schuldbekentenis niet. Daarom u zelven onderzocht bij het licht des H. Geestes en onder inroeping van de genade van God, welke alleen u de oogen kan openen en de hoogten in u terneder kan werpen! En vraagt gij soms, waartoe zoo ontzettende en vernederende zelfkennis noodig is, dan is het antwoord dat zonder haar eene geloovige aanvaarding van de verlossing, die er is in Christus Jezus, onmogelijk is. Zonder hellevaart der waarachtige zelfkennis geene hemelvaart van zalige Godskennis. Door de diepte der ellende tot de hoogte der verlossing - zie hier de weg des heils.”

Ds. Graansma wijst dus de lijn ‘ellende, verlossing en dankbaarheid’ aan als de weg waarlangs de Heere de Zijnen leidt. Voor de weldaden van Christus in het leven van de Zijnen gaat de Heere plaatsmaken langs ontdekking en overtuiging van zonde. Dat is overigens ook de lijn die de Catechismus aanwijst: geen kennis van de verlossing in Christus zonder kennis van mijn diepe ellende. Zacharias Ursinus, één van de opstellers van de Heidelberger, geeft in zijn Schatboek ook deze uitleg bij zondag 2. Theologisch gezegd: de drieslag van de Catechismus is van heilsordelijke aard. Ds. Graansma wijst geen andere weg. Er is vergeving voor geen anderen dan schuldigen, verlossing voor geen anderen dan ellendigen, verzoening voor geen anderen dan zondaren. Voor wie zondaar voor God is geworden. Maar zo ook kan hij de zelfkennis waarover het in deze zon-dagsafdeling gaat ‘heilzaam’ noemen. Nee, niet die kennis zelf, maar de vrucht ervan.

Ik besluit met nog een stukje uit het laatste gedeelte van deze preek. “Daarop het oog vestigend, kan het niet anders of de zelfkennis uit de prediking onzer ellende voortgevloeid, zal heilzaam wezen. (...) Zeker ook de sterkst geloovige, ook de verst gevorderde op den weg des eeuwigen levens zal het tot zijn laatsten ademtocht te belijden hebben: van nature ben ik geneigd God en mijn naaste te haten, en alleen eene oppervlakkigheid welke beneden zich zelve zinkt, kan zich inbeelden volmaakt te zijn en met de kennis der ellende voor immer afgerekend te hebben. De christen echter die in zelfkennis toeneemt, zal telkens stof hebben voorde klacht: “Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen!” Maar, waar gedurig deze klacht uit uw hart over uwe lippen komt, o Geliefden!, vergeet daar niet in eenen adem er op te doen volgen: “Ik danke God door Jezus Christus, onzen Heere!”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 2000

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Hoe werd er gepreekt in de oude Christelijke Gereformeerde Kerk (1869-1892)? (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 2000

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken