Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

De Geest der aanneming tot kinderen

7 minuten leestijd

Maar gij hebt ontvangen de Geest der aanneming tot kinderen

Onuitsprekelijk groot is de heerlijkheid van de nieuwe bedeling. Romeinen 8 spreekt daarvan. De Heilige Geest is de “Geest der aanneming tot kinderen”. Ook onder het Oude Verbond werkte de Geest, namelijk als de “Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze”. Hij werkte zowel in de belofte als in de wet, en daarom ook door de wet, tot openbaring van de heiligheid Gods en van de onmogelijkheid om door de wet gerechtvaardigd te worden. Onder de donders en bliksemen van Sinaï en heel de wettische bediening ontdekte Hij en deed uitzien naar de verlossing, in de schaduwen van offers en priesterdienst geopenbaard. De Heilige Geest is ook de “Geest der aanneming tot kinderen”, of naar de betekenis van het Griekse woord “tot zonen”, tot meerderjarige kinderen, die niet meer als slaven (volgens de gewoonte der Grieken) behandeld worden, maar delen in de vrijheid, welke in Christus is. Zij zijn vrij van de verdoemende kracht der wet, in Hem (vs. 1). De Heilige Geest brengt Gods kinderen tot die troost en dit voorrecht. En dit doet Hij in de weg des geloofs; Hij leert dit “aannemen”. Doch niet zoals het oppervlakkige naam-christendom meent, dat spreekt van “je moet geloven en Jezus aannemen”. Wat heeft dit naam-christendom toch veel bedorven en de troost van het aannemen des geloofs verdonkerd, waardoor dit “aannemen” zulk een gans andere klank verkregen heeft en waarvoor vele oprechte bekommerden zo bang zijn, en terecht. Toch wordt de troost van het bezit van het kindschap nooit anders gesmaakt dan door dit “aannemen des geloofs”. Aan dit “aannemen” gaat echter wat vooraf! Het is de openbaring en wegschenking van Christus in het hart, dat door Gods Geest na vroegere vertroostingen en onderwijs ontdekt, ontledigd, ontgrond wordt, gans verloren in zich zelf raakt, van alle gerechtigheid ontbloot. Wanneer nu de Geest der aanneming de Heere Jezus en Zijn heil uit het Evangelie openbaart en wegschenkt in het hart, geeft Hij daar geloof bij, dat wil zeggen, geeft Hij een hand om aan te nemen, doet geloof beoefenen. Dan wordt beleefd, dat er geen gemakkelijker zaak is om zalig te worden, zo onmogelijk het tevoren was om te geloven!

Wij beleven thans ook in dit opzicht donkere tijden, waarin weinig het doorbrekende werk des Geestes beluisterd wordt. Daarvoor zijn ernstige oorzaken. Zou dit ook niet één van de oorzaken zijn, dat deze “welvaartstijd” zulk een schadelijke invloed uitoefent op het geestelijk leven van Gods kinderen? Zegt de psalmdichter niet in Psalm 92:

Een zieI aan ’t stof gekluisterd
Beseft Uw daden niet.

Ook het vastzitten in wettische dienstbaarheid doet in het donker gaan. Het ongeloof beneemt alle vrijmoedigheid tot het kinderlijk ootmoedig vertrouwen. Ook wat Dr. Comrie opmerkt in zijn “Eigenschappen des geloofs”, blz. 422: Het is wel goed, inwendig beseffen van zijn ellende te hebben, maar .... als er onvrijmoedigheid en beklemdheid des harten door ontstaat, was het beter, dat men zijn aandacht daarvan zocht af te wenden, en naar Jezus en naar het aanbod van Zijn genade zocht te zien. Want al te veel op zijn ellende steeds te zien, zal het hart maar hoe langer hoe onvrijmoediger maken. Dat zij, die hunkeren naar zekerheid en vastheid, toch meer staan naar de zuivere kennis van de grond der zaligheid, die toch alleen ligt in het algenoegzame en volbrachte werk van Christus’ Middelaarsverdienste en “door de wet der wet te leren sterven”. Dit is zulk een kostelijk heilgeheim, want zo wordt Christus noodzakelijk, gepast, dierbaar, algenoegzaam!

Daarom mocht Gods Geest nog eens opwaken en de hof van Zijn kerk doorwaaien om aan de oorzaken, zoéven genoemd, te ontdekken en die tot schuld te doen worden. Door de “Geest der aanneming” wordt de rijkdom van het “zoonschap” der kinderen Gods gekend en de innige beoefening van het “Abba, Vader”. Het is nu maar de allerbelangrijkste vraag of wij persoonlijk die Geest hebben ontvangen en in Zijn werk mogen delen, door die Geest geleid worden. Want die zijn kinderen Gods schrijft de apostel in Romeinen 8:14. Hoe kan men weten die Geest te bezitten? Wel, Gods Geest ontdekt. “En Die gekomen zijnde zal de wereld overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel”. Joh. 16:8. Zijt ge aan uw doodstaat ontdekt? Kent u de droefheid naar God, want die werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid! Zij wordt geboren uit de ontdekking des Geestes als een smart over de zonde, God door zijn zonde beledigd en vertoornd te hebben. O, dat doet gebukt gaan over de aarde. Die Geest doet ook hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. “Is er enig middel, waardoor wij deze straf zouden kunnen ontgaan en wederom tot genade komen?” Dat wordt de vraag van een mens, die zich als een gans strafwaardig zondaar leert kennen; zulk een wordt het te doen om met God weer verzoend te worden en om Hem te kennen.

Gods Geest is de Geest der “uitbranding”, Die op de verdere weg komt te ontgronden en alle steunsels weg komt te nemen, waaraan de ziel nog zo vast kan blijven houden. Die ontgronding is noodzakelijk om plaats te maken voor de volkomen gerechtigheid van Christus, als de algenoegzame en hechte grond der zaligheid.

De Heilige Geest is de Geest der kennis, Die doet kennen en verstaan, wat eens een meisje mocht getuigen, toen zij uitgenodigd was om mede aan te zitten aan de vorstelijke maaltijd van Elisabeth Christine, gemalin van Frederik II, koning van Pruisen. Toen zij gewezen werd op de tafel vol kostbaarheden, prachtige schalen en zilveren bekers, vouwde zij haar handjes en begon luide te bidden:

Jezus, Uw gerechtigheid
zij het kleed voor mij bereid,
daarmee kan ’k voor God bestaan
en eens naar de hemel gaan.

Die door Gods Geest geleid worden, wandelen door de Geest, bedenken was des Geestes is. Waarop zijn de uitgangen van uw hart gericht? Die naar het vlees zijn, bedenken dat des vieses is. Rom. 8:5. Die naar het vlees, leeft, zal sterven, vers 13. Wandelen door de Geest houdt in kruisigen van het vlees, het bewandelen van die wegen welke de Heere behagen. “Waarheen de Geest was om te gaan, gingen zij”. Ezech. 1:20. Dit wandelen naar de Geest gaat niet zonder strijd. “Want het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees”. Gal. 5:17. Paulus moet klagen in Rom. 7:19: “Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, doe ik”. En verder: “Maar ik zie een andere wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds en mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in mijn leden is. Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?” Maar wat nu? Rust Paulus hierin? Neen, dat kan hij niet. Daarom mag hij als in één adem erbij getuigen: “Ik dank God door Jezus Christus, onze Heere. Zo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de Wet Gods, maar met het vlees de wet der zonde”. Hoe onmisbaar is het bezitten van de Heilige Geest. Éénmaal is Hij uitgestort op de Pinksterdag te Jeruzalem, dit feit kan niet herhaald worden, gelijk velen menen en daarom weer terug willen grijpen naar de bijzondere Geestesgaven, welke toen nodig waren tot vestiging van de kerk, zoals tongenspraak, in vreemde talen spreken enz. De uitstorting van de Heilige Geest is een “eenmalig” feit zoals het Kerstfeit en het Paasfeit.

Maar wel zijn thans nodig de krachtige werkingen van de Geest tot levendmaking, tot bekering, tot rechtvaardiging, tot heiligmaking. Tot getuigen in een wereld, die in het boze ligt, ja, overal, waar de Heere Zijn volk en knechten roept, ook daar, waar ’s lands belangen worden gediend!

Dat de bede van de psalmdichter ook de onze zij of worde:

Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwe Geest,
Mocht Die mij op mijn paân ten Leidsman strekken.
’k Hield dan Uw wet, dan leefd’ ik onbevreesd.
Dan zou geen schaamt’ mijn aangezicht bedekken,
Wanneer ik steeds opmerktzaam waar geweest,
Hoe Uw geboôn mij tot Uw liefde wekken.

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 2000

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 2000

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken