Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Samenvatting van de toespraak op de ontmoetingsdag te Werkendam

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Samenvatting van de toespraak op de ontmoetingsdag te Werkendam

8 minuten leestijd

Psalm 119 staat in het teken van de heerlijkheid van Gods Woord. De dichter heeft een bijzondere liefde tot het Woord van God. In bijna elk vers brengt hij dat tot uitdrukking. Hij kan er niet over ophouden... “Hoe lief heb ik Uw Wet. Ze is mijn betrachting de ganse dag. Heere, ik heb mijn hart geneigd om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe.”

Maar nu het door genade zo is in het leven van deze psalmist - nu geldt er nog iets anders. Als er oprechte liefde tot de dienst des Heeren gekomen is, dan is er in beginsel ook afstand gekomen tot de zonde. In het leven der bekering ga ik de zonde haten en vlieden. Dan maakt de Heere mij aller zonde vijand. Dan is er verdriet in mijn hart wanneer ik bemerk dat die goede Wet van de Heere zo overtreden en geschonden wordt. Ja, allereerst in mijn eigen leven. Daar weet deze dichter van. Maar ook als hij om zich heen ziet. “Uw Wet heb ik lief’, zegt hij, maar “ik haat de kwade ranken”. Daar heeft hij een afkeer van. Van alles wat tegen de Heere en Zijn Woord ingaat. Daar heeft hij een diep verdriet over. “Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat ze Uw wet niet onderhouden!” Diepe smart vervult zijn hart, als hij dat ziet. En als hij zijn hart voor de Heere uitstort, breekt het ook in tranen uit naar buiten.

De noodzaak van Gods werk

“Ze hebben Uw wet verbroken!” - dat is het wat de dichter bezighoudt. Daar lijdt hij aan. De Wet van de Heere - het hoog gebod, het recht van Jakobs God... - verbroken! Dat is zijn klacht. En de oorzaak van zijn verontwaardiging. “Ze hebben Uw Wet verbroken!” Dat is een heel sterke uitdrukking. Het wijst op zoiets als ‘het in stukken breken, van elkaar scheuren’. Dat wat verbroken wordt, dat wordt vernietigd. Dat is voor gebruik ongeschikt geworden. Welnu - daar was men op uit. Om die Wet van de Heere krachteloos te maken, om die te ontzenuwen. Zodat Gods Wet als onbruikbaar en van generlei waarde meer terzijde wordt geschoven. Dat is de verbreking van Gods Wet. Zoals in de Schrift ook meermalen sprake is van de verbreking van Gods verbond. Hoor iemand als Ezechiël klagen: “Het huis van Israel en het huis van Juda hebben Mijn verbond verbroken”. Zo is ook Gods Wet verbroken.

Ja, bedenk: dat is de Wet van de Heere! Die Wet die rechtvaardig is en heilig en goed. Die Wet, gegeven tot een omtuining voor het leven. Om het volk te bewaren bij het leven met de Heere. Waaraan de Heere ook Zijn beloften van voorspoed en zegen gegeven had. “In het houden van Uw geboden is grote loon!” In plaats daarvan: weg die Wet van God! En daarmee: weg de God van die Wet!

Het verbreken van Gods Wet - het vindt ook in onze eigen samenleving plaats. De opheffing van het bordeelverbod, de invoering van het zogenaamde homo-huwelijk, de verruiming van de abortuspraktijk, de aanneming van de euthanasiewet... En recent - de brutale en goddeloze uitspraken van minister Borst... “Ze hebben Uw Wet verbroken...”

En dan: wie zijn wij zelf? Zijn wij een stad op een berg? Een zoutend zout, die de samenleving doortrekt? Laten we ons niet te snel beroemen op wat wij nog hebben en wat wij nog zijn. Jawel, gelukkig is er nog wel enig onderscheid. Maar bedenk, dat de stormvloed van de secularisatie ons niet ongemoeid voorbijgaat. We staan er midden in. Midden in de breuk. Midden ook in de schuld: “Ze hebben Uw wet verbroken...”

Het gebed om Gods werk

In zijn gebed belijdt de dichter de Heere zijn eigen onmacht. “Het is tijd voor de Heere (!), dat Hij werke...” Hij moet het doen. Dat belijdt deze dichter. “Heere, het breekt mij bij de handen af. Ik loop er op stuk. Ik ben ten einde raad. Ik weet niet wat ik er aan moet doen.”

Deze dichter, hij weet het: De Heere Zelf zal moeten opstaan en er Zijn goddelijke hand aan moeten leggen. Het is Zijn zaak. Hij zal Zelf moeten werken. Alle menselijke hulp baat hier niet. Ik moet het aan Hem overgeven. En van Hem hulp verwachten.

Maar niet alleen belijdt de dichter zijn eigen onmacht, hij weet ook dat hij een zondig en van de Heere afwijkend mens is. Zo kent hij zich. Zo heeft hij zich leren kennen. Door Gods genade belijdt hij het vrijmoedig - enerzijds: “Ik kleef vast aan uw getuigenissen...”, maar anderzijds moet hij het ook zeggen: “Hoe kleeft mijn ziel aan het stof’. En hoe eindigt deze Psalm? “Ik heb gedwaald als een verloren schaap. Dat onbedacht de Herder heeft verloren”.

Hoe vallen Gods kinderen, als ze eerlijk zijn, zich zelf steeds weer tegen. Hun gebed moet steeds zijn: “Heere, houd mij toch vast. Anders verdwaal ik. Anders ga ik te gronde. Ook na alles wat er geweest is in mijn leven. En ondanks alles wat er ligt. Heere, het moet van u komen.” Vandaar is er steeds weer reden tot het gebed: “Leer mij Uw inzettingen (want ik ben zo dwaas!). Maak mij verstandig (want ik heb een dwaalziek hart). Wees mij genadig, Heere (want ik ben een zondig mens). Maak mijn voetstappen vast in Uw woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.”

De openbaring van Gods werk

De dichter roept de Heere aan bij Zijn Naam. “Het is tijd voor de Heere, dat Hij werke...” In de erkenning van eigen onmacht en zonde, wordt Hij op die grote Naam van de Heere geworpen. Dat is niet zonder reden. Want het is de Naam waarin de Heere Zich neerbuigt. In ontferming. Over zulken die dat in het geheel niet verdienen. Het is de Naam van Gods ontferming. Heere is Zijn Naam! De Naam waarin Hij Zijn trouw openbaart. Terwijl de wraak des Heeren ons treffen moet.

In die Naam van de Heere klinkt nog een andere Naam door. De Naam van Hem in Wie de Heere genadig wil zijn. De Naam van de Heere Jezus Christus, de enig-geboren Zoon des Vaders. “En zo wat gij begeren zult in Mijn Naam, Ik zal het doen”. Zullen we dan niet in Zijn Naam de Heere aanroepen?! De Heere aanlopen als een waterstroom?! Wat is er dan nodig? Dringend nodig? Gebed! Aanhoudend gebed! De jonge Schotse prediker Andrew Gray bond de noodzaak van de volharding in het gebed zijn gemeente voortdurend op de harten: “Als u nog geen verhoring ontvangen hebt, betoonde u geen volharding. En als u nog weinig verhoring ontving, dan was er te weinig volharding.” Het ware gebed verheerlijkt God en het vernedert de bidder. Het schroomt niet eigen onmacht en eigen schuld aan de Heere te tonen. Het waagt het ook te pleiten op Zijn almacht en genade. Met de belijdenis van eigen onwaardigheid en nietigheid. Het is ook een vrijmoedig gebed. Wetend dat het om Gods Naam en om Zijn zaak gaat. En dat die zaak geen uitstel duldt. “Ik zal uitzien naar de Heere. Ik zal wachten op de God mijns heils. Mijn God zal mij horen! Het is tijd dat de Heere werke!”

Ik eindig met enkele woorden van Theodorus van der Groe, de boetepre-diker van Kralingen. Uitgesproken in hetzelfde verband:

“Als het tijd is voor de Heere om te werken, dan zal het voor ons tijd zijn om te geloven. Tijd om de Heere te laten werken, om onszelf en alles geheel aan Hem over te geven en alleen op Hem te vertrouwen.

Als het tijd is voor de Heere om te werken, dan zal het voor ons tijd zijn om te bidden, om ernstig, ootmoedig, gelovig, vurig en aanhoudend te bidden. En dagelijks voor ons en de onzen, voor land en kerk in de bres te staan. Opdat Hij ons toch niet zal verderven. Maar ons genadig moge helpen en verlossen.

Als het tijd is voor de Heere om te werken, dan zal het voor ons tijd zijn om geduldig en gelovig op Hem te wachten. Wij moeten de Heere in Zijn werk geen paal en perk stellen, maar ons in stille ootmoed voor Hem vernederen, opdat Hij slechts Zijn welbehagen uitvoere.

Als het voor de Heere tijd is om te werken, dan zal het ook voor ons tijd zijn om te werken in Gods weg. En door Zijn genade en bijstand de handen aan het werk te slaan, achter de Heere aan.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 2001

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Samenvatting van de toespraak op de ontmoetingsdag te Werkendam

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 2001

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken