Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Eén uit een stad, twee uit een geslacht

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Eén uit een stad, twee uit een geslacht

7 minuten leestijd

Bekeert u, gij afkerige kinderen! Spreekt de HEERE, want Ik heb u getrouwd, en Ik zal u aannemen, één uit een stad, en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion

Er zijn van die bijbelteksten, die in het spraakgebruik een eigen leven zijn gaan leiden, zonder dat men vaak nog weet waar ze in Gods Woord te vinden zijn of wat de betekenis precies is.

Zo’n tekst hebben we hier voor ons. Je komt nog wel eens mensen tegen, die deze woorden in een gesprek over de geestelijke zaken te beide brengen. Als er gewezen wordt op het welmenend aanbod van Gods genade, zeggen ze: “Ja maar, er staat toch: één uit een stad en twee uit een geslacht.” Met andere woorden, het aantal uitverkorenen is zo klein, dat je weinig kans maakt om erbij te horen.

Als we met die redenering in ons achterhoofd op zoek gaan naar de betekenis van onze tekst, is het belangrijk om te vragen naar de context van deze profetie. Wie Jeremia 3 leest, merkt dat we ons hier bevinden in de tijd na de scheuring van de twaalf stammen. Er wordt gesproken over Juda en Israël als over twee zusters, die beide gezondigd hebben. Israël, reeds weggevoerd in ballingschap, heet ‘de afgekeerde’ en Juda, dat vooralsnog gespaard is, draagt de naam van ‘trouweloze’.

Juda, de achtergebleven zuster, ziet de ernst van haar eigen zonden echter helemaal niet in. Men kijkt in Juda neer op het zwaar bezochte Israël. Maar ondertussen zijn de Judeërs net zo onbekeerlijk als de Israëlieten. En wat de onbekeerlijkheid van Juda zo erg maakt: het is zondigen tegen de roepstemmen van Gods oordelen in!

Wat gebeurt er dan in dit hoofdstuk? Voor de oren van het schijnvrome Juda gaat de HEERE tot het weggevoerde Israël spreken. En het is tot beschaming en tot ontdekking, dat door Jeremia’s mond Israël toch nog een woord van troost en opwekking mag horen. Ondanks alles blijkt er bij God nog ontferming te zijn voor dat weggedwaalde volk, dat het verzondigd heeft. In de weg van de waarachtige bekering wil God een nieuw begin maken. Dat is de context van onze tekst. En wat zegt Jeremia dan in onze tekst? Daar klinkt een ontroerende liefdesverklaring van God tegenover dat afkerige Israël, de HEERE maakt duidelijk, dal Hij koste wat kost Israël terug wil hebben. En in dat verband lijkt dan die wonderlijke uitdrukking: “en Ik zal u aannemen, één uit een stad, en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion.” Het is duidelijk, als je let op de toon van heel het hoofdstuk, dat dat niet kan betekenen: God wil Zijn liefde maar aan enkelingen betonen. Integendeel, er blijkt precies het omgekeerde te staan!

Want stelt u zich dan de situatie voor. Israël is zo goed als uitgeroeid: maar weinigen hebben de inval van de Assyriërs overleefd en ze zijn als een schamel overblijfsel meegevoerd naar het oosten. En tot dat overblijfsel zegt de profeet dan namens God: Bekeert u toch! Ik zal u aannemen... al was het er dan maar één uit een stad, maar één inwoner van zo’n stad uit Israël, een man of vrouw, jongen of meisje, die nu zucht in een vreemd land... al was het er maar één, die in die nood zijn zonde gaat inleven en belijden... maar die ene is bij Mij welkom. En al waren het er maar twee uit een hele familie, zo’n familie waar toch al weinig van over is, en die nu verstrooid is in het land van de ballingschap... al waren het er dan maar een paar, maar Ik zie ze niet over het hoofd. In de weg van de waarachtige bekering zál Ik ze aannemen, spreekt de HEERE!

Onze tekst is geen woord dat mensen uitsluit, omdat de HEERE karig is, en zegt: zoveel mensen zijn welkom en als er drie uit een stad tot bekering komen, dan hebben er twee met eerbied gesproken pech gehad! Nee, onze tekst geeft aan, hoezeer de HEERE op de bekering van de ballingen uit is en dat Hij ook ontferming kent, als het er maar weinigen zouden zijn. Matthew Henry tekent daarom bij onze tekst aan: “Van de weinigen, die terugkeren tot God zal Hij er niet één over het hoofd zien, maar ze zullen allen tot de berg Sion gebracht worden.

Zo bezien zijn er minstens drie lessen uit deze tekst te trekken.

De eerste les is een algemene regel voor het lezen van de Bijbel: lees de Schrift in haar verband. Ga niet op de klank af maar lees nauwkeurig wat de HEERE te zeggen heeft. In de tweede plaats wil onze tekst ons met name leren, dat God geen karig God is, maar dat Hij ruim is in Zijn aanbod en genade, dat meer nog dan Jeremia kon verkondigen, een grond heeft gevonden in het werk van Christus. En onze tekst stelt ons daarbij voluit schuldig en verantwoordelijk. We horen onze naam: afkerige kinderen. En we horen de oproep: bekeert u! Maar wat een aansporing ligt er in deze woorden, als we mogen horen dat zelfs één of twee zondaren die op hun plaats komen voor God door Hem niet worden vergeten. Dat laatste levert trouwens nog een derde les op: de HEERE rekent anders dan wij. En let dan op die telwoorden: één en twee. Dat zijn getallen die ons weinig zeggen. Wij vergapen ons aan het massale. Wij komen pas onder de indruk als er opzienbarende dingen gebeuren of beleefd worden. Jeremia stemt op oudtestamenti-sche wijze in met het nieuwtestamentische woord: daar is vreugde voor het aangezicht van de engelen als er één zondaar is, die zich bekeert! God ziet geen ellendige, die last kreeg van zijn zonden, over het hoofd. Hij besteedt zorg aan verslagenen van hart, ook aan enkelingen, die temidden van een onbekeerlijk volk tot Hem gaan roepen. In de volheid des tijds zond Hij Christus, de goede Herder, Die van Zichzelf zegt dat Hij er op uitgaat als Hij van de honderd schapen er een in de kooi mist! Dat mag moed geven aan schuldverslagen harten. De HEERE zoekt het behoud, ook van een of twee afkerige kinderen. En daartoe roept Hij ze tot bekering, want dat is de weg waarin afkerige kinderen Gods kinderen worden. En als het er dan maar een of twee zijn, dan is dat nooit de HEERE aan te rekenen, maar alleen de mens. Neem die lessen ter harte. U, die een balling bent buiten het verloren paradijs; bekeert u van uw dwaalwegen en zoek de HEERE terwijl Hij te vinden is! Dan mag u delen in de belofte, die God aan Israël deed. Dan brengt Hij u Zelf in Sion. Op weg daarheen is Zijn volk wel als een ‘klein kuddeke’, maar als ze eenmaal thuiskomen, zal het een schare zijn die niemand tellen kan. En een schare, die het afgeleerd heeft om klein van Gods genade te denken of om Hem te beschuldigen. Integendeel, ze leren door genade om de HEERE te loven voor Zijn milde goedheid. Hier in beginsel, straks volmaakt.

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 2001

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Eén uit een stad, twee uit een geslacht

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 2001

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken