Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Plicht

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Plicht

7 minuten leestijd

Wat kan er beleden worden en een poosje later nagelaten. Zo was het te Jeruzalem. Toen het verbond met de Heere op plechtige wijze werd vernieuwd. nam men onder meer voor de tempeldienst te verzorgen. Naast herstelling van de dienst, was goede verzorging geboden. Gesteld werd de vrijwillige bijdrage. Een derde sikkel per jaar voor Gods huis, voor de toonbroden, de dagelijkse spijze en dank offers in de tempel. Voor de feesten, de wijgaven en de zondoffers. Kortom om al de kosten te bestrijden, die aan de tempeldienst waren verbonden. De eerstelingen van de vruchtbomen en het vee, ook de lossing van de eerstgeboren zoon zouden voor de priesters zijn en de tienden van de akkers voor de levieten. Men beloofde dat alle verplichtingen nagekomen zouden worden. Alle bedragen voor de tempeldienst, voor de priesters en de levieten. Maar wat constateerde Nehemia? Men was nalatig geweest. Het nodige, het gebodene voor de tempeldienst werd niet gegeven. De levieten en de zangers begonnen gebrek te lijden. Het ‘zonder zorg’ leven was uitgesloten. Door de grove nalatigheid namen zij de wijk en men ging naar het platteland om in eigen levensonderhoud te voorzien. Dit had vanzelf gevolgen voor de tempeldienst. Door dit gebeuren was Nehemia verbolgen. Men had beloofd het huis van de Heere niet in de steek te laten. Nu stelde hij verwijtend de vraag: waarom is het huis Gods veriaten? Deze indringende vraag werd gesteld aan de oversten van het volk. Zij waren verantwoordelijk voor het onderhoud van de levieten en de zangers. Nehemia nam krasse maatregelen. Hij liet de levieten weer terugkomen in Jeruzalem en herstelde hen in hun dienst. Het volk werd aangespoord de tienden weer te geven. Tevens werden er betrouwbare mannen aangesteld, verantwoordelijk voor de verzorging van de levieten. Ook van deze daad kunnen we zeggen, dat die gedaan werd uit liefde tot het huis, de dienst van de Heere en de plicht tot onderhouding van Zijn dienaren. Wanneer we denken aan vandaag, dan wordt de financiele verantwoordelijkheid door de kerken verstaan. Van noodlijdendheid is geen sprake. De levensstandaard mag behoorlijk zijn. Naar vermogen heeft de kerk financiele regels gesteld waarnaar gehandeld dient te worden. Op elke synode worden voor drie jaar bedragen vastgesteld. Financieel deskundigen zijn daarbij betrokken. Alles vindt op verantwoorde wijze plaats. In de beroepsbrief staat het honorarium met de emolumenten. De belofte wordt gedaan, omdat de beroepen predikant zonder zorg van het Evangelie kan leven en omdat de arbeider zijn loon waard is. Dit gegeven is volledig naar het Woord van de Heere. Het is wil, eis van de Heere. Vandaar dat ook Paulus schrijft aan de gemeente van Korinthe: alzo heeft de Heere geordineerd dengenen, die het Evangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie leven, I Kor. 9: 14. Hoe goed is het, wanneer blijkt dat de lust en de liefde er is om aan de gestelde eis van de Heere'te voldoen. Daar rust zegen op. Maar nu moet een predikant zich ook goed bewust zijn, wat het betekent dat de gemeente garant staat voor zijn traktement. De gemeente geeft elke keer voor de instandhouding van de eredienst, de dienst des Heeren. Bijzondere gaven, offer vallen daar ook onder. En dan staat niet de onderhouding van het gebouw, maar de onderhouding van de predikant en zijn gezin voorop. Men leeft dus door de gemeente en dat geschiedt om te leven voor de gemeente. Deze wisselwerking mag niet vergeten worden. Door de gemeente, voorde gemeente. Dus nimmer geldt: voor wat, hoort wat. Neen, liefdegaven moeten door liefde gedreven beantwoord worden. De predikant moet herder en leraar zijn. Zo moet ook zijn inzet zijn. Zijn willen heeft hij ook uitgesproken. Niet alleen in het uur van bevestiging, maar vanaf het eerste uur. toen gedacht werd aan het predikant zijn. Men meldde zich bij de kerkenraad. Men liet zich onderzoeken voor toelating tot de studie door het curatorium. Men deed examen om kandidaat te worden en beroepbaar gesteld te worden. Men nam een beroep aan. Men onderwierp zich aan het classicaal examen voor bevestiging en intrede. Het ‘ja ik, van ganser harte’ klonk door het kerkgebouw. Men verbond zich aan de gemeente. Als het goed mag zijn, staat de Goddelijke leiding voorop, maar het doen van de persoon is niet uitgesloten. Dit persoonlijke mag nimmer vergeten worden. Steeds moet aan het feit gedacht worden, dat men niet in loondienst staat, maar in het ambt van dienaar des Woords. Men bekleedt een Goddelijk ambt. Door de Heere gegeven. Dus staat men uiteindelijk in Zijn dienst, in Zijn kerk, zodat in het oog gehouden moet worden de Bijbelse lijn: Heere, laat mij daarbij leven en daaruit en daardoor mijn werk doen. Het bewaart voor klaagzangen. Ik heb het zo...Er worden wat klachten gehoord over traktement en bijzonder over werkdruk. Het is niet overdreven, maar een hele pagina zou daarmee gevuld kunnen worden. Wat een gekreun in kerkbladen! Alsof het ambtelijk leven op zich reden geeft om te klagen. Indien nodig moet er gesprek zijn met de kerkenraad en zeker moet er regelmatig zelfbezinning zijn. Het overzien van het gemeentelijke werkveld. Het kan zijn dat de orde van werken veranderd moet worden of nevenfuncties afgestoten. Wie zich niet af en toe zet tot evaluatie van het werk en alles maar laat zoals het is zal onherroepelijk de rekening gepresenteerd krijgen en dan kan het te laat zijn. Eigen gemeente gaat in alles voor. Hoe groter de gemeente is hoe meer die gemeente vraagt en mag eisen. Althans wat gegeven is. En dit staat in elke beroepsbrief. Tot de gevraagde diensten behoort heel wat, maar in het licht van de Schrift niet teveel. Goed is het wanneer er plichtsbesef leeft. En dan wederzijds. Bij gemeente en predikant. Het gebed, meelevendheid en offervaardigheid bij de gemeente en het met hart en ziel werken bij de predikant. Levend vanuit de overtuiging: de Heere heeft mij hier geroepen en uit genade zal Zijn getrouwheid in alles blijken. De gerichtheid op het dienstwerk wil de Heere geven en dat steeds weer. Hij geeft ook blijdschap. Bij de gemeente blijmoedigheid in het geven en bij de predikant liefde tot de dienst. Het wordt en zo voor het hele leven: Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten. Van de dienst van de Heere krijgt men geen spijt.

Heeft men geen spijt. En als het over klachten gaat: een predikant schreef eens: spreek je uit voor de Heere op de studeerkamer of aan de voet van de preekstoel. Op de preekstoel de nood en de behoefte van de gemeente. Wetend, gelovend, dat de Heere is de Vervuiler van de tijdelijke en geestelijke nooddruft. Gods knechten ondervinden het. En daarom niet klagen, maar vragen om kracht en dat de plicht een lust mag zijn. Ik mag werken in de gemeente. Gegeven door Hem! En Hij Die roept is getrouw, die het ook doen zal. I Thess. 5: 24. Matthew Henry voegt aan zijn verklaring het volgende: Onze getrouwheid aan de Heere is het uitvloeisel van Zijn getrouwheid aan ons.

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 2001

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Plicht

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 2001

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken