Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

ENKELE PURITEINEN OVER DE TRAPPEN VAN HET GEESTELIJKE LEVEN (DEEL 2)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

ENKELE PURITEINEN OVER DE TRAPPEN VAN HET GEESTELIJKE LEVEN (DEEL 2)

15 minuten leestijd

“...Hij zal ze groter maken...”

Vorige keer hebben we aan de hand van I Joh. 2 gehoord wat de puriteinen Venning en Manton aan onderwijs gegeven hebben over verschillende categorieën gelovigen. De kinderen, jongelingen en vaders kwamen achtereenvolgens voor het voetlicht. Aan het eind van het vorige artikel hoorden we dat er ook gelovigen zijn, die achterblijven bij de mate van geloof, die de genoemde kinderen mogen kennen. Venning spreekt dan van ‘baby’s in het Koninkrijk der hemelen.’ Over hen gaat dit tweede en laatste deel van de weergave van mijn lezing over de trappen van het geestelijke leven.

4. Geestelijke baby’s

Deze mensen zijn duidelijk onderscheiden van de kleine kinderen waarvan Johannes spreekt. Dat komt juist aan het licht als we nog even terugdenken aan die kenmerkende eigenschap van de kinderen uit vs. 13. Kinderen kennen, al is het in beginsel, de Vader. Baby’s daarentegen, en dat is in het natuurlijke en het geestelijke leven precies eender, kennen hun Vader niet. Hoewel er genade in hun harten leeft, kan het zijn dat het licht en de troost ervan gemist wordt. In het begin van het geestelijke leven zijn de gelovigen vaak baby’s, maar het kan zijn dat ze het heel hun leven blijven, al verkeren ze onder de beste prediking.

Denk aan de Korinthiërs: ze hadden drie van de beste predikers op aarde gehoord: Paulus, Kefas en Apollos. Toch waren ze slechts baby’s in de genade (I Kor. 3). Dit is geen uitzondering, zegt Venning. “Ik geloof dat het Koninkrijk van God in hemel en op aarde meer met deze dan met enig ander soort gelovigen vervuld is.”

Wat zijn het voor mensen? Enerzijds zijn ze overgezet van de dood in het leven. Er is daarom vreugde over hen in de hemel geweest. “Ze hebben genoeg om hen uit de hel te houden en om hen veilig in de hemel aan te doen komen.”Maar wat het welwezen van het geloof betreft... en denk dan aan alles wat er over de kinderen, de jongelingen en de vaders is gezegd... een verzekering van de liefde des Vaders, geloofskracht om verzoekingen te doorstaan, wijsheid vanuit een brede geloofservaring enzovoort... daarvan weten ze niets. Ze zijn de laagste trap van gelovigen. “In hen is de minste genade en het meeste bederf te vinden.”

Waarin schieten de baby’s dan tekort in vergelijking met andere gelovigen? Venning noemt verschillende zaken, (die overigens in de toespraak niet alle genoemd konden worden):

a. Ofschoon ze gemeenschap met God en met Christus oefenen, lopen ze hieromtrent veel in het donker. Ze leven op genade, maar ze durven het er nauwelijks voor te houden. Denk aan Petrus die uit de gevangenis gevoerd wordt en die aanvankelijk denkt dat het niet echt is en dat hij slechts een gezicht ziet (Hand. 12:9).

Denk ook aan Maria Magdalena, die op de morgen van de opstanding met Christus spreekt, maar Hem in eerste instantie voor de tuinman houdt.

b. Baby’s begrijpen nog maar weinig van het woord ’gerechtigheid’. In dat ene woord ligt heel het Evangelie. Heel het werk van Christus wordt erdoor verklaard. Zowel wat de rechtvaardigmaking als de heiligmaking betreft. Baby’s verstaan er echter nog maar weinig van.

Ze moeten leren dat we niet alleen onze eerste maar ook onze toekomstige genade uit Christus moeten ontvangen. Paulus zegt: Hij is ons geworden tot “wijsheid van God, en rechtvaardigheid én heiligmaking, en verlossing.” (I Kor. 1:30) Dat moeten baby’s nog leren.

c. Ze hebben vervolgens de gewoonten van de volwassen heiligen nog nauwelijks ontwikkeld. Net als baby’s in het natuurlijke leven moeten ze nog leren om door veel oefening te lopen en te spreken.

d. Doordat ze hun smaak ook nog niet volledig ontwikkeld hebben, moeten ze nog leren om geestelijk te onderscheiden (vgl. Fil. 1:10) tussen wat de ziel voedt en wat niet. Hierdoor worden ze ook - sneller dan anderen - beïnvloed door allerlei wind van leer. Ook zijn ze door hun geringe onderscheidingsvermogen vaak bezig met dingen die helemaal niet belangrijk zijn. Venning denkt in dit verband aan de discussies tussen de discipelen over wie de grootste is in het Koninkrijk der hemelen. Hij merkt dan op dat baby’s zich beter bezig kunnen houden met de vraag: hoe kan ik in een geestelijk gezondere situatie geraken?

e. Doordat ze meer van de Wet dan van het Evangelie verstaan en God daarom op een ’oudtestamentische’ manier benaderen, dienen ze Hem meer als knechten dan als kinderen.

f. Baby’s hebben soms de neiging om Gods hart af te meten aan Gods hand. Venning doelt op de kastijding, die juist kinderen van God ontvangen, en die gezien moet worden als blijk van Gods liefde en zorg (een probleem waar in Hebr. 12 uitgebreid op ingegaan wordt)!

Daarin schieten baby’s dus veelal tekort. Maar het zijn wel levendge-maakte mensen! En daarom is de vraag ook op zijn plaats, aan welke eerste beginselen deze baby’s wél kennis hebben? Venning verwijst dan naar een aantal zaken, die worden genoemd in het begin van Hebr. 6. De wijze waarop deze dingen behandeld wordt, maakt tegelijk ook duidelijk waarin deze baby’s nog groeien moeten om geestelijk volwassen te worden. Vier aspecten (waarvan er twee in de toespraak op de ontmoetingsdag genoemd konden worden) licht ik eruit:

a. Baby’s hebben in zekere mate kennis aan de bekering van dode werken. Ze zijn zich ervan bewust zondaar te zijn. De ervaring leert dat mensen niet van hun verdorven natuur maar allereerst van hun zondige levenspraktijk overtuigd worden. Vanuit de overtuiging van een bepaalde zonde van bedrijf of van nalatigheid worden ze vervolgens geleid tot de ontdekking aan hun totale verdorvenheid. Venning onderscheidt met een woordspeling tussen het berouw hebben over ’sin in the fruit’ en van ‘sin in the root’ (in de engelse uitspraak rijmen deze twee uitdrukkingen). De bittere vruchten (fruit) van de zonde worden wel betreurd en berouwd, maar de diepe wortel (root) van de zonde, die in de totale verdorvenheid van ’s mensen natuur te vinden is, wordt niet opgemerkt. Hierin lijken baby’s heel veel op vleselijke mensen, zegt Venning. Die weten immers ook niet waar hun fouten en gebreken vandaan komen.

Dat gebrekkige zicht op hoe diep de verdorvenheid zit, komt ook uit in de wijze waarop geestelijke baby’s hun schuld belijden voor God. Daarin gaat het allereerst ook weer over dat éne dat hen in de weg zit, en niet zozeer over hun totale verlorenheid en verdorvenheid. Ze zijn als kinderen die in het zand spelen en die er niet mee zitten dat ze helemaal vuil worden - totdat ze één zandkorreltje in hun oog krijgen, en daarmee gaan ze huilend naar hun moeder. Wat daarbij ook kenmerkend is: baby’s betreuren de zonde meer omdat het hen in de weg staat dan omdat God erdoor bedroefd is. Wat hun toestand beklagenswaardig maakt is dat ze wel oog hebben voor de zonde, maar niet voor de vergeving. Ze zijn, aldus Venning, als een Rachel, die weigert getroost te worden (Mat. 2:18). Dat wordt nog versterkt door de ervaring dat de zondigheid die ze in hun leven ontdekken ongebroken is en niet te stuiten lijkt. Ze zijn bang dat hun verlorenheid nog eens uitloopt op de eeuwige verdoemenis en gaan daarom met hun nood tot God. Alleen, dit gebeurt op een wijze, die niet past bij de genade van God in Christus. Al eerder viel de term ’oudtestamentisch’. Het is allemaal meer slaafs dan kinderlijk. Venning verwijst opnieuw naar de gelijkenis van de verloren zoon. Net als hij gaan baby’s tot de Vader met het voornemen om zich als een knecht aan God uit te leveren en Hem hun diensten aan te bieden.

Als toepassing voegt Venning hieraan de bemoediging toe: “Veracht de dag der kleine dingen niet“ (Za. 4:10). Deze tekst wordt trouwens door Manton in één van zijn preken over I Joh. 2 ook aangehaald. Deze zegt erbij: “Christus bestrafte hen, die kleine kinderen bij Hem vandaan wilden houden; veelmeer nog is Hij bereid geestelijke zuigelingen te ontvangen. Lammeren behoren net zo goed tot Zijn kudde als volgroeide schapen.” Venning merkt tot vertroosting ook nog op: “Wat u als baby geleerd hebt is al heel wat. Veel mensen gaan over de wereld zonder enige overtuiging van zonde. Arme wenende ziel, u beseft bij lange na niet wat een vreugde er in de hemel is over uw wenen op aarde. Uw verzuchtingen doen de engelen zingen. Het huilen van een baby doet in het natuurlijke gezin de ouders lachen en dat geldt nu ook van de hemelse Vader.”

b. Het tweede, waar baby’s in beginsel kennis aan hebben, maar waarin nog veel in bijgeleerd moet worden, betreft het geloof in God. Volgens Venning wordt er in Hebr. 6:1 met opzet niet gesproken van ’geloof in Christus’. Het probleem met het geloof van baby’s is namelijk dat ze een verkeerd beeld hebben van de verhouding tussen God de Vader en God de Zoon. Ze hebben nog weinig oog voor de diepe eensgezindheid van de Vader en de Zoon in het werk van de zaligheid. Ze weten wel dat ze buiten Christus niet gered kunnen worden. Ze geloven dat Hij in de wereld is gekomen om zondaren zalig te maken. Ze zijn er ook van overtuigd dat wie in Hem gelooft niet zal verderven maar het eeuwige leven heeft. Echter het komen tot Christus moet de HEERE nog doen uitgroeien, zodat er ook sprake zal zijn van het vertrouwen op Hem, dat Christus de hunne is en dat zij van Hem zijn. Om het wat klassiek maar wel kernachtig te zeggen: er is een uitgaande, maar geen reflexieve daad des geloofs. Er is wel het uitgaan tot God met de nood van het zondaarsbestaan, maar niet of nauwelijks het vertrouwen en de zekerheid dat de Heere hun gerechtigheid is. Hun geloof is te vergelijken met wat we lezen van de melaatsen uit II Kon. 7, die niets te verliezen hebben en die het belegerde Samaria verlaten omdat ze hopen dat de vijand medelijden met hen heeft en hen voedsel zal geven. Ze verkiezen de onzekere hoop boven de zekere dood die ze in de stad wacht.

Zo gaan baby’s uit tot God. Dit komt ook uit in de gebeden die ze doen. “Baby’s ademen niet alleen maar huilen ook.” Maar terwijl ze tot God uitgaan, is het vaak met veel ’mitsen en maren’, omdat ze bang zijn dat ze slechts hypocrieten zijn en dat het geen waar werk met hen is. En toch: hoewel ze van niets zeker durven te zijn, hebben ze grote gedachten van Christus Jezus! Ze verlangen ook zo naar Zijn genade dat ze er alleen al mee tevreden zouden zijn als ze Zijn gehuurde knechten mochten wezen, onder welke voorwaarde dan ook, als Hij ze maar zou ontvangen. En zelfs al zouden deze verlangens niet vervuld worden... ze zouden liever heel hun leven in deze duisternis en pijn leven dan terugkeren naar hun oude toestand van het leven in de zonde.

c. Venning maakt ook opmerkingen over het juiste gebruik van wat hij noemt: ‘de ordinanties’. Hij koppelt dit aan de zinsnede uit Hebr. 6:2 die spreekt over de “leer der dopen“ en hij blijkt dat dan uit te breiden tot zowat alles wat de Heilige Geest aan middelen inschakelt om de menigerlei genade aan zondaren uit te delen. Het gaat daarbij ook over de wijze waarop zondaren van die middelen gebruik maken. Denk aan het werk van ambtsdragers, het bezoeken van de godsdienstoefeningen en het gebruiken van de sacramenten, zoals de in Hebr. 6 met name genoemde doop. Geestelijke baby’s krijgen van Venning de raad: “Verwacht er niet meer van dan God erdoor wil geven. Uiteindelijk heeft Hij de ordinanties en de plichten niet aangesteld tot uw vertroosters, maar Zijn Heilige Geest is de Trooster!“ Terwijl men bidt om Zijn werkingen, moet met betrekking tot het waarnemen van de ’ordinanties’ een aantal dingen in het oog gehouden worden. “Ze zijn niet uw voedsel, maar de borden, waarin uw maaltiid wordt opgediend. U moet uw godsdienst niet in het waarnemen van bepaalde plichten zoeken, maar in alles God gehoorzaam zijn. Laat uw godsdienst meer uit liefde dan uit vrees geschieden en meer uit dankbaarheid dan uit gewoonte of dwang. Zie voor alle dingen op Jezus Christus. Wij moeten niet alleen een Christus hebben voor die dingen die we zelf niet kunnen, maar we hebben ook voor de dingen die we wél doen Christus nodig! Zelfs de vruchten van gerechtigheid die we door het geloof voortbrengen zijn niet acceptabel dan alleen door Hem, in Wie wij aangenomen zijn. We moeten geen Christus hebben, Die ons één keer tot God brengt, maar een Zaligmaker Die ons elke keer en voor altijd tot God brengt. Zoals onze zonden vergeven worden, zo worden ook onze werken slechts om Jezus’ wil aanvaard.”Venning gebruikt dan een wat gewaagde uitdrukking, als hij zegt: “Doe uw uiterste best alsof er geen Christus bestond, en vertrouw vervolgens op Christus alsof u mets gedaan had; en vertrouw zó op Hem, zoals u dat voor de eerste keer deed, toen u inderdaad niets gedaan had. God heeft in Hem een welbehagen en in alles wat in Hem gevonden wordt!” Gewaagd, inderdaad, maar wie het vatten kan, die vatte het!

d. Baby’s in het Koninkrijk der hemelen hebben volgens Hebr. 6:2 ook kennis aan nog een ander aspect van “het beginsel der leer van Christus” en dat is het geloof in de opstanding en het eeuwig oordeel. Ze geloven in een leven na dit leven. Ze geloven dit trouwens ook met een werkzaam geloof, dat hun levenswandel beïnvloedt. Welnu, zegt Venning: Zoals tegen de heidenen in Ps. 2 wordt gezegd: verheugt u met beving, zeg ik tegen de baby-gelovigen: beef met verheuging. Want als u dicht bij Hem blijft, tot Wie u als uw Zaligmaker gevlucht bent, dan zult u in de dag van Zijn toekomst niet beschaamd worden. Laat op weg naar die dag niet alleen uw verlangen naar de hemel zijn maar ook uw wandel in de hemelen” (Fil. 3:20).

Ook deze lessen worden door Venning vertroostend toegepast. Hij zegt tegen baby’s “U bent dichter bij de hemel dan u zelf denkt. Hoewel u nog een lange weg te gaan hebt en zelf geen zicht hebt op de liefde van God, u bent in het zicht van uw Vader. Toen de verloren zoon nog van verre was, zag hem zijn vader en deze was met ontferming over hem bewogen. Het enige dat u nog ontbreekt om u haast zo gelukkig als de engelen te maken, is de kennis van uw gelukkige staat. Daarom moet u groeien in de genade. U gelooft in God... de Zaligmaker zegt: geloof ook in Mij. Als u wilt groeien in de genade, dan moet dat een opwassen zijn in de genade en de kennis van Jezus Christus.” Venning gebruikt dan een werkwoord dat wij uit de fotografie kennen. Hij zegt: “Focus op Christus, diréct en niet alleen via de genade die u in zichzelf mag opmerken. Verwacht niet van uw gebeden en uw tranen dat ze u in de liefde Gods zullen doen delen, zoals de heidenen van hun afgoden denken. Zie op Hem en verwacht het ook voor uw geestelijke groei alléén van Hem!”

Hoe Hij baby’s wil doen groeien? Als ze gebruik maken van de beloften van het Evangelie. Niet met een zelfgemaakt geloof, zoals de mensen dat aanraden: van ‘je moet het maar geloven’. Het is opvallend dat Venning zich zo uitdrukt. Dergelijke geluiden hoorde men in de 17e eeuw blijkbaar ook al! Maar tegen dit soort oppervlakkige en arminiaanse adviezen in wijst Venning erop dat de enige manier om profijt te hebben van de beloften is om die aan te nemen met een hart dat zich gehoorzaam onderwerpt aan datzelfde Woord. Aan zijn beloften, bedreigingen, eisen en vermaningen. Het gaat erom dat bekering en geloof beide gevonden worden. Daar moeten baby’s biddend mee bezig zijn. Niet ongeduldig. Dat is typisch een kenmerk van baby’s. Maar: “ongeduld hindert de groei. Zie geduldig uit naar het werk van God in uw leven.”

Dat is niet alleen de weg die baby’s gewezen krijgen, maar die ook voor kinderen, jongelingen en vaders de enig begaanbare weg is. Aan het slot van Venning’s onderwijs aan geestelijke zuigelingen, citeert hij de zegenbede uit het slot van Hebr. 13: “De God nu des vredes, Die den groten Herder der schapen, door het bloed van het eeuwige testament uit de doden heeft wedergebracht, namelijk onze Heere Jezus Christus, Die vol-make u in alle goed werk, opdat gij Zijn wil moogt doen; werkende in u, hetgeen voor Hem welbehagelijk is, door Jezus Christus. Denwel ken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid, Amen.” Dat is één van de beloften waar door baby’s, ja door allen op gepleit mag worden aan de troon van Gods genade. Door allen, ook al moeten we vrezen nog vreemdelingen te zijn van de genade: breng die nood bij de HEERE. Of als u verachterd bent en terugverlangt naar de vreugde van Gods heil, die u voorheen smaakte als kind, als jongeling of als vader in Christus. Doe uw mond wijd open, en de HEERE zal hem vervullen. Want: Elk, die Hem vreest, hoe klein hij zij of groot, wordt van dat heil, die wel-daan deelgenoot, Hij zal ze groter maken! Uit genade om Jezus’ wil.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 2002

Bewaar het pand | 12 Pagina's

ENKELE PURITEINEN OVER DE TRAPPEN VAN HET GEESTELIJKE LEVEN (DEEL 2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 2002

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken