Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HET AANBOD VAN GENADE(3)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

HET AANBOD VAN GENADE(3)

10 minuten leestijd

Ds. C. Harinck schreef een dik boek onder de titel ‘De prediking van het Evangelie’. Hij bespreekt daarin een aantal ontwikkelingen in de Gereformeerde Gemeenten. Maar de schrijver beperkt zich niet tot zijn eigen kring. Ook andere kerkverbanden en hun vertegenwoordigers komen in dit boekwerk aan de orde. Niet het minst betreft dit onze eigen kerken, de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland. Ja, er kan zelfs worden gezegd dat onze kerken, huns ondanks, een grote invloed hebben gehad op de leerstellige bezinning en de theologische ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Gemeenten.

De verhouding tussen beide kerkverbanden is altijd wat dubbel geweest. Historisch bezien is er veel overeenkomst. Beide hebben de gereformeerde belijdenis tot grondslag. Beide hebben hun wortel in de Afscheiding van 1834. Beide bevinden zich ter rechterzijde van de kerken van de Doleantie. Beide hebben zich verzet (3) tegen de leerstellingen van dr. Abraham Kuyper. In beide heeft de prediking vanouds een, wat men wel noemt, bevindelijk gehalte. Al die overeenstemming heeft echter niet kunnen verhoeden dat elk van deze kerkverbanden een eigen ontwikkeling heeft gekend. En daarbij is de afstand tussen beide kerken niet kleiner geworden. Integendeel. Die dubbele verhouding komt .van tijd tot tijd met name naar buiten als er kerkelijke overgangen plaatsvinden - van ‘gewone’ gemeenteleden en ook van predikanten. In beide richtingen...

Sinds de christelijke gereformeerde synode van 2001 vinden er weer officiële samensprekingen plaats. Die ontmoetingen hebben overigens een geschiedenis. Ds. Harinck schrijft er over. In het begin van de jaren twintig sprak de synode van de Gereformeerde Gemeenten aangaande onze kerken uit “dat er naar historisch gegeven reden is elkaar te zoeken”. Dat gebeurde dan ook. Er vonden samen - sprekingen plaats. Hoewel men aarzelde om tot vereniging te komen, was er een klimaat van hartelijkheid en verbondenheid. Na enkele jaren veranderde er echter iets. In 1928 vroeg men zich af “of de geestesgesteldheid in beide kerkgroepen van dien aard is, dat van vereniging vrucht voor de Kerke Gods kan worden verwacht”. In ieder geval achtte men de tijd nog niet rijp om verdere stappen te ondernemen. Ook op het plaatselijke vlak bleek er helaas toch niet zoveel aandacht voor elkaar...

In die jaren was er overigens in het geheel geen sprake van enig leerver-schil tussen beide kerken. De verscheidenheid lag waarschijnlijk meer in het wat verschillende geestelijke klimaat dat van beide kanten werd aangevoeld. Heel veel gereformeerde gemeenten waren nog maar een kleine twintig jaar bij een kerkverband aangesloten, afkomstig als ze waren uit de sfeer van vrije groepen en gezelschappen. Terwijl de christelijke gereformeerden al vele tientallen jaren een geordend kerkelijk leven kenden, met een eigen theologische opleiding. Achteraf bezien zijn die jaren twintig bijzonder gebleken in de onderlinge verhouding van beide kerkverbanden. Want zo nabij als het toen was, zou het nooit meer worden. Een dreigende bui kwam aanzetten, die zich rond 1930 ontlaadde. In de vorm van een scherpe polemiek tussen De Wekker en De Saambinder. Aan de ene kant de christelijke gereformeerde ds. J Jongeleen en prof. J.J. van der Schuit en aan de andere kant ds. G.H. Kersten. De aanleiding was de leer van de verbonden. In het kort gezegd de ‘drieverbondenleer’ en de ‘tweeverbondenleer’. Een scherpe wisseling van standpunten, in een toon die - met name van de zijde van ds. Kersten - iets onverzoenlijks en onverzettelijks in zich had. De leer die hij ontwaarde bij de christelijke gereformeerden noemde hij ‘ver-bondsontzenuwend1 en ‘zielsverder-vend’.

Ds. Harinck brengt het in zijn boek allemaal weer in herinnering. Waar ging het om? Ik zeg het hier maar met een enkel woord. Ds. Jongeleen en anderen vatten het genadeverbond op als dat verbond dat de Heere had opgericht met Abraham en zijn zaad, dus met de hele zichtbare kerk. Aan hen allen komen de beloften van het Evangelie toe. Wie tot de zichtbare kerk behoort, deelt ook in het verbond; de beloften worden aan hen allen verzegeld. Die zullen overigens eerst in vervulling gaan in de weg van geloof en bekering. Aan dit verbond ligt ten grondslag het verbond der verlossing; dat heeft betrekking op Christus en de uitverkorenen. Er wordt dus onderscheiden tussen het genadeverbond en het verbond der verlossing. Samen met het werkverbond is er dus sprake van een drietal verbonden.

Ds. Kersten en de zijnen echter laten het genadeverbond en het verbond der verlossing samenvallen. Het genadeverbond mag volgens hen niet worden losgemaakt van de verkiezing van eeuwigheid. De beloften van het verbond gelden zo alleen de uitverkorenen. Deze verbondsvisie is in 1931 tot uitdrukking gebracht - en u begrijpt de achtergrond - in een officiële leeruitspraak van de Generale Synode van de Gereformeerde Gemeenten. Daarin worden zes uitspraken gedaan. U kunt ze keurig op een rij vinden in het boek van ds. Harinck. Ik noem de twee belangrijkste. Allereerst wordt gezegd dat het verbond der genade staat onder de beheersing van de uitverkiezing en dat het wezen van het verbond daarom alleen de uitverkorenen geldt. Naast het wezen wordt echter ook gewezen op de bediening van het verbond. En in dat verband wordt gesproken over de ernstige aanbieding van Christus en van de verbondsweldaden in het Evangelie. Die aanbieding vindt plaats aan ieder die onder het Evangelie verkeert.

Laat ik u eerlijk zeggen, ik had er niet zoveel behoefte aan om deze dingen weer opnieuw voor het voetlicht te halen. Dat gebeurt naar mijn besef al te veel en dikwijls ook al te gretig. Het al dan niet beoogde gevolg is dat de afstand, die sinds 1931 tussen beide kerkverbanden ontstaan is, bewust in stand gehouden of zelfs aangescherpt wordt. Persoonlijk heeft het me meermalen pijn gedaan als ik vernam dat vanaf kansels of in kerkelijke bladen deze zaak welbewust levend gehouden wordt. De indruk die bij het eenvoudige kerkvolk door de jaren heen is gewekt (het is me al diverse keren gebleken), luidt dat bij die ‘driever-bonders’ niet twee maar drie wegen worden geleerd. In ieder geval is de leer der zaligheid bij hen niet veilig... Nog niet zo lang geleden slaakte ds. P. den Butter publiekelijk de verzuchting om nu alstublieft eens op te houden met dat heen en weer geschrijf over twee en drie verbonden. Laten we de karikaturen toch achter ons laten... Het is ook mijn hartelijke wens. Laten we zoeken naar wat ons samenbindt, meer dan naar dat wat ons - terecht of niet terecht - scheidt.

En toch waag ik het nog een keer. Juist vanwege die gewenste samenbinding. Maar ook met het oog op bezinning op deze dingen in eigen kring. Ik zou naar aanleiding van deze bladzijden in het boek van ds. Harinck op twee dingen willen wijzen.

Mijn eerste opmerking is naar aanleiding van een noot op bladzijde 116. Ds. Harinck heeft op die pagina correct en helder de gedachten van ds. Jongeleen en professor Van der Schuit verwoord. Dus de zogeheten ‘drieverbondenleer’. En dan die verrassende noot onderaan de bladzij, ze is van de schrijver zelf: “Het is misschien niet overbodig hier op te merken, dat verschillende oudvaders en ook ons doopformulier op deze wijze over het genadeverbond spreken”. Hier wordt dus door een predikant van de Gereformeerde Gemeenten erkend dat de verbondsleer die in onze kerken doorgaans wordt voorgestaan heel oude papieren heeft. Diverse oudvaders schreven en spraken op deze wijze en zelfs de inhoud van ons aloude doopformulier ademt eenzelfde geest. Ds. Harinck noemt verder geen namen van oude schrijvers en een onderbouwing geeft hij evenmin, maar zijn stelling is duidelijk. En ze is terecht!

Niet pas binnen onze kerken voor het eerst, maar ook in de tijd van de Reformatie en de Nadere Reformatie werd door velen het genadeverbond beschouwd als het verbond dat de Heere heeft opgericht met Abraham en zijn zaad en zo met de hele zichtbare kerk. Trouwens is het ook niet onze Heidelbergse Catechismus die belijdt dat kinderen en volwassenen in het verbond van God, namelijk in Zijn gemeente, begrepen zijn en dat hun de beloften van het Evangelie worden toegezegd. Dit is hetzelfde als wat Van der Schuit c.s. bedoelden te zeggen. En nu heeft ds. Harinck dat (h)erkend. Met dankbaarheid nam ik er kennis van. Het is weliswaar heel marginaal gezegd, maar toch met zoveel woorden! Ik hoop dat deze erkenning de eerste steen mag zijn van een brug over de kloof die tot nu toe onnodig wijd en diep is.

Maar nu mijn tweede opmerking. En daarmee gaat de hand in eigen kerkelijke boezem. Al heel lang loop ik met de vraag hoe het toch komt dat onze Christelijke Gereformeerde Kerken zich de laatste tientallen jaren hebben ontwikkeld tot wat ze zijn? Een nadere aanduiding geef ik niet, maar u begrijpt wat ik bedoel. Hoe is het toch zo gekomen? Waar ligt toch de wending? Wat heeft onze kerken zo ver gebracht? Zo ver weg namelijk. Op veel plaatsen zo ver weg van (wat Hendrik de Cock noemde) ‘de gronden der vaderen’. Zou het kunnen zijn dat het iets te maken heeft met de ‘drieverbondenleer’? Zou er een verband kunnen liggen met de lijnen die getrokken zijn vanuit die leer - in prediking en pastoraat? Is het wellicht mogelijk dat er in de loop van de jaren meer nadruk is komen te liggen op wat de ‘bondeling’ al bezit, namelijk in de belofte, en minder op wat er moet gebeuren, namelijk in wedergeboorte en bekering? Kan het zijn dat in de prediking wel de ’bediening’ van het verbond accent ontving, maar minder het ‘wezen’, namelijk het wonder van Gods welbehagen in Zijn eeuwige verkiezing? Heeft een bepaalde invulling van de verbondsleer er mogelijk niet toe geleid dat er minder ontdekkend en meer ‘opbouwend’ werd gepreekt? Met als gevolg dat de kerken vol raakten met ‘bezittende’ mensen, die echter van het arme-zondaarsleven voor de Heere niet wisten. Ik vrees dat hier toch een verband ligt met de onder ons gangbare verbondsopvatting. Althans met de wijze waarop die in de loop van de jaren in prediking en pastoraat ging functioneren. Nee, dat is nooit de bedoeling van ds. Jongeleen en de zijnen geweest. Net zo min als ons doopformulier en de Catechismus hieraan debet zijn. Maar achteraf moet ik zeggen dat de vrees van ds. Kersten en de zijnen niet geheel ten onrechte is geweest. De praktijk laat het zien. En nu kan het zijn dat op haar beurt de ‘tweeverbondenleer’ en wat ermee samenhangt binnen de Gereformeerde Gemeenten een bepaalde mate van lijdelijkheid tot gevolg heeft gehad. Evenzeer onbedoeld. Maar die spiegel moet men zichzelf maar voorhouden. Dat behoeven wij voor hen niet te doen. Het lijkt me dat de gezamenlijke les is: Wie meent te staan, zie toe dat hij niet vallei N.a.v.: Ds. C. Harinck, De prediking van het Evangelie. Het aanbod van genade. Uitgeverij Den Hertog te Houten. Paperback. 308 pag.

Prijs €17,50.

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 2003

Bewaar het pand | 12 Pagina's

HET AANBOD VAN GENADE(3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 2003

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken