Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

MEDITATIE

Christus, de altijd biddende Hogepriester in de hemel

7 minuten leestijd

“alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden”

Wat een voorrecht, ja, wat een wonder van genade dat wij altijd ook nog mogen bidden! Voor onszélf en ook voor elkaar, persoonlijk en ook samen mét elkaar. Dat de HEERE ons daar Zélf in Zijn Woord vaak zelfs toe opwekt en aanspoort, met de belofte erbij, dat Hij ons juist in die weg Zijn zegen dan ook zeker wil en zal schenken...

Bij en ondanks alle verdere verschil en onderscheid hebben al Gods kinderen dan toch ook dit gemeen, dat ze allemaal toch ook een biddend leven kennen. Wij ook? Het gebed is zelfs de ademtocht der ziel...

Als het nu echter ook eens van het gebed van Gods kinderen zélf afhing? Wat kwam er dan nog van terecht en wat bleef er dan ook nog van over? Niets toch? Nü niet en ééuwig niet!

Nu is Christus voor al de Zijnen echter ook de altijd biddende Hogepriester in de hemel: als de gestorven maar ook weer opgestane Hogepriester lééft Hij daar zelfs altijd om voor hen te bidden. Ja, en in Zijn vóórbede ligt de zaligheid van al die vaak ook nog zo biddeloze Zijnen dan nu toch ook eeuwig onveranderlijk vast gewaarborgd en gegarandeerd! Hij bad op aarde al steeds voor Zijn Kerk: denk b.v. ook maar aan dat ook zo bijzonder rijke Hogepriesterlijke gebed in Johannes 17. Na Zijn opstanding en hemelvaart leeft Hij daar in de hemel echter óók altijd om voor hen te bidden. “Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt”: zo jubelt Paulus het in Romeinen 8 in verwondering uit.

Zoals de Oud-Testamentische hogepriester na het zoenoffer gebracht te hebben met het bloed der verzoening elk jaar opnieuw op de grote verzoendag het heilige der heiligen inging om daar op grond van dat bloed ook voor het volk te bidden (zo lang hij leefde!), zo is Christus nu op de grote verzoen- en betaaldag der Kerk met Zijn éigen bloed het hemelse heiligdom ingegaan, waar Hij dan nu ook altijd leeft om voor al de Zijnen te bidden. Te bidden dus op grond van dat bloed. Op grond dus, neen, niet op iets in of van Gods kinderen zélf (wat zou dat dan toch ook kunnen of moeten zijn?), maar op grond van Zijn eigen borgtochtelijke verzoeningswerk, éénmaal op Golgotha volbracht. Ja, en te bidden daarom ook niet maar als een soort wéns of vriendelijk verzoek, neen, maar als een borgtochtelijke pléiten en éisen zelfs ook: “Vader, Ik heb verzoening voor hem, voor haar gevonden en Ik wil dan ook dat die bij Mij zijn die Gij Mij gegeven hebt”.

“Alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden”. Altijd: “Zo leeft de Vorst altoos, Zo leeft Hij eindeloos”.

Altijd. Dus ook zowel in tijden van voorspoed en vreugde als in tijden van tegenspoed en smart. Zowel in tijden dat ik zelf in mijn gebed ook echt contact met de hemel heb als in tijden dat mijn gebed niet verder komt dan de zolder, als het althans nog zover komt en ik mijn gedachten er nog bij kan houden....

Altijd. “Broeders, indien wij gezondigd hebben” (en wat zijn er dan b.v. ook al een gebédszonden, hé), “wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige”.

Altijd. Dus ook zowel in tijden van gezondheid als in tijden van ziekte en als ik misschien zelfs wel geopereerd moet worden en onder narcose moet zodat ik dan zélf ook niet eens meer bidden kan. Of als ik dement wordt. In leven en in sterven. Altijd!!

Welnu, in de voorbede van die altijd biddende Hogepriester aan des Vaders Rechterhand ligt de zaligheid van al de Zijnen dan toch inderdaad ook eeuwig onveranderlijk vast gewaarborgd en gegarandeerd.

Van al de Zijnen, ja, maar wie zijn dat dan eigenlijk precies en waar zijn die in hun eigen leven dan nu b.v. ook aan te herkennen?

“Alzo Hij altijd leeft om voor hén te bidden”. Wie zijn dan nu eigenlijk die “hen”? het staat er vlak voor: “Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken dégenen die door Hem tot God gaan”. Degenen dus die zélf ook een biddend leven mogen kennen! Degenen die dóór Hém, door Christus (d.w.z. die in Zijn Naam en pleitend op Zijn borgtochtelijke verzoeningswerk en volmaakte voorbede) tot God gaan. Die in zichzelf ook alle gebedsgrond hoe langer hoe meer verliezen en daarom óók voor hun gebed niets anders overhouden dan “om Jézus’ wil”. Neen, niet maar als afsluiting van, maar juist als enige wég en pléitgrond vóór hun gebed. “Ik ben de weg; niemand komt tot de Vader dan door Mij”.

Letwel: het gaat dus ook niet maar om het komen “tot Jézus” zonder meer (“je moet maar tot Jezus gaan”), maar om het gaan en komen dóór Hem tot Gód, tot de Vader! We hebben toch ook niet maar tegen Jézus gezondigd en moeten daarom toch ook niet maar met Jézus verzoend worden zonder meer, maar tegen en met Gód, de Vader. En dat kan nu toch ook alleen maar dóór de Zoon, op grond van Zijn borgtochtelijke verzoeningswerk! Welnu, vandaar: “degenen die door Hem tot God gaan”. Die worden door Hem volkomen zalig gemaakt en voor diegenen leeft Christus daar dan nu altijd ook aan des Vaders Rechterhand in de hemel om voor hen te bidden!

Zoals de Oud-Testamentische hogepriester in die 12 stenen in zijn gouden borstlap het hele volk, alle 12 stammen meedroeg het heiligdom in om daar bij het altaar ook voor hen te bidden, zó heeft Christus heel Zijn volk, al de Zijnen ook óp, ja, in Zijn Hogepriesterlijke Middelaarshart meegenomen het hemelse heiligdom in en zó leeft Hij daar dan nu ook altijd om op grond van Zijn werk voor hen te bidden. Dus voor hén die dan nu zélf ook door Hem tot God gaan...

Welnu: geldt dat dan nu ook óns? Leeft Christus daar dan in de hemel óók altijd om voor óns te bidden? Ik kan ook zeggen: kennen wijzélf en persoonlijk óók al dat door Hem tot God gaan? Dat biddende leven, die ademtocht der ziel? immers, dan alléén, maar dan ook zéker zijn ook wij in die voorbede van die altijd levende en biddende Hogepriester in de hemel begrepen!

O, als we het nog niet zouden kennen, dan is Hij de machtige en de gewillige om het door Zijn Geest der genade en der gebeden ook óns nog te leren. Vraag er maar veel om Bid zonder ophouden!

En allen die er door genade toch almeer achter komen dat zij van zichzelf toch zelfs ook nog niet eens echt kunnen bidden zoals het behoort, maar die het toch óók niet kunnen laten: wat er ook gebeurt en hóe het ook gaat (in de wereld, in de kerk en ook in eigen gezins- en persoonlijke leven): “Zodanig een Hogepriester betaamde ons”, “Alzo Hij altijd leeft om voor Zijn volk te bidden”. En een kind van zóveel gebeden kan en zal toch ook nooit meer verloren gaan..... “Mijn beê met opgeheven (of saâmgevouwen) handen,

Klimm’ voor Uw heilig aangezicht,

Als reukwerk, voor U toegericht,

Als offers, die des avonds branden”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 mei 2004

Bewaar het pand | 12 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 mei 2004

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken