Bekijk het origineel

EEN AFSCHEIDSLIED VAN EEN SCHEIDENDE LEIDSMAN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

EEN AFSCHEIDSLIED VAN EEN SCHEIDENDE LEIDSMAN

14 minuten leestijd

Wie Hij is (de Rotssteen)

Mozes staat aan de grens. Niet slechts aan de grens van het beloofde land, maar ook aan de grens van leven en dood. Nog enkele ogenblikken en hij zal de berg Nebo beklimmen en daar zal de Heere hem van zijn post aflossen. Maar voordat het zover is, roept hij nog eenmaal zijn volk bijeen. De scheidende leidsman wil zich nog eenmaal tot het volk richten. Hij wil nog zijn laatste bevelen geven aan het volk, dat hij zoveel jaren geleid heeft.

Nadat de stammen Israels zich verzameld hebben in de vlakke velden van Moab tegenover Suf heft Mozes zijn stem op en spreekt. In het beeld van de Rotssteen bezingt hij de lof des Heeren. “Ik zal, zo zet hij zijn zwanenzang in, “de Naam des Heeren uitroepen en onze God grootmaken”.

Hij wekt hemel en aarde op om God grootheid te geven, dat is Hem en Zijn Naam groot te maken en zijn afscheid van Israel is werkelijk hooggestemd. Mozes bezingt niet zijn eigen roem of glorie; hij zoekt geen zelfverheerlijking. Hij blikt terug en overziet de weg die de Heere met Israel gehouden heeft. Dan ziet hij, wie de Heere geweest is en nog is, en voor Zijn volk zal blijven. “Hij is de Rotssteen”.

U had niet anders verwacht van Mozes. Iemand die zo hoog in eer en aanzien stond bij God en het volk, zou toch wel in lofverheffing eindigen. Van hem had de Heere gezegd: “Alzo is Mijn knecht Mozes, die in Mijn ganse huis trouw geweest is, van mond tot mond spreek Ik tot hem, en door aanzien en niet door duistere woorden”. Hij was toch de berg opgeklommen en heeft in de tegenwoordigheid van de Heere verkeerd. De Heere was aan Mozes voorbij gegaan en hij had een glimp van Hem mogen opvangen; hij had de achterste delen van God gezien en zijn aangezicht was overgoten geweest met hemelse glans. Als u meent, dat het daarom een loflied is, hebt u het mis. Zeker, Mozes was bevoorrecht. Hij was de knecht des Heeren en als zodanig had hij ook de gunsten des Heeren genoten. Maar vergeet niet, dat hij ook de andere kant van het leven gezien heeft. Hij heeft heel wat moeite en verdriet in zijn leven moeten trotseren. Op zijn 80e jaar roept de Heere hem tot leidsman over Zijn volk Israel En hoe heeft hij op zijn tocht door de woestijn niet de ontberingen en ontredderingen van het woestijnleven moeten doorstaan. En dan nog dat opstandige en murmurerende volk, dat telkens weer in opstand kwam tegen het door God over hen gestelde gezag.

Toen dat volk weer in opstand kwam, omdat er geen water was, sloeg hij in zijn drift op de rots, terwijl hij spreken moest. Wie zou niet eens in toorn uitbreken? Maar omdat hij het bevel van de Heere niet gehoorzaam geweest was, zal Mozes het volk wel tot aan de grenzen van het beloofde land brengen, maar het land zelf niet binnengaan. Dat moet toch wel een bittere ervaring voor Mozes geweest zijn.

Daarom zou het ons ook helemaal niet verwonderen, als Mozes zijn leven beëindigd had met een lied, waarin weemoed en teleurstelling had doorgeklonken. Het zou niet vreemd geweest zijn, als Mozes zichzelf in zijn afscheidswoord in het middelpunt geplaatst had door te vermelden wat hij allemaal meegemaakt had en wat hij allemaal gedaan had. Mozes geeft geen opsomming van alles wat hem op die weg overkomen is. Hij laat straks wel de geschiedenis van dat volk in vogelvlucht de revue passeren en daarbij slaat hij de donkere bladzijden niet over. Maar hij doet dat niet om zijn daden in het licht te stellen, maar de trouw en de goedheid van de Heere te bezingen. Hij eindigt bij zijn afscheid van het volk ook niet in de mens, maar in zijn God, die de Getrouwe was en blijft. Zijn laatste woord is een lofzang op zijn God. “Ik zal de Naam des Heeren uitroepen, geeft onze God grootheid!Hij is de Rotssteen, wiens werk volkomen is

Mozes heeft ze gezien op zijn reis door de woestijn, die massieve rotsgevaarten, die hoog boven het landschap uitstaken. Ze stonden daar als indrukwekkende zuilen, die de eeuwen trotseerden. Daar was al wat tegenaan gekomen, de regen en de wind, de stormen en de zandverstuivingen, de bliksem en de donder, maar ze stonden nog altijd onwankelbaar op hun grondvesten. Mensen waren eraan voorbij gegaan, die allang niet meer zijn; maar ze staan nog als predikers van de vastheid en de onwankelbaarheid van Gods trouw en onveranderlijkheid te midden van alles wat in de woestijn verstierf en verging. En in die machtige gevaartes ziet Mozes het beeld van zijn God. Bij alles wat wijkt en wankelt is Hij Dezelfde gebleven.

Nu die Rots is voor Mozes het beeld van de eeuwige God, van de Heere in Zijn onveranderlijke verbondstrouw. Hij is de Getrouwe, de Waarachtige, de God op Wie je aankunt. Zo heeft de Heere Zich betoond in de geschiedenis van Zijn volk. Waarin heeft die God Zich rijker en heerlijker geopenbaard dan in Zijn Zoon Jezus Christus, “die gisteren en heden Dezelfde is en tot in der eeuwigheid”. Hij is DE Rotssteen, de Enige, de Eeuwige. In Hem komen al de deugden van God tot openbaring. Zijn heiligheid, rechtvaardigheid, Zijn eeuwigheid en onveranderlijkheid, Zijn goedheid en barmhartigheid. “Bergen mogen wijken, heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en het Verbond Mijns vredes zal niet wankelen, spreekt de Heere, Uw Verlosser”.

Wat Hij doet

Hij is de Rotssteen”, zegt Mozes, “Wiens werk volkomen is”. Mozes vraagt hier aandacht voor het werk van de Rotssteen. Mogelijk klinkt die combinatie u vreemd in de oren. Een rotssteen die werkt. Passen die twee wel bij elkaar. Is er iets onbewegelijker en statischer dan een rots? Een rots komt niet van zijn plaats, terwijl werk toch in beweging is. Inderdaad, hierin schittert nu iets van de grootheid en heerlijkheid van God, dat Hij de Rotssteen, de Onwankelbare en Onveranderlijke is, maar tegelijk de werkende en de handelende God. Hij is niet de starre, onbewegelijke God van de heidenvolken. De God van Mozes is enerzijds de Onwankelbare en Onveranderlijke God, maar anderzijds de werkzame en vol activiteit zijnde God voor Zijn volk. Mozes schrijft deze Rotssteen verschillende werkingen toe. In het vervolg van zijn psalm zingt hij van God de Rotssteen als de Levensoorsprong. In vs 18 lezen we: “de Rotssteen die u gegenereerd heeft”. Uit de rotssteen heeft men stenen gehouwen en daarvan huizen gebouwd en steden opgetrokken. Nooit zal er in enig zondaarshart enig leven zijn dan uit Hem. Hij is de Levensbron. “Aanschouwt de Rotssteen waaruit gij gehouwen zijt”, zegt de profeet Jesaja. Op een andere plaats spreekt hij van de Rotssteen als de levensonderhouder, want in vs 15 lezen we van ‘de Rotssteen des heils’. Deed God niet uit de Rotssteen water vlieten, zodat het volk en de beesten daaruit konden drinken en zo onderhield Hij hen in het leven. En in vs 31 bezingt hij de Rotssteen als de Levensbeschermer, want dan spreekt hij van de vijanden: “Hun rotssteen is niet gelijk onze Rotssteen, zelfs onze vijanden rechters zijnde (onze vijanden mogen zelf oordelen)”. In de schaduw van de rotsen vinden de reizigers bescherming en beschutting tegen de hitte van de zon en zo wordt het leven beveiligd. Welk een Rots is onze Heere. Gelden al deze dingen niet van de Heere, onze God? Hoe is Hij de Levensoorsprong van ons mensen, maar Hij is ook de Levensonderhouder en de Levensbeschermer. Hoe hebben de vromen van de oude dag de Heere niet bezongen als een Rots. We horen hen zingen: “God is mijn Rotssteen en hoog Vertrek”. “Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid”.

Een Rotssteen, een Schuilplaats. Dat moet Mozes wel bijzonder aangesproken hebben. Hij had eigenlijk nooit een thuis gehad. Hij verkeerde wel aan het hof van farao, maar uiteindelijk was hij een vreemdeling. Maar temidden van de woestijnreis is de Heere voor hem een thuis, een woning geweest. De trouwe Verbondsgod was zijn onderkomen en onder Zijn vleugelen mocht hij bescherming en beschutting vinden. Maar Zijn bedreigingen worden ook vervuld. Daarvan getuigt de lange rij graven die in de woestijn achtergelaten werden. Mozes behoeft alleen maar aan zijn eigen graf - het niet ingaan in het beloofde land - te denken om te weten, dat de Heere nooit herroept, wat Hij eenmaal gesproken heeft. Dat we vanavond allen kwamen tot de belijdenis, die Mozes uitsprak bij zijn afscheid van het volk. Wat er wel gebeurd is, dat wij God vergeten hebben dagen zonder getal. Wij hebben het voor de Heere verdorven. O, wat moet Mozes van dit volk erkennen: “Als Jeschurun vet werd, zo sloeg hij achteruit; hij liet God varen, die hem gemaakt had en versmaadde de Rotssteen onzes heils”. Mozes moet het van Israel zeggen: “de Rotssteen, die u gegenereerd hebt, hebt gij vergeten; gij hebt in vergetenis gesteld de God, Die u gebaard heeft”. Maar ondanks dat is Hij de Getrouwe gebleven. Al heeft Zijn volk Hem verlaten, Hij heeft Zijn volk niet verstoten. Hij omringde ons dagelijks met Zijn goedertierenheden en genade.

Maar God heeft de zonde van Zijn volk bezocht aan Zijn eigen lieve Zoon Jezus Christus. Toen Hij was in de woestijn van Zijn lijden en sterven, was er geen toevlucht, geen onderkomen. Toen Hij aan het vloekhout op Golgotha uitriep: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten”, was er geen Vaderhuis met zijn vele woningen. Toen is Hij uitgestoten buiten de gemeenschap met Zijn Vader. Toen Hij riep in de bangste uren van Zijn leven, was er geen Rotssteen, waarop Hij Zich verlaten kon. Zo is Zijn kerk geworden tot een Rotssteen. Daarvoor moest Hij in deze wereld afdalen.

Hebt u deze Schuilplaats in uw leven al gevonden? Want wij, mensen, hebben geen vaste grond meer onder de voeten. Ons levenshuis is niet bestand tegen de stormen. Waar vind ik een vaste grond? “Zie, zegt de Heere, Ik leg in Sion een Grondsteen, een beproefde Steen, een kostelijke Steen, Die wel vast gegrondvest is”. Rotsen zijn diep in de aarde geworteld, daarom staan ze zo vast. Het bloed van het Lam Dat geslacht is, houdt het. Hij heeft een volkomen werk gedaan. Er kan niets van ons bij. En van dat werk, van die bemoeienissen van God met Zijn volk, zegt Mozes hier, dat het een volmaakt, een volkomen werk is. Eigenlijk staat er ‘onstraffelijk’, d.w.z. in wiens werk nooit enig gebrek of onvolkomenheid gevonden wordt. Daar mankeert niets aan. In geen van Gods werken. Niet dat Gods werk altijd is overeenkomstig onze wensen en verlangens. Niet alleen in het werk dat Israel aangenaam was en wanneer Hij het volk met enkel zegeningen tegemoet trad, maar ook als er kastijdingen en beproevingen waren. Ja, ook als de

Heere hen bezocht met tegenheden en straffen, was Zijn werk volkomen. “Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is”. Ons werk niet. Het was zwak en met veel gebreken. Maar dan mag ik toch zeggen, dat Zijn werk volkomen is. Dan kan die grote en hoge God gebruik maken van dat zwakke, gebrekkige werk van Zijn dienstknechten en er Zijn werk mee doen. Dat werk komt af. Dat is volkomen. Hij stelt Zijn bruid straks onbevlekt en onberimpeld voor het aangezicht van Zijn Vader. Dan zal ons werk in de Heere niet ijdel zijn. Nee, dat wil niet zeggen, dat dat ieder ten goede komt. Want het geloof is niet aller. “Maar degenen die naar Zijn voornemen geroepen zijn, zullen zalig worden”. Er zal er niet eentje achter blijven. Daar staat God voor in.

Is de arbeid aan uw zielen u ten goede gekomen? Hebt u leren buigen onder Zijn scepter. Hebt u zich leren uitleveren aan Zijn genade. Is de prediking u al tot zegen geweest, waardoor u uit uw zondegraf bent opgeroepen? Bent u met uw leven gekomen tot die levensbron. Buiten deze Rotssteen moeten we omkomen. We mogen ons nog zo veilig voelen, we kunnen nog zoveel zekerheden opbouwen. Maar buiten Christus is het nergens veilig. Behalve in deze Rotssteen.

Naar die Rots heb ik u gewezen. Ik heb aangedrongen, aangespoord om toch de toevlucht te nemen tot die Rotssteen. Ja, hoe kom ik erin? Ik kan mezelf er niet brengen. Ik kan er niet bij. Er zijn er ook in ons midden die het leerden, dat zij het in eigen kracht niet kunnen bereiken. Maar dat hoeft ook niet. Hij wil ons - evenals Mozes eenmaal - met Zijn hand in de kloof van de steenrots zetten. Hij doet niet iets, Hij doet niet veel, maar Hij doet alles. Want Hij verwierf niet alleen de zaligheid, maar Hij past dat heil ook toe aan het zondaarshart. In die enige Rotssteen ligt alle heil. Niets uit u, het al uit Hem.

Is het waar dat gij niets kunt? Dan juist is deze Rotssteen u van pas, want Hij doet alles. Alles voor Zijn volk en alles in Zijn volk. Zijn werk is een volkomen werk. Het wil zeggen: er hoeft niets van u bij. Er kan ook niets van u bij. Ik weet het: deze prediking is niet naar de mens. Deze boodschap doet pijn en wekt ergernis. Het valt niet mee te moeten horen, dat al uw werk onvolkomen is, zodat u alle bestaan in uzelf verliest, zodat u op al uw werk de dood moet schrijven. Toch is dit de enige weg van zalig worden. We kunnen nergens op rusten dan alleen op dat volbrachte Middelaarswerk. Zo alleen krijgt Christus als een volkomen Zaligmaker gestalte in het hart van de Zijnen. Hebt u zo wel eens gedronken uit die milde heilsfontein? Hij is niet alleen de Levensoorsprong maar ook de Levensonderhouder. Dan kan de dorre woestijn wel eens een oord van bronnen worden. Als dan de wateren des heils over mijn ziel vloeien dan mag hij drinken en gelaafd worden. Wie van dat water mag drinken zal nimmermeer dorsten.

Dat Woord is verkondigd. Hoe menigmaal heeft de Heere Zijn dienstknechten tot ons gezonden met het vriendelijk en welgemeend aanbod van genade. Hoe vaak heeft de Heere niet geworsteld om uw zielen? Hoe vaak is in deze jaren het Woord van Christus aan uw hart gelegd? Hij komt in de prediking tot ieder die het Woord hoort. Wat doe je ermee? Laat je Hem maar roepen? U bent er nog nooit mee in de schuld gekomen. Het bracht u niet aan Zijn voeten? Het liet u koud en ongevoelig, ja het wekte vijandschap en ergernis bij u op. Of mogelijk stemde u met het gepredikte Woord in of het misschien nog wel dieper en zwaarder of hoe ook wilde horen - maar dat alles zonder dat het van binnen wat uitwerkte. Het heeft nog nooit een verbroken hart en een verslagen geest bij u gewerkt.

Als u zo voortleeft, dan zal het nog eenmaal tegen u getuigen. “Hoe zullen wij ontvlieden de toekomende toorn, zo we op zo grote zaligheid geen acht slaan” Bekeert u en leeft! Het kan nog, en het mag nog! Het is nog het heden der genade. Het is zo aanbevelenswaardig. In die Rots bent u veilig. De hitte van Gods toorn tegen de zonde kan er niet in doodringen. De hagelstenen van Zijn gramschap kunnen me daar niet treffen. De vloek der wet heeft geen macht meer over me. De pijlen van de boze kunnen me niet raken. Zo volkomen is het werk van deze Rotssteen, dat niets en niemand me kan scheiden van Zijn liefde. Zelfs in het uur van mijn dood ben ik daar veilig.

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht,

Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht.

Wij steken ‘t hoofd omhoog en zullen d’ eerkroon dragen,

Door U, door U alleen, om ‘t eeuwig welbehagen.

Na de dienst sprak ds. B.L.C. Aarnoudse als consulent en afgevaardigde van de classis Utrecht, ds. W.F. Jochemsen namens de plaatselijke kerken, burgemeester mevr. E. Boot namens de plaatselijke overheid en ten slotte voerde oud. H. Blokland het woord namens kerkenraad en gemeente.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 2006

Bewaar het pand | 12 Pagina's

EEN AFSCHEIDSLIED VAN EEN SCHEIDENDE LEIDSMAN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 2006

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken