Bekijk het origineel

OPENBARE BELIJDENIS (1)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

OPENBARE BELIJDENIS (1)

10 minuten leestijd

In dit voorjaar zullen in veel gemeenten jongeren openbare belijdenis des geloofs afleggen. Het formulier voor de kerkvisitatie stelt daarover ook een vraag. Daarin worden vooral de motieven genoemd die leiden tot het doen van belijdenis. De vraag is rustig gesteld. Het verband met het Heilig Avondmaal blijft hier ongenoemd. In dit artikel wil ik de kerkordelijke achtergrond met u bezien.

aarzelingen

In art. 61 van de Kerkorde, waar vanuit het Avondmaal gesproken wordt over de belijdenis des geloofs, vinden we meer over het karakter van de openbare belijdenis. Deze belijdenis vindt overigens plaats overeenkomstig de regeling van de plaatselijke kerk, zo staat er. Niet geheel duidelijk is wat hiermee bedoeld wordt. Ziet het ook op verschil van opvatting inzake belijdenis doen? Het laat zich vermoeden. Wel spreekt ook de Kerkorde duidelijk over belijdenis des gelóófs.

In een drietal later toegevoegde uitspraken wordt ingegaan op de tweeerlei opvatting, die in verschillende kerken en gemeenten bestaat over belijdenis des geloofs en belijdenis der waarheid. Dit laatste wordt in art. 61 sub 1 wel wat makkelijk aangeduid als het van buiten leren van enige waarheden. Misschien zouden we nu deze bepaling uit 1836 toch wat anders formuleren. Er zijn niet zoveel catechisanten meer die waarheden van buiten leren, laat staan teksten in hun gedachten inprenten. Wie catechiseert, weet dat dit van buiten leren al de grootst mogelijke moeite kost. Verder moet ik zeggen dat ik persoonlijk in mijn gang door de kerken zelden aspirant- belijdeniscatechisanten ben tegen gekomen, die zuiver alleen maar wat verstandelijke kennis verzamelden. In die zin komt belijdenis der waarheid, als zijnde louter een uitgesproken historisch geloof, onder ons vrijwel niet voor. In gemeenten waar men aarzelt over het verband tussen belijdenis en een levend geloof, heb ik veel mensen aangetroffen die met ernst de zaken trachtten te beleven. Ik denk zelfs dat in gemeenten die misschien neigen naar de opvatting van belijdenis des geloofs in de zin van belijdenis van het obiektieve geloof (fides quae), de verbondenheid met de kerk en het geloof doorgaans duidelijk blijkt, terwijl zeer hoogkerkelijke opvattingen niet persé mensen binden aan een trouw en volhardend leven. Want de vraag laat zich niet onderdrukken hoe nu feitelijk het verband gezien moet worden tussen openbare belijdenis en het gaan aan het Avondmaal. Concreet: wat verstaan we onder “geloof” als het gaat over belijdenis des geloofs. Onze jonge mensen worstelen met deze vraag. Zij beseffen enerzijds de noodzaak van belijdenis doen en tegelijk spreken zij grote terughoudendheid uit inzake het persoonlijke geloof (fides qua) en de zekerheid daarvan. Velen zijn in verlegenheid over de mate waarin zij kennis van hun zonde en schuld bij zichzelf waarnemen. Ook wordt beseft dat de kennis van Christus een geschonken genade is, niet uit de mens af te leiden. Vanzelfsprekend is men ook voorzichtig als gevraagd wordt naar godvruchtige levenswandel in deze moeilijke tijden. Althans, deze jongeren zijn er gelukkig en het zijn niet de minste leden van de gemeente. Hoe gaan wij met hen om? Hoe spreken we met hen over de Avondmaalsgang? Trouwens, kunnen wij wel onderscheiden hoe deze dingen beleefd worden in het hart van de jeugd?

Hier geldt wat de Heere Jezus Zelf heeft geleerd inzake de twee zonen, die moesten arbeiden in de wijngaard. Op het bevel van de vader antwoordt de ene welgezind: “Ik ga, heer!” en hij ging niet. Er staat eigenlijk: “Ik (wel), heer”.” Hij zei dat zo omdat zijn broer eerst had gezegd: ““Ik wil niet”. Hier waarschuwt de Zaligmaker ons Zelf voor een al te veel vertrouwen op menselijke gezindheid en goedbedoelde voornemens. Onze tijd mag daar best van leren. Voorheen werden allerlei voornemens niet direct geijkt als uitingen van geestelijk leven. Er staat immers van veel goede voornemens: “Van toen af gingen velen Zijner discipelen terug en wandelen niet meer met Hem” (Joh.6:66). Als jongeren eerlijk worstelen met de vraag naar de echtheid van hun geloof, moeten we hun verlegenheid serieus nemen en deze niet trachten weg te nemen met allerlei algemeenheden, zeker niet met een vorm van al te goedkope genade. Velen ook in onze tijd deden belijdenis van hun geloof, maar velen ook helaas stelden later teleur. Tot verdriet van de catecheet en de gemeente. Daarnaast zal geen belijdeniscatechisant zonder meer zeggen: Ik wil niet, maar deze herkent in eigen hart en leven wel de neiging daartoe. En dat geeft verlegenheid. Deze gelijkenis maakt ons heel voorzichtig, ook als we spreken over belijdenis doen.

leiding

De Synode van 1950 spreekt nogal nadrukkelijk over het onlosmakelijke verband tussen belijdenis doen van het geloof en belijdenis doen van de waarheid. “Zij (de Synode) dringt er bij de kerken ten ernstigste op aan dat beleefd worde het onlosmakelijk verband tussen het afleggen van belijdenis des geloofs en het gebruik der sacramenten” (art. 61 sub 3).

Deze woorden geven heel juist aan dat er naar het allerbeste gestreefd moet worden en dat we geen opening geven aan een kerkelijk fiat op een onbekeerd leven. Zouden we de zaken anders stellen dan zou dat gebeuren: dan geeft de kerk aan het ongeloof een kerkelijke en legitieme plaats.

Het zijn echter twee zaken als we spreken over de noodzaak van oprecht geloof èn over de veronderstelling van dat geloof. Men kan uit een zo geladen zin makkelijk besluiten tot een veronderstelling, dat het nu ook wel zo zal zijn. Zo ontstaat een Avondmaalspraktijk die zorgen baart, omdat er dan sprake is van het bekende automatisme. De noodzakelijkheid van oprecht geloof, uitgesproken door de Synode van 1950, nemen we over, maar niet de daaruit onbedoelde voortgekomen Avondmaalspraktijk in veel gemeenten.

De bepaling uit 1913 geeft toch iets meer inzake de praktijk van openbare geloofsbelijdenis: “De Synode spreekt uit dat op grond van Gods Woord en de belijdenisgeschriften van de kerk een levend geloof als eis van God bij het afleggen van geloofsbelijdenis gevorderd moet worden. Zij erkent nochtans dat de mens niet kan zien wat in het hart van de belijder voor God is, zodat de kerk niet meer van de belijder eist dan wat de mond belijdt, indien het leven zulks niet tegenspreekt” (art. 61 sub 2). De voorzichtige vraag mag wel gesteld worden of de bepaling sub 3 (1950, zie boven) na de uitspraak van 1913, wel strikt nodig was? Het zal gebeurd zijn in onze kerken, dat de wettige eis geleid heeft tot een veronderstelling van wat geëist wordt. Terecht is wel opgemerkt dat de veronderstelde wedergeboorte onder ons wordt gemeden en hoe is daar in het verleden tegen gewaarschuwd, terwijl het verondersteld geloof naderhand is binnengehaald. Onze jeugd zal ermee gebaat zijn als we hen niet overvragen. Erkennen we tenvolle in eerlijke zelfkennis de realiteit van de geestelijke worstelingen en de grote verlegenheid die veler deel is. Als deze worsteling er niet is (Ik ga, heer!), dan is dat zelfs een ernstig tekort.

De Synode van 1913 heeft duidelijk leiding gegeven temidden van de vele vragen die in het hart leven. Kerkeraden hebben de plicht om de catechisanten voor de eis van Godswege te stellen. Met minder kan het niet. Maar welke eis stellen we dan? De mate van het geloof kan verschillend onder woorden gebracht worden. Het is een teer werk om het geringste niet te beschadigen en tegelijk te wijzen op hetgeen er nog meer te verkrijgen is. Juist in de verlegenheid kan te meer het werk van de drieënige God worden voorgesteld zoals dat in de beloften van het evangelie naar voren komt. De eis te stellen betekent echter niet dat we jongeren op valse gronden het ware geloof aanpraten. Leg niemand haastig de handen op, zo klinkt het vermaan van de apostel Paulus.

Voor hen die zich herkennen in de persoonlijke vragen die zich hier voordoen, zou ik graag willen wijzen op de kamerling uit Hand. 8.

Op zijn vraag om gedoopt te worden stelt Filippus de nadrukkelijke eis: “Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd”. Plaats de jeugd (of de oudere, want het gaat hier feitelijk om ieder) voor deze strikte eis en de vragen vermenigvuldigen zich. Hoe kan ik weten van ganser harte te geloven? Filippus echter stelt deze eis niet, maar het is het bevel van de Heere Zelf. In plaats hiervan mag geen belijdenis der waarheid erkend worden. Het eigen hart kan zo verdeeld lijken; daarom bidden we om een verenigd hart. Had Filippus niet beter kunnen zeggen: de begeerte is genoeg, of een klein beginsel is ook al waar; hij had ook kunnen vragen naar de kennis der waarheid. Maar nee, hij hangt de ruif heel hoog en hij stelt strikte en bijna onmogelijke eisen. Het is eerlijk om het zo te doen.

Het antwoord daarentegen sluit niet aan op de vraag. De kamerling spreekt in zijn antwoord niet zozeer over de echtheid van zijn geloof, maar wel over de echtheid van de Godheid van Christus. Dus geen antwoord: ik geloof het echt wel. Hij gaat niet tenvolle in op de vraag van Filippus. Hij werpt zich in zijn verlegenheid op de Heere Jezus. In Hem ligt alle echtheid en volkomenheid gegeven. Hoewel dan de kamerling niet strikt antwoordt, neemt Filippus dit antwoord wel over.

Heel mooi komt dit ook uit in het gesprek tussen de Heere Jezus en de vader van de maanzieke knaap. De man vraagt: ““Zo Gij iets kunt....”. Daarop wijst de Heere deze man op zijn eigen geloof. “Zo gij kunt geloven, alle dingen zijn mogelijk degene die gelooft”. Er is ook een andere sprekende vertaling: “Wat betreft het -zo Gij iets kunt....-, alle dingen zijn mogelijk degene die gelooft (Mark. 9:23). De Heere stelt Zijn almacht buiten en boven elke discussie, maar hij stelt de man voor de noodzaak van het geloof in zijn hart. Dat persoonlijk geloof is onmisbaar. Zo zullen we het ook tegen de catechisanten mogen en moeten zeggen. Je kunt ervoor terugschrikken. Als het van jouw geloof moet afhangen, zeg je, dan is er geen hoop.

De man spreekt daarop de bekende woorden uit: “Ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp”. Geen sluitend antwoord op de gestelde vraag. De man erkent dat hij de toonhoogte van de vraag van Christus niet bereikt.

Toch, en dat is hier een groot wonder, de Heere aanvaardt dit antwoord. De Heere erkent zijn verdeelde hart toch als worstelend om en met het ware geloof. De Heere legt het accent niet op het ongeloof, maar hij heeft gehoord van het ware geloof, hoe bestreden ook. Is het zo ook bij ons? In dat licht kunnen we belijdenis doen. Er wordt een eerlijk antwoord gevraagd. Je kunt niet antwoorden op de belijdenisvragen in de kerk: Ja, maar... Alleen het jawoord (ik geloof) is wettig. Het ongeloof, hoe sterk ook, heerst niet over het geloof, maar het omgekeerde is het geval. “Zo ik niet had geloofd....”. Zo was het bij die vader, hoe is het bij ons?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 2006

Bewaar het pand | 12 Pagina's

OPENBARE BELIJDENIS (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 2006

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken