Bekijk het origineel

DR. H.F. KOHLBRUGGE OP DE KANSEL VAN VIANEN, 150 JAAR GELEDEN [3]

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

DR. H.F. KOHLBRUGGE OP DE KANSEL VAN VIANEN, 150 JAAR GELEDEN [3]

9 minuten leestijd

Kohlbrugge heeft zijn preek over Genesis 3 in maar liefst zeven punten verdeeld. Hij volgt bij de behandeling ervan de tekst van dat hoofdstuk op de voet. Hij wil niet anders dan Schriftuitlegger zijn. Als hij aan zijn preek begint, nodigt hij zijn hoorders uit om hun Bijbel maar voor zich te nemen, om zo de preek aan de hand van Schrift te kunnen volgen.

Zeven punten dus. Ik noem ze hier: 1) ’s mensen diepe val en moedwillige overtreding, 2) Gods opzoekende liefde, 3) Gods heilig gebod en ’s mensen onvermogen om het te verstaan, 4) het eeuwig Evangelie, 5) Gods vaderlijke kastijding, 6) het geloof en de gerechtigheid die aan het geloof wordt toegerekend en 7) het leven des geloofs, of hoe het gesteld is met de voortgezette heiliging en met de ware dankbaarheid.

ernst

Verreweg het uitvoerigst is Kohlbrugge in de ontvouwing van zijn eerste gedachte. Duidelijk is dat hij de ernst van ’s mensen diepe val op de harten van zijn hoorders wil binden. Kohlbrugge is een echte Evangeliedienaar. Het zal straks terdege in deze preek blijken. Maar hij laat het licht van Gods genade vooral oplichten tegen de onheilspellende achtergrond van de overtreding van de mens. Hij spreekt van redding en behoud en van Gods genadige belofte, maar dan wel in contrast met het duistere decor van wie de mens in zijn opstand tegen de Heere geworden is.

Kunnen we hierin iets van deze prediker leren? Wel, het is direct opvallend in deze preek dat Kohlbrugge niet zozeer over (!) de zonde preekt. Hij bespreekt haar niet in beschouwelijke zin. Maar hij préékt de zonde. Ik bedoel: hij brengt de werkelijkheid ervan bij de harten van zijn hoorders. Hij legt het gewicht ervan op hun zielen. Het gaat in deze preek niet zozeer over Adam en Eva, en over wat zij door de zondeval hebben teweeggebracht. Maar Kohlbrugge preekt Eva’s en Adams zonde als mijn zonde. Onontkoombaar! Hij begint zijn eerste punt van de preek als volgt: “Mijn geliefden. Laten wij de kennis en de leer van ’s mensen diepe val en moedwillige overtreding aannemen! De Heilige Geest vertelt geen geschiedenis enkel en alleen als geschiedenis, maar opdat wil er onze geschiedenis in lezen en herkennen. Ik moet u deze geschiedenis op het hart drukken. (...) Adams zonde is ons aller zonde” [17]. Kohlbrugge gaat zelfs zover dat hij zegt: wie zaligmakend overtuigd wordt van zijn zonden en zijn ellende, neemt Adam uit het paradijs en zet zichzelf erin. In het verloren paradijs namelijk. Dan is niet Adam een verlorene, maar dan ben ik het.

Nee, het gaat niet over een ander. Maar het gaat over mezelf. “Wat is het”, zo vraagt hij zijn gehoor, “dat gijzelt een overtreder zijt? Dat gij ter wille van één enkele genieting der zonde uw paradijs, uw rust, uw geluk, uw zogenaamde onschuld, ja God en de hemel prijsgeeft, prijsgegeven hebt?” [17]. Wat is toch de mens dwaas dat hij om een enkel handvol zondig genot zijn God en Schepper de rug toekeert en daarmee zich van zijn eigen zaligheid ontdoet. Al het goede dat God ons geeft, zegt Kohlbrugge, werpen we zomaar weg met het doel om de zonde te genieten. En we gaan met dat ‘genot’ voort totdat we er achter zijn gekomen in welk een afgrond van verderf we ons hebben gestort...

schuld

Dat brengt Kohlbrugge ertoe nog eens dieper in te gaan op de vraag naar het eigenlijke van het verderf dat zich sinds de zondeval in deze wereld openbaart. “Vanwaar komt dit, dat alle vlees zijn weg verdorven heeft en verderft; dat er uit onreinen geen reine voortkomt; dat wij allen in ongerechtigheid geboren en in zonde ontvangen zijn? Vanwaar deze zonde en ellende die, ofschoon duizendmaal met hete tranen beweend, ja plechtig afgezworen, zich onder de heiligste verrichtingen, ja zelfs op het sterfbed, niet laat uitdrijven?” Kohlbrugge citeert in dit verband een oud Lutherlied: “Midden in het leven zijn we door de dood omvangen” [18]. Zo erg is het! En niemand kan deze dood ontlopen. Nogmaals: hoe komt het toch?

Kohlbrugge noemt als eerste oorzaak onze schuld bij God. Als we goed luisteren naar ons geweten, horen we dat geweten het tot ons zeggen: “aan de straf ging een schuld vooraf!” “De zuigeling heeft erfschuld, het ontwikkelde kind schuld van ongehoorzaamheid en op latere leeftijd verschijnt de schuld, die uit de wortel van gierigheid en doodslag voortkomt, allerlei boosheid tegenover elkaar, haat en nijd, en de schuld van in het geheim gekoesterde onkuisheid, van laster en allerlei boze begeerten.” Al die openbare en verborgen zonden maken ons tot schuldenaar bij de Heere.

Het is zelfs nog erger. Onze schuld wordt niet alleen veroorzaakt door onze liefde tot zonde en onheiligheid. Maar, zo wijst Kohlbrugge ons aan, er is daarnaast ook nog “een afkeer van God, van Zijn zalige dienst en Zijn heerlijke Wet. (...) Hoe hardnekkig is het ongeloof en het wantrouwen jegens Hem, die Zijn Naam met bliksems in de wolken en op Golgotha aan een kruishout schrijft.”

Dat alles heeft de gevallen mens tot een schuldenaar bij de Heere gemaakt. Het is een schuld die bestraffing tot gevolg heeft. Want een verontschuldiging van onze kant is er niet. “Kan een mens ook tot God zeggen: waarom hebt Gij mij zo gemaakt? Zeer zeker niet. Wij allen weten wel beter. God heeft ons, de mens, goed en naar Zijn evenbeeld geschapen” [19]. Kohlbrugge weet maar al te goed dat er in het menselijke hart allerlei excuses opwellen. Hij geeft er een paar voorbeelden van. Tegelijkertijd waarschuwt hij ervoor. “Zoek de schuld niet bij God, wiens ogen te rein zijn dan dat Hij het kwade zou dulden en die ook door het kwade niet verzocht kan worden! Zoek de schuld niet in de stof, die zuiver en goed geformeerd uit de hand van de Schepper voortkwam.” Zoek de schuld dus niet buiten uzelf, noch in de Heere die u maakte, noch in de materie waaruit Hij u maakte. Maar zoek en vind de schuld van dat alles bij uzelf!

stand

Nodig is dus, aldus Kohlbrugge, dat ik erken dat ik schuldig sta tegenover de Heere. Dat ik de oorzaak ervan in mijn eigen opstandige en van God afgevallen leven zoek. Met andere woorden: dat ik kennis draag van mijn ellende.

Ooit schreef Kohlbrugge een boekje dat ‘Vragen en antwoorden tot opheldering en bevestiging van de Hei-delbergse Catechismus’ bevat. Naar aanleiding van zondag 3 treffen we het volgende aan: “Waarom vraagt de Catechismus naar de oorzaak uwer ellende? Opdat ik niet in de waan verkeerde, dat ik goed ben, maar dat het mijn hartstocht of zonde is, die mij zo verkeerd maakt; noch mij inbeeld dat ik weer goed ben, als ik mijn zonde of hartstocht overwonnen heb. Maar opdat ik geloof dat de schuld van mijn verdorvenheid bij mij ligt, dat ik in de grond verdorven ben en tot niets deug, omdat ik reeds in het paradijs, in Adam, God geheel losgelaten heb,om op eigen benen te staan. Uit een bedorven aard komt nooit goede vrucht voort. De geaardheid laat zich door geen kunst veranderen of uitdrijven. Ps. 51: 7.”

In zijn preek, althans in het begin ervan, zegt Kohlbrugge ongeveer hetzelfde. Maar hij zegt het hier op een wat andere manier. Telkens komen we bij hem de uitdrukking tegen dat de mens “zijn stand” moet kennen. Kohlbrugge zegt zelfs dat, als de mens in het paradijs zich op dat moment zijn “stand” had gerealiseerd, hij dan niet gevallen was. En na de zondeval is het opnieuw nodig om mijn stand te kennen, noodzakelijk namelijk om tot genade te komen.

Wat bedoelt hij? Wel, ik moet weten wie ik ben. Ik moet voor Gods aangezicht weten wie ik ben. Mijn standdat is mijn plaats voor de heilige God. Iemand als de tollenaar op het tempelplein, die weet zijn stand. Zijn lage en verre stand namelijk. Hij blijft achteraan staan. Omdat hij zijn ‘stand’ kent. Hij geeft zichzelf immers een naam: zondaar, dè zondaar... “Nog hangt bij ons alles daarvan af of wij onze stand die alleen van God, van Zijn Woord en gebod afhankelijk is, kennen. Opdat (...) wij uit Gods macht worden bewaard door het geloof” [20].

Door de zonde is de mens, zijn u en ik, van onze plaats afgegaan. Wat wilde de mens immers? Hij wilde als God zijn. Hij was niet tevreden met de plaats, de stand, die de Heere hem gegeven had. Daarom moet ik op mijn plek gebracht worden, naar mijn stand... Ook telkens weer opnieuw!

Ik geef tenslotte nog enkele gedeelten weer uit Kohlbrugge’s boekje De leer des heils waarin het over deze zelfde dingen gaat.

“8. Wat is ‘boos’? Wat niet op zijn plaats gebleven is, daar waar God het heeft gesteld.

13. Waartoe heeft God u geschapen? Opdat ik in de stand waarin Hij mij en alle dingen geplaatst heeft, mijzelf en het zichtbare beheers, zonder op iets acht te slaan dan op het Woord dat uit Zijn mond is uitgegaan.

17. Wat was daarvan het noodzakelijk gevolg (namelijk van de zondeval)? Doordat ik aldus mijn plaats verliet en het leven verloor dat ik in God had, ben ik onder de heerschappij van de duivel gekomen, die mij sedert die tijd met de prikkel van de dood verwondt en met de macht der zonde en der hel opgeeft.

18. Wat is ‘dood’ volgens Gen. 2: 17? Het zijn buiten de gemeenschap met Hem, in Wie al ons heil is.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 2006

Bewaar het pand | 12 Pagina's

DR. H.F. KOHLBRUGGE OP DE KANSEL VAN VIANEN, 150 JAAR GELEDEN [3]

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 2006

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken