Bekijk het origineel

NEONOMISME (2)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

NEONOMISME (2)

12 minuten leestijd

Gods bevel

We hebben gezien dat er stromingen zijn (geweest) die een onverbiddelijke eis tot geloof prediken. Hebben we hier met een dwaling te doen en waarom dan wel?

Het geloofscommando neemt het karakter van een dwaling aan, als gemeend wordt dat de mens zelf in eigen kracht in staat is te geloven. Het gebeurt ook, als het geloof wordt losgemaakt van andere Bijbelse zaken zoals wedergeboorte en bekering.

Maar, zo kunnen we vragen, de Heere Jezus eiste toch Zelf ook het geloof van Zijn hoorders?

Spreken ook de Dordtsche Leerregels niet van het bevel van bekering en geloof (II, 5)? Zeker, maar er wordt ook gesproken van het feit, dat de mens hiertoe onmachtig is (111,4,5). En er wordt aan toegevoegd dat er niettemin toch een mogelijkheid tot bekering en geloof is, welke gelegen is in de kracht van de Heilige Geest en door de bediening der verzoening.

Het verschil ligt dan hierin dat onze Belijdenis het vermogen tot geloof niet zoekt in de mens, maar in de genade Gods.

Hoe gaan we daar in de praktijk mee om?

Het kan voorkomen dat de eis tot bekering en geloof wel doorklinkt in de prediking, maar dat er tegelijk aan wordt toegevoegd dat de zondaar niet meer kan geloven. Als dit stelselmatig gebeurt, wordt het bevel tot geloof, zoals de Heere Jezus dat Zelf ook verwoord heeft, ontkracht. Het is absoluut niet dienstig om de onmacht van de zondaar telkens weer te noemen, want van nature is de rechtzinnige belijder uitstekend op de hoogte met het feit dat hij niet kan geloven. En dus bestaat het gevaar dat hij het bevel van de Heere naast zich neerlegt.

Het is wel te begrijpen dat predikers de onmacht van de mens heel duidelijk aangeven, omdat er mensen zijn die zeggen dat we het wel kunnen, omdat de Heere het eist. Anders zou Hij het niet eisen.

Gods Woord verklaart de mens ook onmachtig tot geloof, maar dan niet bedoeld als excuus.

Persoonlijk geloof ik dat we met klem de eis tot bekering en geloof op de gemeente moeten leggen. Alleen als dat gebeurt, kan het ongeloof tot schuld worden. Dat moet ook gebeuren. De Heere heeft er recht op, dat we Hem op Zijn Woord geloven en dat we ons wenden tot Christus. En als ik daartoe nu onbekwaam ben, dan ben ik heel diep gezonken. De eis tot geloof wekt dan in het hart van zondaren een verlegenheid en een besef van grote nood. Vanuit die doorleving van eigen nood en schuld, wil de Heere dan een uitweg tonen in de kracht van Zijn Geest. Wat dan bij mensen onmogelijk is, dat is mogelijk bij God. Hoed u er dan voor om u te verontschuldigen tegenover de Heere door u te beroepen op de ernst van uw doodstaat.

Ook onder ons wordt dus het bevel zeker ook gehoord, alleen leggen we de uitwerking daarvan niet in handen van de mens, maar we wijzen de onmachtige hoorder op de kracht van Gods genade in Christus.

Gods gave

Nu zijn er ook we! geweest, die allerlei neonomiaanse smetten hebben ontdekt in heel veel preken en verhandelingen van de zgn. oude schrijvers ( à Brakel, Witsius, van der Groe, Hellenbroek e.a.) en in hun spoor ook bij hen, die zich hun geestverwanten noemen. Genoemde predikers schilderden de weg tot Christus als een afsterven aan de wereld en de zonde en een diepgaande ontdekking aan eigen zonde en verlorenheid. Zij wisten ook van een hongeren dorsten naar de gerechtigheid, terwijl men de zekerheid en de vastheid nog mist.

Hoe komt men nu tot een beschuldiging van velen, die zo gepredikt hebben?

In het neonomianisme gaat het geloof en de eis daartoe gelden als een voorwaarde, waaraan de mens zelf moet voldoen. Hij wordt slechts gerechtvaardigd, als hij voldoet aan de voorwaarde van het geloof.

Men hoort dit voorwaardelijke ook in een gedachte als deze: wie niet aan zijn schuld is ontdekt, kan ook geen heerlijkheid zien in de Heere Jezus. Deze gedachte komt overeen met bijvoorbeeld Jeremia 3:13: “Alleen ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen de Heere, uw God, hebt overtreden.....”.

Of nemen we de bekende woorden uit Jesaja 55: “De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten en hij bekere zich tot de Heere, zo zal Hij Zich zijner ontfermen....”. In deze en talloos veel andere teksten wordt een bepaalde weg gewezen om te komen tot de vergeving der zonden.

Al heel snel zou men zo’n zin als een voorwaarde kunnen opvatten. Eerst ontdekking en bekering, en daarna de kennis van Christus. Denkend aan de bekende beloften, zou men kunnen menen dat de Heere Jezus alleen de vermoeiden en belasten roept en de anderen niet. Of dat de Heere in Jesaja 55 alleen de geestelijk dorstigen roept. IK denk ook aan teksten zoals in 1 Cor.11:31: Indien wij onszelf oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden. De Heere Jezus geeft het ook aan als Hij zegt: die gezond zijn hebben de Medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn.

Maar vergis u niet.

De Heere roept de einden der aarde, Hij roept dus alle mensen. De mensen (in het algemeen) worden geroepen tot bekering en geloof (DL. 1,3). Heel vaak vinden ter onderstreping hiervan het woord: een iegelijk (die door Mij ingaat, zal behouden worden). Paulus heeft zich in zijn prediking gericht tot allen die hem hoorden.

Hier wordt geen enkele voorwaarde gesteld.

Als we dan toch horen dat de Heere Zijn beloften menigmaal adresseert aan treurenden (Jes.57:18) en aan verdrukten en door onweders voortgedrevenen (Jes.54:11), enz. enz., dan hebben we daarin niet te doen met een voorwaarde die de mens moet vervullen, maar dan wordt daarin de weg aangewezen waarin mensen kunnen komen tot het geloof in Christus. Het is een voorwaarde, die de Heere Zelf wil en zal vervullen. Het is geen werk van mensen, maar een gave van God.

Misschien worstelt u zelf met deze dingen. U ziet uit naar meer ernst, naar een dringender zoeken van de Heere, naar een radicale uitwerking van de bekering, maar zolang u dit bij uzelf niet waarneemt en opmerkt, is Christus verre van u. Dat klemt temeer daar ook Gods Woord deze zaken als noodzakelijk voorstelt. Er zou veel meer ernst en dringend zoeken in ons hart gevonden moeten worden en we zouden meer een Godzoeker moeten zijn dan een hemelzoeker. Het wordt nog moeilijker als in een onderscheidenlijke preek allerlei schijnvormen van vroomheid worden ontdekt, zodat u voor uw gevoel niets overhoudt. Men kan dan aan een andere kant wel eens horen dat het allemaal zo niet nodig is, maar bedenk dan dat de Heere het Zelf is, Die deze dingen ontdekt. Wat u mist, hebt u nodig! We gaan een verkeerde kant op, als we genoegen gaan nemen met een aangepaste bevinding.

De grondfout ligt niet daarin dat u meent dat u met meer ernst en drang de Heere zou moeten zoeken en dat u verbroken zou moeten zijn onder uw schuld, want dat is inderdaad nodig. Maar de misvatting ligt daarin dat u meent dit ooit in eigen vermogen te kunnen bereiken. Het functioneert als een blokkade en een obstakel. Zolang u niet ernstiger denkt te zijn, houdt het u af van de weg tot Christus. U zoekt deze dingen buiten het geloof in Christus.

We leren dat er niets vanuit de mens kan dienen tot de zaligheid. Daarom zult u in eigen kracht nimmer de gestelde maat bereiken. Alles aan uw kant blijft onvolkomen en uit u kan geen vrucht komen tot in der eeuwigheid. Gelukkig is er Eén, Die dit alles geven kan. Hoe meer u de noodzaak gevoelt, des te meer zult u met Maria te vinden zijn aan de voeten van de Heere Jezus, Die onderwijst en Die u geven kan en wil, wat u zelf niet bereiken kunt.

Werp u dan voor Hem neer en raak de zoom van Zijn kleed aan. Die vrouw mocht dat niet eens doen, want ze was onrein, maar haar geloof drijft haar tot Christus. Dat is de weg die de Heere ook u voorschrijft. En als u Hem gevonden hebt, dan zal uw ernst en uw begeerte en uw drang toenemen, vanuit Hem. En ook dan blijft u een zondaar, vol gebrek, maar daardoor zult u ook dagelijks meer Hem blijven nodig hebben. Er staat in de Heidelberger dat men alles moet en kan vinden in Christus. Hij heeft alle voorwaarden voor de Zijnen vervuld en Hij wil deze ook uitwerken in hun hart.

Gods wil

Als u allerlei gestalten in uzelf zoekt, dan bent u nog onder de wet. U kunt dit alles alleen verkrijgen vanuit het evangelie, vanuit de verdienste van Christus.

Ik eindig met u enkele personen te schetsen die een bepaalde verhouding tot de wet stonden. Ze leefden alle drie in de tent van Abraham (Gal. 4:20-31).

Daar was allereerst Hagar, de dienstmaagd van Sara. Paulus ziet in de persoon van Hagar een uitbeelding van het werkverbond. Weliswaar had ze een zoon en Sara niet, maar ze bleef desondanks dienstbaar. Deze Hagar en haar zoon Ismaël staan model voor allen die leven buiten de volheid van Christus. Alles wat men voortbrengt, is en blijft een werk van de wet. En zo is het. Wat kan er veel zijn, terwijl het nog voortkomt vanuit de wet. We kunnen vruchtbaar zijn zoals Hagar en toch daarmee dienstbaar zijn en leven onder de wet. Zo zag de apostel Paulus het in zijn dagen gebeuren met het Jeruzalem, zoals hij de stad kende. De stad liep over van eigen vroomheid en men zocht het in de eigen werken, zoals bidden, vasten en aalmoezen geven, enz. Het was dienstbaar met haar kinderen. Zo kunnen we dat ook onder ons waarnemen. Hoeveel kerkgangers zijn er niet, die geen weet hebben van eigen onvruchtbaarheid en nood, terwijl men frank en vrij denkt te zijn. Aan geen ding gebrek. Men leeft als Hagar in stille gerustheid.

Daartegenover ziet Paulus dan Sara. Met haar staat het geheel anders. Ze is de vrije echtgenoot van Abraham. Deze vrijheid is een groot goed en verheft haar ver boven haar slavin. Zij is beeld van de kerk, die leeft uit de vrije genade van Christus, vrijgemaakt van de banden der wet. Er is alleen in haar leven een levensgroot gebrek: ze is onvruchtbaar, ze heeft geen kind. In één opzicht lijkt haar slavin haar meerdere te zijn. Toch zegt Gods Woord nu: Weest vrolijk, gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt! Vrolijk zijn in onvruchtbaarheid. Vrolijk zijn in het besef van uw grote gemis. U hebt dit en dat niet, u mist alle goeds en toch vrolijk? Ja, dat kan nu vanuit Christus. In Hem heeft een onvruchtbare kerk alles. Niet maar een wettische vruchtbaarheid, maar een evangelische vrijheid. Deze vrouw heeft echter vanuit Gods genade toch een kind, maar dan bestaande in de belofte, haar gegeven. Daar kan en mag ze rijk uit leven; op Gods tijd zal de Heere het goed maken.

Dan is daar Abraham, de vader aller gelovigen. We kijken naar hem op en vermoeden dat hij op grote geloofshoogten zich verheft.

Toch ligt dat anders. Hij leeft in het dilemma tussen deze beide vrouwen, die nu beiden ook een zoon hebben voortgebracht. In zijn hart houdt hij zowel van Ismaël alsook van Izak. Hij is beeld van zovelen die aarzelen tussen het een en het ander, tussen Christus en de wet. Ismaël was toch ook een kind van hem? Zou hij met hem moeten breken? Het was echter wel zo, dat deze Ismaël een zoon van berekening was. Zuiver een product van menselijke en eigengereide overwegingen. Dat had nooit gebeurd moeten zijn! Maar nu zit Abraham er geducht mee.

Sara stuurt aan op een radicale breuk met Hagar en haar zoon. Die eis was onverbiddelijk hard en leek onmenselijk wreed. Maar het moest wel omdat Ismaël, die ruim tien jaar ouder was, hoogmoedig neerkeek op Izak en hem dagelijks bespotte. Dat viel niet alleen bij Sara verkeerd maar het bracht dagelijks twist en ruzie in de tent.

Abraham kan er niet toe komen hen weg te zenden, zoals Sara wil. Hij leeft bij de wens: “Och, dat Ismaël leve voor Uw aangezicht”. Deze woorden had hij gezegd toen er nog geen Izak was. Hij toonde daarmee geen echte behoefte te hebben aan een Izak als de vervulling van Gods belofte. Hij had genoeg aan Ismaël. Zo kan een diep gelovig mensenkind genoeg hebben aan de eigen wettische werken en zo kan hij het stellen buiten de genade Gods in Christus. Daarom wilde hij ook geen gevolg geven aan de wens van Sara om de dienstmaagd uit te werpen. Maar Sara bleek gelijk te hebben in Gods ogen. We mogen en moeten niet blijven hinken op twee gedachten, tussen de dienstbaarheid en de vrijheid, tussen wet en evangelie, tussen Mozes en Christus.

Werp de dienstmaagd uit en haar zoon! Breek met alle eigen wegen en middelen en houd het alleen met de belofte, met Christus, met het genadeverbond in Hem.

Als Abraham daar nu nog last van had, wat zullen wij dan zeggen? Ook wij willen leven tussen Sinaï en Golgotha. We willen steunen zowel op onze eigen werken, zoals onze gebeden en bevindingen en ook tegelijk wel op Christus. Maar die beginselen gaan niet samen. Want zij die naar het vlees geboren zijn, vervolgen degenen die naar het vlees geboren zijn. Deze knoop is zwaar en sterk. Als deze wordt doorbroken, ligt de weg vrij voor het leven uit Christus.

Gelukkig als van ons gelden mag: “Zo dan, broeders, wij zijn niet kinderen der dienstmaagd, maar der vrije”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 2007

Bewaar het pand | 12 Pagina's

NEONOMISME (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 2007

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken