Bekijk het origineel

De praktijk der godzaligheid

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De praktijk der godzaligheid

9 minuten leestijd

De verzegeling met de Heilige Geest [10, slot]

De Heere gééft degenen die Hij zalig maakt wel alles op één en dezelfde dag. Maar Hij léért hen niet alles op diezelfde dag. Dat ongeveer was het laatste dat ik in mijn vorige artikel schreef. Het was naar aanleiding van de constatering hoe de Bijbel spreekt over de verzegeling met de Heilige Geest. Ze is het deel van allen die de verschijning van de Heere Jezus in onverderfelijkheid hebben lief-gekregen. Door het waarachtige geloof, dat God de Heilige Geest in hen werkte, zijn ze de Heere Jezus Christus ingelijfd en zo hebben ze deel gekregen aan Hem en aan al Zijn schatten en gaven. Het is door de genade van het ware geloof dat een Adamskind met Christus wordt verenigd, zodat hij in plaats van in de 1eAdam nu in de 2e Adam, in Christus, is en Christus in zijn hart woont door het geloof. De apostel Paulus gebruikt voor het wonder van deze heilsweldaad in zijn Romeinenbrief een heel aansprekend beeld. Het is het beeld van de tak die afgesneden wordt van de ene boom en ingebracht wordt in de andere boom. De gelovigen in Rome zijn “afgehouwen uit de olijfboom die van nature wild was” en ze zijn “tegen nature in de goede olijfboom ingeënt” [Rom. 11: 24]. Die goede boom is niemand anders dan Christus, zoals Matthew Henry in zijn commentaar zegt: “Dat is toepasselijk op een zaligmakende vereniging met Christus. Allen die door een levend geloof in Christus zijn ingeënt, hebben deel aan Hem, gelijk de takken deel hebben aan de wortel en ontvangen uit Zijn volheid.” Gewezen zou nog kunnen worden op wat de Heere Jezus zegt over de ware Wijnstok - dat is Hij Zelf immers - en de ranken die in Hem zijn en die door Hem vrucht dragen [Joh. 15]. Wie in de oude Adam is, en dat is ieder van nature, bezit alles wat van Adam is: de zonde en de vloek, de dood en het verderf. Maar wie door genade is overgegaan van de oude Adam in de nieuwe Adam, heeft deel aan alles wat van deze tweede Adam is: het leven en de gerechtigheid, zaligheid, vrede en troost. En zou tot die schatten en gaven ook niet de Geest van Christus behoren, die Hij voor de Zijnen heeft verworven?

Zou dan ook de verzegeling met die Geest niet het deel zijn van allen die Christus toebehoren? De vraag stellen, is haar beantwoorden. “Al het Mijne is het uwe...”, zo voegt deze Bruidegom Zijn bruid toe. “Want alles wat van u is, heb Ik op mij genomen.” Het is wat Luther noemt “de zalige ruil.”

ingeënt

Maar nu wil ik aanhaken bij wat ik eerder schreef. Wel is met de gave van het ware geloof alles geschonken. Christus is mij geschonken - en met Hem wijsheid van God, rechtvaardigheid, heiligmaking en volkomen verlossing. Het betreft de nieuwe staat van het geestelijke leven waarin ik me door genade ten opzichte van de Heere bevind. Maar de stand van dat nieuwe leven is een andere zaak. De tak van de oude, wilde olijfboom die in de goede olijfboom is ingeënt, moet nu ook de sappen uit die goede boom gaan trekken. O jazeker, ze behoort geheel tot die goede boom.

Maar nu moet ze ook vruchten gaan dragen uit de boom waartoe ze behoort. Nog eens wijs ik op Johannes 15. Let op wat de Heere Jezus zegt. “Gijlieden zijt nu rein om het woord dat Ik tot u gesproken heb.” Dat is (om het zo te zeggen) de staat van de rank die in de wijnstok is. Maar dan volgt een woord dat betrekking heeft op haar stand: “Blijft in Mij en Ik in u. Gelijkerwijs de rank geen vrucht kan dragen van zichzelf, zo zij niet in de wijnstok blijft, alzo ook gij niet, zo gij in Mij niet blijft.” Welnu, dat zou ik willen toepassen op de gave van de verzegeling met de Heilige Geest der belofte, zoals Paulus daarover spreekt in zijn brief aan de gemeente van Efeze. Die gave is in beginsel ieder geschonken die door het geloof Christus is ingelijfd. Want het is Zijn Geest door Welke de band met Hem is gelegd. En het is Zijn Geest die het geloof in mijn hart heeft gewerkt. Veel, ja alles wat nodig is, is in Christus ontvangen.

Maar nu gaat diezelfde Heilige Geest in de oefening van het leven des geloofs deze weldaden ook nader uitwerken en in de bewustheid van de ziel schenken en toepassen.

In Efeze 1 hebben we gelezen dat Gods kinderen van eeuwigheid zijn uitverkoren. Die weldaad is hun deel. Maar het is de Heilige Geest die daarop in meerdere of mindere mate ook zicht geven gaat. Als ze namelijk geloof leren oefenen op een beloftewoord als dit: “Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde. Daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid” [Jer. 31: 2],

In Efeze 1 hebben we ook gelezen dat Gods kinderen deel hebben aan de vergeving van hun misdaden, namelijk de verlossing door het bloed van Christus. Die weldaad is onmiskenbaar hun deel. Maar om daarvan de troost en daaruit de vrede te hebben, is het geloof nodig, het geloof dat Gods Geest oefenen doet. Namelijk dat “niet alleen anderen maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is” door de verdienste van Christus. Alleen in die weg ontvang ik vrede bij God vanwege de rechtvaardiging door het geloof.

de Geest getuigt

Zo geldt het ook de weldaad van de verzegeling met de Heilige Geest. Die is het deel van al Gods kinderen, zoals we zagen. Vanaf hetzelfde ogenblik als dat ze de toevlucht tot de gerechtigheid en de zaligheid van Christus namen. Gods beloften waaraan ze zich op hoop tegen hoop vastklampten, zijn verzegelde beloften, verzegeld door de Heilige Geest. Maar nu is het dezelfde Heilige Geest die in het nadere onderwijs dat Hij geven gaat, hierop meer en beter zicht gaat geven. Dan namelijk als Hij in de strijd en de nood van Gods kinderen ze zetten gaat op de vaste grond van Gods beloften. Als Gods Geest namelijk, om het met een woord van de apostel Paulus te zeggen, getuigen gaat in mijn hart: “Dezelve Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen Gods zijn” [Rom. 8: 16]. De Heilige Geest die de auteur van Gods Woord is, de Heilige Geest die het geloof in Gods Woord wekt, die Geest overtuigt ook van de waarheid en de betrouwbaarheid van dat Woord van God. Zo maakt Hij het getuigenis van Gods Woord tot een persoonlijk getuigenis in mijn hart en leven.

Anderen kunnen mij zeggen dat het Woord van de Heere waar is, maar dat heeft geen blijvende kracht. Ik kan proberen mezelf tot de hoogte van het vertrouwen op de Heere te brengen. Maar het zal me niet baten. Zeker niet wanneer ik me in geestelijke nood bevind. Als de boze mij influistert dat ik geen heil bij God heb. Of als ik, onder de indruk van de heiligheid van de Heere, mijn eigen schuld en zonde moet inleven. Als mijn geweten mij aanklaagt dat ik tegen al Gods geboden heb gezondigd en dat ik me van mijn onheiligheid niet verlossen kan. Dan helpt het getuigenis van mijn eigen geest niet. Maar als nu Gods Geest gaat medegetuigen. Als Hij het Evangeliewoord in Zijn goddelijke hand neemt en als Hij het mij te binnenbrengt. En zo de troostvolle toezeggingen van de Heere aan mijn hart verzegelen gaat, dan grijpt het geloof dat Woord aan. En dan is het voor mijn besef opnieuw een waarachtig Woord.

Een kracht van God tot zaligheid, waarop ik mij verlaten kan. Wie zal dan beschuldiging inbrengen tegen Gods uitverkorenen? Dan kunnen ze het wel doen: de duivel, mijn geweten, Gods eigen Wet zelfs, of wie dan ook. Maar dan geeft de Geest der verzegeling het mij openlijk te getuigen: “Dit weet ik, dat God met mij is. Wat zal de mens mij doen?!” En het loopt uit op de lofverheffing: “In God zal ik het Woord prijzen. In de Heere zal ik het Woord prijzen...”

Het is in dit verband dat ik een artikel uit de Dordtse Leerregels aanhaal, dat rijpe belijdenisgeschrift, juist als het om deze dingen gaat: “Van de bewaring der uitverkorenen tot de zaligheid en van de volharding der ware gelovigen in het geloof, kunnen de gelovigen zelf verzekerd zijn en ze zijn het ook, naar de mate van het geloof waarmee zij zekerlijk geloven, dat zij zijn en altijd blijven zullen ware en levende leden der Kerk, dat zij hebben vergeving der zonden en het eeuwige leven” [lll/IV, 9].

Opvallend: onze vaderen noemen in dit verband: de hoop op het eeuwige leven. Dat is geheel in overeenstemming met de woorden van de apostel Paulus als hij de Efeziërs vermaant: “... en bedroeft de Heilige Geest Gods niet, door welke gij verzegeld zijt tot de dag der verlossing” [4: 30]. Hier dus ook. Het perspectief is toekomstgericht. Het verzegelende werk van de Heilige Geest is een weldaad, geschonken in de gebrokenheid van dit tijdelijke leven. Maar uiteindelijk gericht op de heerlijkheid die zal volgen, de dag der verlossing.

Aan het begin van deze serie artikelen noemde ik enkele keren de naam van wijlen ds. I Kievit. Ik wil nu besluiten met het slot van zijn preek over Efeze 4: 30, ooit gepubliceerd in het Gereformeerd Weekblad. “De verlossing krijgt haar volle beslag in de jongste dag als de bazuin zal blazen. De dag bij uitnemendheid, de dag der verlossing. En dat alles door de Verlosser Jezus Christus. Daarom is de Geest ten zegel ook in de hemel als waarborg van die dag van Jezus’ toekomst, in de verloste schare. (...). Zo dan, vertroost elkander met deze woorden en sta er naar om uw roeping en verkiezing vast te maken. Kent gij deze geestelijke werkelijkheden niet? Haast u dan om uws levens wil. Want ook de mond van de put zal worden gesloten en zo zien wij in de toekomst: een nacht zonder dageraad en ... een dag zonder avond. Maranatha!”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 2007

Bewaar het pand | 12 Pagina's

De praktijk der godzaligheid

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 2007

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken