Bekijk het origineel

Tuchtoefening

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Tuchtoefening

Titus 3: 9-11

6 minuten leestijd

De doopplechtigheid wordt met dankzegging en bede afgesloten. In de bede aan de Heere wordt gevraagd voor het kind (de kinderen) om het heilrijke werk van de Heilige Geest. Er wordt gevraagd of dat in het kind mag komen en in het kind uitgewerkt mag worden. Met het einddoel om de drie-enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest eeuwig te loven en te prijzen. Het heil dus voor hart en leven. Tot in eeuwigheid. Dit alles gaat samen. In de Paulinische brieven wordt dit door Paulus ook duidelijk aangegeven. En dat niet alleen om als noodzakelijk en rijk voor leven en sterven maar ook in verband met de dwalingen.

Dwalingen
Die zijn er regelmatig. Luther heeft terecht gezegd: als de Heere een kerk sticht bouwt de satan een kapel. Zo zal het blijven tot het einde van de wereld. De Heere blijft werken en de satan doet het zijne. Buiten de kerk, maar ook in de kerk. Heel listig of zeer subtiel. Paulus schrijft: zijn listen zijn mij niet onbekend. Bij die wetenschap legt hij zich evenwel niet neer. Als een getrouwe dienaar waarschuwt hij. Vandaar zijn vermaningen en zijn aansporingen. Indringend schrijft hij. Maar wedersta de dwaze vragen en geslachtsrekeningen en twistingen en strijdingen over de wet want zij zijn onnut en ijdel (vs.9). Op de dwaalleraars en hun werk heeft Paulus reeds in het eerste hoofdstuk van de brief aan Titus gewezen. Het is opvallend daar hij in de brief aan Timotheüs er ook op heeft gewezen. Hij wijst op het gebeuren te Efeze. Hetzelfde vindt plaats op het eiland Kreta. Er moet gelet worden op wat de dwaalleraars doen en hoe zij bezig zijn. Zelfs meer. Want dwalen de gemeenteleden weten zich één met hen. We kunnen denken aan leden van joodse of heidense afkomst. Ze hebben elkaar gevonden. Voor hun eigen Bijbeluitleg. Denkend aan het Oude Testament gingen zij te rade bij het heidendom en het jodendom. Beide hadden in die tijd nogal invloed. Een verhaal uit de Griekse mythologie en uit de joodse denkwereld vloeiden in elkaar. Hun vondsten sloegen aan. Het gaf wat deining, maar ook invloed en twist. Met nadruk zegt Paulus en bijzonder tot Titus: ontwijk al de discussies. Er staat zelfs: draai je om. Alle gesprekken zijn nutteloos of hol. Dat wil niet zeggen dat een theologisch debat wordt veroordeeld. Maar wanneer Gods Woord als gezaghebbend, als richtsnoer voor hart en leven niet geldt is elk gesprek vruchteloos. Calvijn merkt op: als kerk moeten we altijd letten op de nuttigheid van het gesprek. Of het bijdraagt tot de godsvrucht. Tot opbouwing van het geloof en een heilig leven. Dit heeft nu voluit betekenis voor de agendavulling. Er wordt wat tijd verspild en geld opgemaakt. En maar klagen dat we het zo druk hebben. Waarmee? Praten! Maar daden?Paulus is nog niet aan het eind van zijn raadgeving. Heel sterk schrijft hij. Verwerp een ketterse mens na de eerste en tweede vermaning (vs. 10). In vers 11 is er toegevoegd: wetende dat de zodanige verkeerd is en zondigt zijnde bij zich zelven veroordeeld.

Daad
Paulus houdt Titus voor tegen hardnekkige dwaalgeesten op te treden. Ze worden door hem zelf ketters genoemd. Die kerkelijke censuur schijnt vandaag overbodig te zijn. Dat betekent niet wanneer dit het geval moet zijn dat we ons mogen verheugen. We zijn dan van het Bijbelse spoor af. Maar gaat het nu goed in kerkelijk Nederland? Is er voluit een leven naar Schrift, belijdenis en kerkorde? Of mag elke ambtsdrager en elke gemeente een eigen weg gaan? Hierbij denkend aan het feit dat we meer acht dienen te geven op wat bindt dan op wat scheidt. In onze eigen kerk schijnt het ook zeer goed te gaan. Wij zijn als broeders één, zo wordt gehoord en gelezen. Maar wat is de werkelijkheid? Zijn onze papieren vergeeld? Spreekt het verleden niet meer?

Ketter
Nu moeten we goed onthouden wie door Paulus een ketter wordt genoemd. Het is niet slechts een lastig lid. Het zijn leden die op scheurmakerij uit zijn. Eigen gedachten uitdragen die in strijd zijn met wat in de gemeente voor waar en zeker geldt. Men wil zo door houding en inzet gemeenten omturnen. Gemeenteleden wil men bewerken en zo groepsvorming creëren. Wanneer nu vermaningen niet baten, als herderlijke gesprekken geen enkele vrucht laten zien en zelfs het tegendeel blijkt, dan is uitsluiting een geboden zaak. De Heilige Schrift wijst erop. Het is kerkelijke plicht. Die uitsluiting mag niet gezien worden als uitwerping. De kerk mag nimmer daartoe overgaan. Gelijk ‘een lid schrappen’ mag niet voorkomen. Als het over uitsluiting gaat dan laat het lid het zelf daartoe komen. Paulus zegt het zelfs zo sterk: men heeft zichzelf er uitgedraaid. Uit de gemeenschap. Door volharding en geen inkeer of terugname heeft men zichzelf geëxcommuniceerd. Een ernstige situatie. Paulus schrijft aan het einde van vers 11: Hij, zij zondigt. Zijnde bij zichzelf veroordeeld. Men heeft zich buiten de gemeente geplaatst. Maar nog sterker buiten de gemeenschap met de Heere. Laat er nooit licht over gedacht worden. Laat men zich er nooit zomaar bij neerleggen. Komt er geen inkeer noch berouw dan staat men voor eeuwig buiten. Welk een werkelijkheid staat beschreven in het liturgisch formulier wat handelt over de ban, de afsnijding van de gemeente. Maar naar het Woord van de Heere is er ook een formulier wat wijst op de wederopneming van de afgesnedenen in de gemeente van Christus. Het eerste geeft droefheid in de gemeente. Het tweede blijdschap. Naar het Woord van de Heere spreekt de catechismus ook over de sleutel van de tucht in zondag 31. Het hanteren daarvan wordt beschreven. Echter dient onthouden te worden dat het bedienen van de sleutel van het Woord vooraf gaat. We kunnen zelfs spreken van Woordtucht.

Woordtucht
Daarbij is allereerst de predikant betrokken. Er wordt wat gevraagd in het omgaan met leden of buitenstaanders. Hun bloed wordt van de hand geëist. Er staat wat in het Woord. Elke predikant valt onder de Woordtucht. Studenten zongen in Apeldoorn: “Geen diadeem, geen kroon, geen troon, haalt bij de glans, de eer, de macht door God een sterveling toegedacht, gezant te zijn van Zijnen Zoon. Wie is tot deze last bekwaam, om in Zijn heil’ge Naam, aan God gewijd Zijn Woord vol majesteit, Zijn vloek, Zijn zegeningen de mensen aan te dringen? Wie is bereid! Ontbied ons Heer’ aan ’t hemelhof, doe Gij ons buigen in het stof, door Woord en Geest Uw stem verstaan, laat ons bij U ter schole gaan. Doe ’t ons verstaan, ja elken stond.” Als het goed is, is het meegegaan de pastorie in. Niet slechts als weten, maar ook beleven!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 2010

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Tuchtoefening

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 2010

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken