Bekijk het origineel

Theodorus van der Groe

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Theodorus van der Groe

9 minuten leestijd

Theodorus van der Groe is één van de bekendste vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie. Hij werd 3 september 1705 geboren te Zwammerdam. Zijn vader was daar predikant. Hij ging theologie studeren in Leiden. Nadat Van der Groe beroepbaar was gesteld, duurde het een half jaar voordat hij een beroep kreeg van de gemeente van Rijnsaterwoude. Op 19 maart 1730 werd hij daar als herder en leraar bevestigd. In de herfst van 1735 kwam hij op 30- jarige leeftijd krachtdadig tot bekering. Deze ommekeer was van grote invloed op de inhoud van zijn prediking. Hij ging diep afdalen in de doodstaat van de mens en ging peilen de arglistigheid van het verdorven hart. Het ging doorklinken in zijn prediking: alles schade en drek achten om de uitnemendheid van de kennis van Christus.

Ruim tien jaren heeft Theodorus van der Groe gearbeid in zijn eerste gemeente. Op 14 april 1740 kreeg hij een beroep van de gemeente van Kralingen. Hij kreeg vrijmoedigheid dit beroep aan te nemen. In zijn tweede gemeente zou hij tot aan zijn dood arbeiden. Op 10 juli werd hij tot predikant van Kralingen bevestigd met de woorden uit Openbaring 2:10 “Zijt getrouw tot den dood, en ik zal u geven de kroon des levens.” In Kralingen heeft Van der Groe 44 jaar mogen arbeiden. Van der Groe was een boetgezant op Sions muren. Begin juni 1784 werd Van der Groe ziek en hij stierf op 24 juni om de eeuwige rust in te gaan. Van der Groe heeft ondermeer ook 48 preken geschreven over het lijden van Christus uitgegeven in twee banden. In verband met de lijdenstijd willen wij hieruit wat doorgeven.

Lijdensprediking
We willen iets weergeven uit de preek over Matth. 27:45-47. ‘En van de zesde ure aan werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe. En omtrent de negende ure riep Jezus met een grote stem: ELI, ELI, LAMA SABACHTHANI? Dat is: Mijn God, Mijn God, waarom heb Gij Mij verlaten? En sommigen van die daar stonden, zulks horende zeiden: Deze roept Elia. In de inleiding vergelijkt Van der Groe het lijden van Christus met een klein beekje waaruit uiteindelijk een grote rivier voortkomt. Met name aan het einde van Zijn leven werd de volle zwaarte van de toorn van God gevoeld. Van der Groe schrijft het volgende: “Toen begonnen de rivieren van Zijn zwaar en bitter lijden vol te lopen; totdat eindelijk enige weinige uren, voor Zijn dood, de boorden en oevers het sterke en schuimende water van Zijn angsten en benauwdheden niet meer kunnende verzwelgen, zij aan alle kanten gelijker hand, met een vreselijk geweld over liepen en zich loosden in de wijde oceaan van ’s Vaders grondeloze barmhartigheid.” Van der Groe verdeelt de stof voor deze preek in drie stukken. In het eerste punt handelt hij over het wonder van de 3- urige duisternis. Het tweede punt is het kruiswoord en het derde punt is de zondige reactie van de Joden hierop.

De zon werd verduisterd, zie Lukas 23:45. Van der Groe zet uiteen dat het geen gewone zonsverduistering was. Het was niet zo dat de maan tussen de aarde en de zon schoof. Bij volle maan of korte tijd daarna kan dit immers niet. Zonsverduistering vindt alleen plaats bij nieuwe maan. Van der Groe schrijft over deze duisternis: “Wij houden dan deze duisternis voor een buitengewoon wonderwerk, dat God hier gedaan heeft bij gelegenheid van de kruisdood van Zijn Zoon, waarvan wij de wijze hoe en op welke het geschied is met ons eindig verstand niet kunnen begrijpen.” De zon werd verduisterd omdat de Heere der heerlijkheid ter dood werd gebracht. Het Jodendom werd met een zware en vreselijke duisternis verschrikt. Van der Groe houdt het erop dat de duisternis alleen het Joodse land of hooguit ook de naburige landen heeft getroffen. Men zou de woorden ‘de ganse aarde’ ook kunnen vertalen met ‘het ganse land’ waarmee dan het Joodse land zou worden aangegeven. Van der Groe verwijst dan naar Lukas 4:25 waar met dezelfde woorden in de grondtekst ook bedoeld wordt het land der joden. Van 12 uur tot 3 uur onze tijdrekening heeft de duisternis geduurd, drie volle uren. De zon werd verduisterd vanwege het plegen van gruwelijke werken der duisternis, Christus hing immers aan het kruis en zou sterven. De duisternis doet ook denken aan de buitenste duisternis waar wening zal zijn en knersing der tanden. De Zon der gerechtigheid zou drie dagen ondergaan. Christus leed de helse duisternis, angsten en benauwdheden en moest daarbij het licht van de zoon ook nog missen. De zon rouwt als het ware bij het sterven van de Zaligmaker.

Omtrent de negende ure riep Jezus uit:“ ELI, ELI, LAMA SABACHTHANI? Dat is: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? “ Christus was geheel van God Zijn Vader verlaten. De Vader ontmoette Hem als een vertoornd God. Het woord “Waarom” wil niet zeggen dat Jezus de reden van het verlaten zijn door Zijn Vader niet heeft geweten. Jezus wist dat Hij daar als Borg hing voor en in de plaats van Zijn uitverkorenen. Het woord “waarom” geeft de ontzaglijk grote zwaarte van Zijn lijden aan. Ook wordt in de aanduiding “Mijn God” de gehoorzaamheid van de Zaligmaker beluisterd. Hij is de gehoorzame Knecht. Hij is stil en geduldig als een Lam.

De Joden dreven de spot met de woorden van Jezus en maakten ervan dat Hij Elia zou roepen. In de aanduiding “Deze” klinkt verachting door. Ze maken ervan dat Jezus Elia om hulp zou roepen. Hij zou Elia roepen omhem van het kruis te verlossen. De joden geloofden dat met de komst van de Messias ook Elia zou komen. De duisternis had de verstokte harten van de Joden niet verbroken.

Het slot van de preek luidt: “Komt nu wederom allen te zamen herwaarts, zo velen er hier onder ons mochten zijn, die door een oprecht geloof deze Jezus en Zijn bitter lijden hebben omhelsd en aangenomen! Want wat zou ik hier veel tot zondaars, tot onbekeerden spreken, die hebben toch niets uitstaande met dit lijden? Voor dezulken is het om het even, of de Heere Jezus geleden heeft of niet. Maar komt gij, ware kinderen van God! Voor u heeft de Zoon van God zo zwaar geleden; en daarom, leert gijlieden uit het verhandelde nu nog tot een kort besluit, deze volgende plichtsbetrachtingen. Merkt en beschouwt hier uit deze grote overmaat van ’s Heilands lijden, de zwaarte van uw zonden! Denkt eens mijn broeders en zusters! Hoe groot moeten die zonden niet geweest zijn, daar Jezus zo hard, zo bloedig voor moest lijden! Laat dat in uw zielen een dodelijke haat verwekken tegen die zonden, om ze zo veel in u is, voortaan te haten en te vlieden. Werd hier bij Jezus’ kruisiging de zon drie uren lang geheel verduisterd; dat moet u menigmaal doen denken aan die eeuwige en rampzalige duisternis, die over u zeker eens zou hebben moeten komen, indien de Zoon van God, als Borg in uw plaats, hier in de donkerheid op Golgotha niet gehangen had; dat moet u steeds aanzetten alle werken der duisternis af te leggen, en de wapenen van het licht aan te doen.
Daartoe geven wij u diezelfde vermaning die de grote Paulus gaf aan de gelovigen van Efeze: eertijds waart gij duisternis maar nu zijt gij licht enz. Gij zijt nu uit de macht der duisternis verlost, en gij hebt allen tezamen uw aandeel gekregen aan de erve der heiligen in het licht; en daarom, dewijl gij dat schone erfdeel, dat licht nu hebt, zo wandelt ook altijd in hetzelve! Want toch naar het beeld, dat de hoogverlichte Johannes ons in zijn openbaringen, van de ware kerk en bruid, van de Heere Christus geeft, is zij een vrouw, bekleed met de zon, houdende de maan onder haar voeten, en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. Nog al meer; hoort gij uw Heiland hier zo bitter roepen Mijn God! Enz.. Denkt vrij dat zulks alleen daar vandaan kwam, omdat gij de Heere uw God eerst verlaten, en de Hoorn, de Rotssteen van al uw heil eerst vergeten hadt, en om te maken dat diezelfde God u nu wederom genadig voor Zijn kinderen aannam, om u nooit weer te verlaten. Laat dat dan steeds de stof van uw roem en blijdschap zijn, dat de Heere uw God u na dezen, in eeuwigheid niet meer verlaten zal. Nu Jezus van Zijn God en Vader dus droevig aan het kruis is verlaten geworden, nu zal tot u niet meer gezegd worden: de verlatene, maar Jehovahs lust is nu aan u, volgens Jesaja 62:4. Gij zijt nu als gegraveerd in beide Zijn handpalmen. Nu mogen wij u met de grote David vrij toeroepen, uit Psalm 37:25 ik heb de rechtvaardige nooit verlaten gezien noch zijn zaad zoekende brood. Draagt maar altijd zorg, dat gij de Heere uw God aan uw zijde ook nooit weer verlaat; dat gij de weg uwer vaderen in het heidendom nawandelt, die de Heere hun God verlieten. Neen, neen! Houdt u altijd nabij de Heere, dan zal Hij u, Zijn volk ook niet begeven; Hij zal Zijn erve niet verlaten. In wat duisternis naar ziel of naar lichaam gij dan ook komen moogt, zelfs als de avondstond van uw leven nu gevallen zijnde, de nacht des doods en der donkerheid op handen is; als uw levenszon, door het tussen schieten van de donkere doodsmaan, tot aan de jongste dag toe zal verduisteren; dan, dan zal de Zon der gerechtig
heid over u opgaan, en daar zal geen nacht zijn; totdat alle Gods kinderen eens, eeuw in eeuw uit, in het ongenaakbaar licht wandelen zullen, daar nimmer de allerminste duisternis meer zijn zal; in dat nieuwe Jeruzalem, dat geen zon noch maan behoeft, dewijl Gods glansrijke heerlijkheid hen zal verlichten; en het Lam, dat buiten Jeruzalem aan het kruis, in een dikke donkerheid hing, eeuwig hun Kaars zijn zal. Amen.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 2010

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Theodorus van der Groe

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 2010

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken