Bekijk het origineel

Het avondTnaalsformulieT [28]

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het avondTnaalsformulieT [28]

8 minuten leestijd

"Maar dit wordt ons, zeergeliefde broeders en zusters in de Heere, niet voorgehouden om de verslagen barten van de gelovigen kleinmoedig te maken... " Zo begint het gedeelte waar we nu naar willen luisteren. Er zijn scherpe woorden gebezigd tot dusver in het formulier. We zagen: een lange alinea is gewijd aan het aanwijzen van hen die zich met "ergerlijke zonden besmetweten" en die daarom vermaand worden "van de tafel des Heeren zich te onthouden." Die grote zonden zijn vervolgens met naam en toenaam genoemd. Aan het slot van dat uitvoerige gedeelte wordt zelfs de mogelijkheid geopperd dat "bun gericht en bun verdoemenis (...) des te zwaarder worde." Namelijk wanneer zij zich niet onthouden van de tafel die Christus alleen voor Zijn gelovigen heeft ingesteld.

Al met al - dat zijn geen geringe formuleringen. Ze leggen er de nadruk op dat de dienst van de Heere en zo ook van Zijn tafel heilig zijn. Immers, zo was al eerder geschreven: "wie op onwaardige wijze eet en drinkt aan bet avondmaal, die eet en drinkt zich een oordeel, omdat hij ofzij het lichaam des Heeren niet onderscheidt..."

Toen deze dingen onlangs op een belijdeniscatechisatie ter sprake kwamen, reageerde een van de jonge mensen: "Dominee , dan doe je er maar het veiligst aan om in je bank te blijven zitten. Want in dat geval doe je in ieder geval niet de zonde die het formulier noemt." Mijn antwoord: ja, dat zal zo zijn, maar ondertussen heeft de Heere Jezus deze inzetting wel aan Zijn kerk gegeven om haar getrouw te onderhouden. "Doet dat tot Mijn gedachtenis!" Gebiedende wijs! De catechismus wijst daar ook op: "... dat Christus mij en alle gelovigen tot Zijn gedachtenis van ditgebroken brood te eten en van deze drinkbeker te drinken bevolen heeft!" Het is een heilige plicht van ieder die de Heere vreest zich van de tafel des Heeren niet te onthouden.

Wie...?
De opsteller van het formulier, Olevianus, heeft aangevoeld dat er op dit punt heel wat innerlijke strijd in het hart van Gods kinderen zijn kan. Wie de lijst van zonden op zich laat inwerken en daarnaast iets kent van zijn eigen verdorven hart, wordt het bang te moede. Het is als met de discipelen die zojuist meemaakten dat een keurige en alleszins voorbeeldige jongeman bij de Heere Jezus kwam. Met geestelijke vragen. Hij knielde zelfs voor hun Meester neer. Het zag er in alle opzichten naar uit dat deze jonge man een volgeling van Jezus zou worden. Misschien zou hij wel aan hun discipelkring worden toegevoegd. Maar uiteindelijk vertrekt hij. De liefde tot zijn aardse goederen blijkt toch groter te zijn dan zijn betrokkenheid op de Heere Jezus. Wat een teleurstelling bij de jongeren. En het slaat bij hen naar binnen. "Maar wie kan dan zalig worden?!", zo vragen ze zich ontredderd af. Ze kenden iets van hun eigen boze hart. Ze wisten dat daarin veel meer verdorvenheid huisde dan wat ze bij deze rijke jongeling hadden ontdekt. "Wie kan dan zalig worden?!" Verslagenheid alom. Andere illustratie: Psalm 130. Daar horen we een man die uit de diepte tot de Heere roept. Wat is zijn probleem? Hij heeft zichzelf leren kennen. Hij spreekt in zijn gebed over "mijn ongerechtigheid..." In dat woord typeert hij zijn zondig bestaan als de neiging om af te buigen van de weg die hij moet gaan. Eigen wegen kiezen, in plaats van Gods weg te gaan - dat wordt hij bij zichzelf gewaar. Zo kent hij zichzelf. En het heeft hem in grote nood gebracht. Vandaar zijn roep tot God: "Wie zxtl voor U, o Heere, bestaan?!"

Het is in deze lijn, dat de vraag zich opdringt: maar wie kan dan aan de dis des Heeren? Wie mag er toetreden tot het avondmaal, gehoord het voorgaande in het formulier? Olevianus beseft dat er in het hart van Gods kinderen veel schroom en vrees kan zijn met het oog op de bediening van het heilig sacrament. Het is zo vreemd nog niet. Psalmisten en anderen kampten met soortgelijke vragen. "Wie zal verkeren, grote God, in Uwe tent? Wie zal wonen op de berg Uwerheiligheid?" [Psalm 15]. "Wie klimtde berg des Heeren op? Wie zal staan in de plaats Zijner heiligheid?" [Psalm 24]. Is de Heere niet een heilig God? En is Zijn dienst ook niet een dienst van heiligheid? Moet niet ieder erkennen dat hij alzo verdorven is dat hij gans onbekwaam is tot enig goed en geneigd tot alle kwaad, geneigd God en zijn naaste te haten?! Zal dan de conclusie niet moeten zijn dat ik zomaar niet kan deelnemen aan het heilig avondmaal? Omdat de wortels van al die kwade dingen die het formulier opsomt, ook in mijn eigen binnenste te vinden zijn? En zal ik dan niet bang zijn om door mijn (zo vrees ik) al te lichtvaardig toetreden mijn verdoemenis niet des te zwaarder te maken?

Niemand?
Op deze en dergelijke overwegingen, die Olevianus ongetwijfeld uit eigen ervaring kende, geeft hij in het formulier een antwoord. Het is een heel pastoraal antwoord. "Maar dit wordt ons, zeergeliefde broeders en zusters in de Heere, niet voorgehouden om de verslagen barten van de gelovigen kleinmoedig te ma ken..." En hij voegt eraan toe: "... alsofniemand tot het heilig avondmaal des Heeren gaan mocht dan degene die zonder zonde is..."

Direct al treft bij lezing van deze woorden de tere toon waarin ze zijn gesteld. "Zeer geliefde broe ders en zusters..." Oorspronkelijk luidde de aanspraak: "geliefde broeders", zoals ook de apostel Paulus in zijn aanspraak van de gemeenten zich beperkt tot de broeders. In hen zijn natuurlijk de zusters begrepen. Maar toen de synode van Dordrecht de tekst van de formulieren vaststelde, heeft ze hier een uitbreiding gegeven. Het werd: "zeer geliefde broeders en zusters", om heel dicht te komen bij de harten van hen die hier worden aangesproken. En die harten zijn verslagen har ten. Harten met verdriet en pijn, vanwege de zonden. Zojuist is aan deze harten de spiegel voorgehouden. De spiegel van de Wet van God. De Wet die hun heeft doen zien dat ze schuldig staan tegenover de heilige God. En de Heere is een God die de zonde niet ongestraft kan laten. In die harten leeft de belijdenis: "Ik ben bekommerd vanwege mijn zonden. Ik erken mijn schuld... En zou ik dan nu tot de tafel des Heeren kunnen gaan?"

Over verslagen harten lezen we ook in Handelingen 2. Als Petrus op de Pinksterdag in Jeruzalem heeft gesproken, dan is het effect van zijn woorden dat zijn hoorders "verslagen" werden in hun harten. Ze riepen dan ook tot Petrus en tot de andere apostelen: "Watzullen we doen, mannen broeders?" Wat is het antwoord dat ze ontvangen? Ze worden gewezen op de vergeving van zonden in de Naam van de Heere Jezus en ze ontvangen de belofte aangaande de Heilige Geest. Scherp was de preek van Petrus geweest. Hij had hun hun zonde aangewezen. Maar nu ze zich verslagen betonen, nu hun hart doorstoken is, nu blijkt dat het doel van zijn prediking niet is om hen af te wijzen, maar juist om hen tot Christus en Zijn zaligheid te brengen. Is juist ook niet met het oog daarop de Hei lige Geest uitgestort?!

Voor zondaren
Wel, zo ook wordt de dis des verbonds niet aangericht om verslagen en bezwaarde harten kleinmoedig, dat is mismoedig en twijfelmoedig, te maken. Maar juist om hen daar te brengen waar de Gastheer aan Zijn tafel moed geeft aan moedelozen en kracht aan krachtelozen. De tafel der gemeenschap wordt niet aangericht voor zondelozen mensen, voor heiligen in eigen oog. Maar bij uitstek voor hen die vanwege hun zonden en ellenden tot Hem zich ter genezing wenden. Kwam Hij juist niet voor hen? Het is naar Zijn eigen getuigenis. Als de Heere Jezus in het huis van Zacheiis is binnengegaan, nemen de godsdienstige leiders van het volk daar aanstoot aan. Hij eet en drinkt met zondaren, zo is hun verwijt. En Zacheiis is een echte zondaar. Maar de geschiedenis van Lukas 19 laat ons zien dat deze man ook iets kent van die verslagenheid van hart. Dat blijkt uit de vrucht van zijn leven. Hij belooft het ontvreemde vierdubbel terug te geven... En het is nu in zijn huis dat de Heere Jezus over Zichzelf getuigt: "De Zoon des mensen isgekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was." Dat mogen verloren mensen, dat mogen verslagen en bezwaarde harten bedenken.

Wat leert het ons? Er is geen andere Zaligmaker dan de Zaligmaker van zondaren. En er is geen rechtmatige plaats aan Zijn tafel dan de plaats voor zonda ren. Er is ook geen godvruchtige avondmaalsgang dan die van een zondaar...

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 2010

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Het avondTnaalsformulieT [28]

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 2010

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken