Bekijk het origineel

Het avondmaalsformulier [29]

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het avondmaalsformulier [29]

9 minuten leestijd

“Maar dit wordt ons, zeer geliefde broeders en zusters in de Heere, niet voorgehouden om de verslagen harten van de gelovigen kleinmoedig te maken, alsof niemand tot het Heilig Avondmaal des Heeren gaan mocht, dan die zonder enige zonde zou zijn…” Deze opbeurende woorden schrijft ons formulier nadat de tuchtwaardige zonden zijn opgesomd. Dieven en doodslagers, dronkaards en gierigaards zullen slechts na verootmoediging en bekering een plaats aan de tafel des Heeren mogen innemen. Want die tafel, door Christus ingesteld voor Zijn gelovigen, is heilig. En toch, hoe vreemd het ook klinkt, deze heilige dis wordt tegelijkertijd alleen voor zondaren opengesteld. Voor zondaren die in hun zonden en ellenden tot Hem zich ter genezing wenden [Psalm 147].

Komen om…
Wel, in dat spoor vervolgt het formulier nu zijn vertroostende woorden. Gelet op het gebruikte woordje ‘want’ is het een nadere verklaring van wat zojuist is gezegd. “Want wij komen niet tot dit Avondmaal om…” Ja, wat zijn eigenlijk de motieven om aan het Avondmaal te komen? Wat brengt mij aan de tafel? Wat belijd ik in mijn toetreden tot de tafel des Heeren? Laat het duidelijk zijn, het formulier bedoelt hier vooral te zeggen wat de door de Heere bedoelde motieven zijn. Wat de oprechte, de door de Heilige Geest geleerde drijfveren zijn. Wat de Heere Zelf met Zijn inzetting van dit sacrament bedoelt. En toch kan dat mijlenver verwijderd zijn van de motieven die avondmaalgangers in de praktijk hanteren.

Laten we het eens vergelijken met Gods gebod aan Israel om het heiligdom te bezoeken. We weten: het volk van het verbond was verplicht om op gezette tijden naar het huis van de Heere te gaan, oudtijds de tabernakel, later de tempel in Jeruzalem. “De gezette hoogtijden des Heeren, welke gijlieden uitroepen zult, zullen heilige samenroepingen zijn” [Lev. 23]. De Heere verplichtte het volk om daarheen te gaan. Hij had ook aangegeven hoe ze moesten gaan: in het besef van de heiligheid des Heeren en met een aan de Heere toegewijd hart. Trouwens, telkens als iemand zich naar het altaar begaf om verzoening voor begane zonden te doen, mocht dat niet anders dan met een boetvaardig en schuldbewust geweten. Maar hoe was de praktijk? De striemende woorden van de profeten zeggen ons genoeg. En de Heere Jezus achtte het nodig hun vermaan nog eens te herhalen: “Dit volk nadert tot Mij met hun mond en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van mij” [Matth. 15: 8]. Het was er dikwijls ver vandaan, zoals de Heere het had bedoeld. Heel aangrijpend in dit verband is wel de gelijkenis van de Heere Jezus betreffende die twee mannen die allebei naar de tempel gaan. Zie die ene eens. Aan de buitenkant is te zien dat hij zich bewust is van zijn heiligheid en van zijn voorbeeldige leven. Dat laat hij, aangekomen bij het altaar, ook weten. “Dank U, Heere, dat ik niet ben zoals de tollenaars en de zondaars. Ik vast tweemaal per week. Ik geef de tienden van alles wat ik bezit… Nog veel meer dan waartoe ik strikt genomen verplicht ben, doe ik…” Wat bedoelde deze man met zijn gaan naar de tempel? Om openlijk te betuigen dat hij in zichzelf rechtvaardig was. Nee, niet geheel volmaakt misschien, maar wel bijna. Hij rechtvaardigde zichzelf en had ten diepste het bloed der verzoening niet nodig. En die ander? Die rechtvaardigde God. Die viel de Heere toe. Getuige zijn ootmoedig smeekgebed: “O God, wees mij, de zondaar, genadig. Verzoen mijn zware schuld, die mij met schrik vervult. Bewijs mij Uw genade!” En die laatste was een tollenaar.

Verleiding
Me dunkt een aangrijpende illustratie bij de woorden van ons formulier. Wat bedoelt de Heere met Zijn roepen tot het sacrament? Wat is (om het met wijlen ds. N. de Jong te zeggen) de “God-verheerlijkende en ziele-zaligende” weg die de Heere wil? Welke is de godvruchtige gestalte in dezen? Deze: dat ik tot het Avondmaal niet kom om daarmee te betuigen dat ik in mezelf volkomen en rechtvaardig ben (zo deed de farizeeër), maar dat ik het leven buiten mezelf in het bloed van het offer zoek (zo deed de tollenaar). In de weg die de Heere Zelf heeft aangewezen. Het formulier zegt het nog anders: “..aangezien wij ons leven buiten onszelf in Jezus Christus zoeken.”

Ondertussen is die farizeeërsgestalte een regelrechte verleiding. Ook en juist voor Gods kinderen. Ik wil namelijk zo graag in mezelf opgebouwd worden. Ik, namelijk mijn oude mens, wil heel graag wat zijn, voor God en voor de mensen. Mijn vrome mens – en dat is dezelfde als mijn oude mens – wil zich laten gelden. En hij is bereid om daar zelfs het Avondmaal des Heeren voor te gebruiken. Ik moet er aan ontdekt worden dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont. En dat al mijn beste werken nog onvolkomen en met vuile zonden bevlekt zijn. Er is dus geen enkele reden om te pronken met mijn geestelijke staat en mijn vermeende stand. Ik moet leren wat Paulus had geleerd: alle dingen schade en drek achten, vergeleken met de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus.

Maar wie door genade dit nu heeft geleerd, voor hem of haar is het een uitnemende troost dat hij of zij voor de Heere ook niets behoeft mee te brengen. Ook niet naar Zijn tafel. Ik kom als het goed is tot Zijn dis op dezelfde wijze als ik in mijn vluchten tot Hem ging: “moede kom ik, arm en naakt, tot de God die zalig maakt…” Wat is het dan een buitengewoon voorrecht dat het niet hoeft. Dat ik tot het Avondmaal niet kom om daarmee iets te betuigen over mezelf – ook niet mijn zogenaamde armoede,waarmee ik heimelijk rijk kan zijn. Welnee, aan de vertroostingen van de Heere, al dan niet aan Zijn tafel, gaat geen enkele gestalte vooraf dan alleen mijn vleselijke wanstaltigheid! En daar is niets aan om mee te pronken. Daar hoef ik me alleen maar voor te schamen. En het te belijden. Zo heb ik ook geen reden om op een ander neer te zien. De farizeeërsgestalte zij verre van mij. In zijn boekje ‘De Leer des heils’ vraagt Kohlbrugge: “Wat heeft de Heere dus met het Avondmaal voor de Zijnen geschonken?” Hij geeft het volgende antwoord: “Een steeds te herhalen verbindingsmiddel voor de Zijnen in Hem, om van Zijn liefde zo vervuld te zijn, dat zij van zichzelf erkennen: ‘Ik ben een arme zondaar, maar heb kwijtschelding van mijn zonden in Zijn bloed. Ik ben des doods schuldig, heb echter eeuwig leven in Zijn leven door de Heilige Geest, en mijn broeder ginds is de verloste mijns Heeren.’ Zo werkt de Geest, opdat alle hoogmoed en eigenliefde in een iegelijk verbroken zij en wij eendrachtig, met terzijdestelling van alle eigenliefde, twist en gekijf, alzo gezind zijn jegens elkaar als onze Heere is jegens ons.”

Buiten onszelf
Het geheim van dit alles is: ik heb niets in mezelf te zoeken, omdat er in mijzelf ook niets te vinden is. Niets wat voor God of mensen reden tot verheffing geeft. Wat ik heb, dat heb ik buiten mezelf. Zo zegt ons formulier het ook heel treffend: “integendeel, aangezien wij ons leven buiten onszelf in Jezus Christus zoeken…” Ik erken van harte: Gods kinderen hebben bevindelijke kennis. Er is in hun leven heel wat gebeurd. Ze zijn door Gods genade wederom geboren. Dat betekent dat ze van dood levend gemaakt zijn. Hun verstand is krachtig door de Heilige Geest verlicht. Daardoor gingen ze onderscheiden de dingen die van de Geest van God zijn. De Heere heeft hun hart, dat gesloten is, geopend. Hun wil die boos was, heeft Hij veranderd, zodat zij in beginsel gingen willen wat God wil. Er is een nieuw levensbeginsel ontstaan. De richting van hun leven is 180 graden omgekeerd. Bekering en geloof zijn hun geschonken. En radicaal anders dan voorheen brengen ze nu als een goede boom goede vruchten voort. Jawel, het mag allemaal waar zijn. En het is ook waar. Want het is het werk van God in hun harten. Van binnen (en dientengevolge ook van buiten) zijn ze veranderd. Fundamenteel veranderd. Ze zijn niet alleen maar meer oude mens, ze zijn nu in Christus een nieuwe mens, hoewel de oude zich nog duchtig laat gelden. Er is veel veranderd dus. Het meest belangrijke is veranderd. En toch – ondanks dat alles hebben ze het nieuwe leven niet in (!) zichzelf maar buiten (!) zichzelf. En daar zoeken ze het ook. Dat nieuwe leven heeft namelijk een Naam. En dat is niet hun eigen naam, maar het is de Naam van hun lieve Heere en Zaligmaker, Jezus Christus. Als het over het nieuwe leven gaat, dan is hun belijdenis: “Jezus, leven van mijn leven, Jezus dood van mijne dood…” Dat nieuwe leven is immers geen ander leven dan wat op Pasen is geopenbaard. Het leven van Hem die heeft gezegd: “Ik leef en gij zult leven!”

Laten we daar volgende keer nog maar eens verder over nadenken, aan de hand van ons formulier. Met het oog daarop geef ik u nog een woord van Luther mee, een Paaswoord: “God heeft Christus op geen andere wijze aan de wereld kunnen geven, dan door Hem in het Woord te besluiten en alzo aan ieder voor te stellen. Anders was Christus voor Zichzelf alleen en ons onbekend gebleven. Dan was Hij alleen voor Zichzelf gestorven. Maar als het Woord ons Christus voordraagt, draagt het ons Hem voor, die dood, zonde en duivel overwonnen heeft. Daarom hij die dat aanneemt en vasthoudt, neemt Christus aan en houdt Hem vast en alzo verkrijgt hij door het Woord het voorrecht dat hij voor eeuwig van de dood verlost wordt. Zo is het een woord des levens, en is het waar dat gij die het houdt, de dood niet zult zien in eeuwigheid. Want Hij heeft gezegd: Ik leef en gij zult leven!”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 2010

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Het avondmaalsformulier [29]

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 2010

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken