Bekijk het origineel

Het avondmaalsformulier [34]

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het avondmaalsformulier [34]

9 minuten leestijd

Dit keer luisteren we voor het laatst naar het eerste grote gedeelte van het formulier. Dat deel dat de waarachtige zelfbeproeving bespreekt. De slotzinnen daarvan dus. De vorige keer al kwamen we de spanning op het spoor die in deze laatste regels begrepen is. Ze vormen eigenlijk een belijdenis. Een heel eerlijke belijdenis. De belijdenis van de vele gebreken en de ellendigheid die er nog in het leven van Gods kinderen te vinden zijn. Ze worden ook concreet genoemd: geen volkomen geloof, geen voldoende ijver in de dienst van de Heere, een dagelijkse strijd tegen de zwakheid van het geloof en tegen de boze lusten die woeden. Het is alles tekort. Want het kind des Heeren wil het graag zo anders. Wel, dat is toch om moedeloos van te worden. Je zou zeggen: wat er nog aan geloofals een nietig plantje over is, zal nu wel geheel wegkwijnen. De hete woestijnwind van aanvechting en bestrijding zal het helemaal verzengen. Er blijft niets van over. Wordt hier niet de situatie getekend die we in de Psalmen nogal eens tegen komen? Die spreken van klacht en moedeloosheid? "Want, o Heer', ik ben aan't zinken, en tot hinken ieder ogenblik gereed. (k Heb mijn smart en onvermogen steeds voor ogen, bij 't vooruitzicht van mijn leed..." [Psalm 38]. Is het zo? Dat zouden we misschien denken. Maar het is toch anders. Ja, de inhoud van deze belijdenis geeft de nare werkelijkheid weer. Maar boven die belijdenis van onvermo gen en tekort uit grijpt het geloof naar wat buiten haar is. Het is als met een klimopplant. Die vindt in zichzelfgeen vastheid en steun. Integendeel. Het is enkel zwak heid en teerheid dat haar kenmerkt. Maar daarom juist zoekt ze voortdurend naar wat buiten haar de nodige stut en steun biedt. De klimopplant vindt haar sterkte buiten zich. Datzelfde horen we nu ook in deze belijdenis van het avondmaalsformulier. Dat wordt aangegeven door het woordje nochtans, zoals we de vorige keer zagen: "nochtans (...) zullen wegewis en zeker zijn (...) dat God ons in genade aannemen zal en datHij ons deze bemelse spijze en drank waardig en deelacbtig maken zal." Als Gods kind het geloofbeoefent, hoe zwak en aangevochten het ook is, heeft het krediet op de Heere. Dan zingt het met David: "Ten dage als ik zal vrezen, zal ik op U vertrouwen. In God zal ik Zijn Woord prijzen. Ik vercrouw op God. Ik zal niet vrezen. (...) Dit weet ik, dat God met mij is!" [Psalm 56]. En dat geloofbeschaamt niet.

Geloof en bekering
Van deze gelovige worden ons in een tussenzin nog twee kenmerken gegeven. Of drie zelfs. Allereerst: "zulke gebreken zijn ons van harte leed." Vervolgens: "wij begeren tegen ons ongeloof te strijden." En tenslotte: "wij verlangen naar alle geboden van God te leven." Hier wordt ons het leven van het geloof getekend. In de verschillende aspecten die aan dat leven eigen zijn. Ik schrijf bewust: "het leven van het geloof." Want duidelijk is wel in deze zinnen dat hier het ware geloof wordt beoefend. Als je, niettegenstaande zonden en gebreken, schuld en tekort, nochtans als je hartelijke belijdenis getuigt dat je er nochtans op vertrouwt, dat de Heere je in genade aanneemt - dan is dat een activiteit van het door Gods Geest gewerkte geloof. Zonde zien en genade geloven. Midden in de dood Hggen, maar nochtans de Heere aangrijpen als het leven in de dood. Hem belijden als het allerhoogst en eeuwig goed. Tot Hem gaan met enkel nood en tekort. Maar weten dat Hij redt en helpt. Dat is onmiskenbaar de activiteit van het zaligmakende geloof. "Al bezwijkt mijn vlees en hart, zo is God de Rotssteen mijns harten en mijn Deel in eeuwigheid..." [Psalm 73]. Hier gaan geloven en hopen samen. Het leven des geloofs dus. Maar dat leven van het geloofis tegelijkertijd het leven van de bekering. Van de waarachtige bekering wel te verstaan. De bekering die de Heidelbergse Catechismus ons in zondag 33 uiceenzec. Bestaande in de afscerving van de oude mens en de opstanding van de nieuwe mens. Daar wil ik in die arcikel nog even wat uitvoeriger op wijzen. Vooral nu ons formulier daar in ditzelfde verband ook de nadruk op legt. Wat lees ik? Wei, dat Gods kind "begeert naar alle geboden van God te leven." En voorzover hem dac niet gelukt - het lukt hem ook niet! - is hem dat van harte leed. Is dat niet een levensechte weergave van wat het leven der bekering is? Ja, dat is een heel juiste weegave daarvan! Een bekeerde is niet een mens met de duimen achter zijn vestje. Omdat hij nu toch een status heeft bereikt die onaantastbaar en onvervreemdbaar is. Nee, een bekeerd mens is een leed-dragend mens. Leeddragend?Ja, omdat hij niet aan de standaard van de heilige God voldoet. En daarover draagt hij leed. Wat behoort tot die bekering? Onze catechismus zegt: "het is een hartelijk leedwezen dat wij God door onze zonde vertoornd hebben, en die zonden hoe langer hoe meer haten en ontvluchten" [HC, zondag 33]. Een leeddragend mens dus, maar tegelijkertijd ook een ijverig mens. IJverig in goede werken. Want tegelijkertijd toont hij in zijn leven wat datzelfde leerboek op een andere plaats leert: "een klein beginsel van de vereiste gehoorzaamheid, doch alzo dat zij met een ernstig voornemen niet alleen naar sommige, maar naar alle geboden van God beginnen te leven" [HC, zondag 44].

Geringste maat
Evenals vorige keer citeer ik nu iets van Ebenezer Erskine. Opnieuw uit zijn uitvoerige preek over De zekerheid van het geloof. Het fragment daaruit is als volgt. "Waaraan kan gezien worden dat bet geloof:, al is het er in zijn geringste en kleinste maat, werkelijk aanwezig is? Ik antwoord: Hoewel bet misschien niet Christus zal durven beschouwen als zijn Vriend, zal bet ware geloof, zelfs in zijn geringste maat, de zonde wel zien als zijn vijand. Van het ware geloof wordt gezegd dat het het hart reinigt. Het is een levend beginsel in de ziel, dat altijd gekant is tegen de opwellingen van de inwonende verdorvenheid. Het is waardat het soms door de overmacht van de zonde evenmin onderscheiden kan worden als een levende springader op de bodem van de bron, als bet water troebel geworden is. Maar zoals een levende springader dat doet, is het altijd bezig het vuil en de onzuiverheid te verdrijven tot het water weer helemaal helder is. Het kan zijn dat de ziel er zover vandaan is enige echte genade op te merken of een daadwerkelijk deel aan Christus, dat zij niets anders kan zien dan dat godloochening, vijandschap, ongeloof, onwetendheid, hoogmoed en soortgelijk ongedierte van de hel aan alle kanten rondkruipen. Toch zal op de bodem van het hart het levende beginsel van het geloof er tegelijkertijd tegenin werken en worstelen. De ene keer door zuchten ("Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?", Rom. 7: 24). De an dere keer door klachten ("Ongerechtigde dingen hadden de overhand over mij", Psalm 65: 4). Dan weer door naar de hemel op te zien om hulp ("Ik weet niet wat te doen, maar mijn ogen zijn op U", 2 Kron. 20: 12). Soms door te roepen tot de hemel ("Ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg", Jes. 38: 14). Soms door begeerten te uiten naar meer heiligheid ("Schep mij een rein hart", Psalm 51: 12). Aan zulke dingen kan waargenomen worden dat het geloof, zelfs in zijn zwakste trap of maat werkelijk aanwezig is."

Ik nam dit grote gedeelte uit Erskine's preek over, omdat dit de bevinding der heiligen is en ik zelf het niet helderder en bijbelser kan zeggen. Hier worden de bijbelse kenmerken van de ware gelovige in zijn weg van bekering aangewezen. Ter bemoediging. Maar ook ter toetsing. Zoals het goud niet anders dan door het hete vuur heen blijkt echt en onvervalst goud te zijn, zo zal echte genade blijken Gods werk te zijn door het vuur van de toetsing en beproeving heen. "Opdat de beproeving van uw geloof die veel kostelijker is dan van het goud dat vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof en eer en heerlijkheid in de openbaring van Jezus Christus" [1 Petr. 1: 7]. De geloofsverbondenheid aan de Heere blijkt uit de afkeer van de zonde. Dat doet vluchten naar de Heere, telkens weer, en dat doet ontvlieden, wegvluchten, van de zonde en haar boze begeerten.

Verwaardigd
En zo zorgt de Heere voor die schone en heilzame vrucht van het geloof: de verzekerdheid van het geloof. Die wil de Heere werken door de oefening van het geloof in Hem en door een nauwgezet leven voor Hem. Het avondmaalsformulier betuigt: "zo zullen wij gewis en zeker zijn (...) dat God ons in genade zal aannemen!" Zo klaar en helder is dit getuigenis. Het lijkt wel van alle twijfel gespeend. En zo is het ook. Weliswaar kan er veel twijfel en ongestadigheid zijn in het hart van de gelovige. Maar in het geloof zelf is er die twijfel niet. De gelovige kan twijfelen. Het geloof nimmer. Geloof en twijfel - die verdragen elkaar niet. Dat zijn aartsvijanden. Want als nu de Heere het tot mij zegt: "Ik ben uw heil alleen", zal ik het dan niet geloven? En als de Heere Christus het mij aan Zijn tafel betuigt: "Ik voor u... '\ zou ik het dan niet geloven? Ik zal het geloven. Omdat U het zegt, Heere. Er zijn tijden dat ik niet geloven kan. Ach, dat ongeloof. Maar er zijn ook tijden dat ik niet niet-geloven kan... Zo maakt de Heere Zijn hemelse spijze en drank - dat is: Zijn vlees en Zijn bloed - mij "waardig en deelachtig." Mij? Mij, onwaardige? "Ja u, onwaardig en nochtans verwaardigd. U, er buiten gezondigd en nochtans deelachtig. Door de genade die in Mij, Christus Jezus, is."


Recbte droefheid naar God moet nog dieper gaan schreien. Gods recht, eigen onwaardigheid, doodstaat en verdoemenis waardigheid moet de ziel onderwezen worden. Alleen dan kan zij ver staan} genieten en verheerlijken, wat de genade Gods betekent.

G. Wisse, De droefheid naar God

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 augustus 2010

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Het avondmaalsformulier [34]

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 augustus 2010

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken