Bekijk het origineel

Smytegelt: Een gereformeerde republiek?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Smytegelt: Een gereformeerde republiek?

6 minuten leestijd

Soms wordt er te rooskleurig over het verleden gedacht en gesproken. We zijn geneigd het verleden te idealiseren, het verleden mooier voor te stellen dan het was. Dit geldt ook de geschiedenis van ons vaderland. Het wordt soms zo voorgesteld alsof het in de 17e eeuw heel goed gesteld was met het kerkelijk leven, de gehoorzaamheid aan de Wet des Heeren en het dienen van de Heere. De republiek der zeven verenigde Nederlanden werd heilig en gereformeerd genoemd. Er waren er die beweerden dat het ongeoorloofd was zo’n heilig en gereformeerd land aan te vallen. Andere landen zouden aangevallen moeten worden. Maar de prakrijk was wel anders. Lezing van een preek van Bernardus Smytegelt gehouden in 1723 over Spreuken 29:1 “Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij” onderstreept dat. In deze preek doet Smytegelt niet mee aan het te rooskleurig voorstellen van het verleden van ons land en volk. Hij haalt het rampjaar 1672 aan. Toen werd de republiek in haar voortbestaan bedreigd omdat de aanval kwam van meerdere kanten.Ter overdenking wil ik u hier iets uit doorgeven:

Onjuiste beoordeling
Smytegelt geeft in zijn preek over Spreuken 29:1 een eerlijke beoordeling van de toestand van land en volk in 1672. Smytegelt bewierookt het verleden niet. Hij maakt het verleden niet mooier dan het is. Wie dat wel doet wordt door hem in het ongelijk gesteld, ook al is het een theoloog. De volgende passage uit zijn preek laat dit duidelijk zien: “In het jaar 1672 hebt gij een wonderlijk geval. Daar was een theoloog, die schreef een brief aan een officier die onder de koning van Frankrijk diende en tegen de Staten de wapens moest opheffen. Wel, mijn vriend, schreef hij, hoe durft gij de wapens opvatten tegen een republiek die zo heilig en zo gereformeerd is? Was het niet beter dat gij ze nederlegdet en ze opvattet tegen de koning van Frankrijk? De officier antwoordde: Mijnheer, indien die republiek zo heilig en zo gereformeerd was, gelijk gij zegt, zo zou ik u gelijk geven; maar die republiek is dat niet. Is die zo heilig en gereformeerd waar zoveel goddeloosheden in begaan worden, en toegelaten wordt al wat gij maar wilt? Is die republiek zo heilig en gereformeerd, waar zulke godslasterlijke en atheïstische boeken in gedrukt en toegelaten worden? Ik reken ze daar niet voor waar gij ze voor rekent. Is die gereformeerd waar men van geen reformatie horen mag? Gij vergist u, mijnheer: het is een republiek die waard is dat er de wapens tegen opgevat worden, omdat zij het tegen God doen. Dat moest die vreemdeling toen tegen een theoloog zeggen. En zei die man de waarheid niet?”

De nek verharden
In de tijd van Smytegelt was het er niet beter op geworden in de republiek der zeven verenigde Nederlanden. Smytegelt signaleert dat eerlijk in de al aangehaalde preek. De gevolgen van het verharden van de nek tekent hij eerlijk. Smytegelt spreekt over een passende schuldbelijdenis. “Wij moeten zeggen voor God: ach God, wij zijn de man die dikwijls bestraft is en de nek verhardt. Men mag ternauwernood van kwaad horen. Dan is het: Ach, het kan geen kwaad, dat zal wel gaan, en men moet zo maar voortgaan. Men wil van geen kwaad horen. Men begint te zeggen: God doet geen goed, noch doet Hij kwaad. Wat wordt het lichaam van de staat verbroken! Bekijk uw handel en alles eens, en al die onenigheden in landen en steden, die slechte naam onder elkander. Bekijk al dat vergaan van uw schepen eens. Is het ook niet dat vreemden uw kracht verteren? Is er geen neringloosheid? Moet gij niet zeggen dat gij verarmt in de overvloed? De groten schreeuwen: wij weten het niet meer te houden. De kleinen schreeuwen in hun huizen: wij kunnen het niet meer houden. En heeft dat alles niet met al te beduiden? Ik dacht dat het te zeggen was dat wij het niet langer houden kunnen. Dan zijn er geestelijke oordelen: dat wij worden overgegeven aan onszelf, aan zorgeloosheid, alle kommer is weg. Waar hoort gij eens schreeuwen: wat moeten wij doen om zalig te worden? O, gij zult verbroken worden, zodat er geen helen aan is, en als het te laat is, dan zult gij een man zoeken om in de bres te staan, maar gij zult hem niet vinden. Wij hebben enigszins ons gemoed en hart ontlast, en wij hopen het nog almeer te doen in het vervolg, als God ons zal laten leven.”

Bekering
Aan het slot van de preek roept Smytegelt op tot bekering. Smytegelt spoort aan het kwade te laten en het goede te doen. Deze oproep heeft nog niets van zijn betekenis verloren. Helaas roept de nieuwe regering die wij nu in Nederland hebben niet op tot bekering. Er zijn heel wat problemen in ons vaderland, maar de juiste remedie wordt niet voorgeschreven. Want er worden wel veel maatregelen voorgesteld om de problemen in ons land te bestrijden, maar de oproep terug te keren tot de Heere en Zijn Woord wordt gemist. Wat zou het goed zijn de ernstige woorden van Smytegelt ter harte te nemen: “Verkiest gij het nu zo voort te gaan, dan hebt gij niet lang te wachten of de verbreking zal er wezen. Maar kan het zijn, bekeert u. Wie weet, God mocht u nog genadig zijn. God is het niet schuldig ons nog iets goeds te doen. Laten wij u dan bidden: verhard toch uw hart niet, hoor naar de bestraffing en wordt wijs. Dan zoudt gij zeggen: al had ik nog zulk een zwaar hoofd, het verveelt mij niet, en God zou ons misschien nog herstellen. Hoewel Hij het rechtvaardig niet zou doen, wij geloven dat Hij het evenwel genadig doen zou. Dan zou de staat zo verlegen niet zijn waar zij geld halen zou. Als onze voorouders ons eens zagen, hoe zouden zij staan zien dat er dat in de harten was opgekomen en omgegaan! Als gij het alles kwijt zijt, zal het dan alles wel zijn? Als uw kinderen van u gescheurd zullen worden en als uw man en uw vrouw van u gescheurd zal worden? Wilt gij niet liever de zonden laten? Doe niet langer mee. Wilt gij dan niet gebeden worden? Men zou een bedelaar horen als hij ons zo bad. Ei, laat dan de zonden, doe het goede, wie weet, God mocht ons nog genadig zijn. Ik leg dan het stuk voor u neer, oordeel het zelf of het niet redelijk is God te gehoorzamen, en ik hoop dat God dit zegenen zal aan ons en aan ulieden, tot Zijn eer, om Zijn Zoons wil. Amen.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 2010

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Smytegelt: Een gereformeerde republiek?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 2010

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken