Bekijk het origineel

Jojakim-1

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Jojakim-1

Jeremia 26:20-23; Jeremia 36:1-10

9 minuten leestijd

De opvolger van Joahaz is diens oudere broer Eljakim, wiens naam door de Egyptische koning veranderd is in Jojakim. Door middel van die verandering van de naam liet Farao Necho weten dat hij het over de nieuwe koning van Juda te zeggen heeft en dat deze aan hem gehoorzaamheid verschuldigd is. Veel heeft Jojakim dan ook niet te zeggen. Hij is in feite niet meer dan een vazal van Egypte, een koning weliswaar, maar met weinig macht. Wie is hij in geestelijk opzicht? Lijkt hij op zijn vader Josia, die zo jong overleed en dient hij net als deze de Heere? Of vaart hij dezelfde koers als zijn broer Joahaz, die in de drie maanden die hij regeerde bewezen heeft dat hij het roer wilde omgooien en het goede werk van zijn vader ongedaan wilde maken? Men hoeft niet lang te wachten op het antwoord op deze vragen. Al snel is duidelijk dat Jojakim de weg van zijn broer inslaat en net als hij doet wat kwaad is in Gods ogen (2 Kon. 23:37; 2 Kron. 36:5). Jojakim verlaat de dienst des Heeren en dient de afgoden.

Uria gedood
Enkele episoden uit het leven en de regering van Jojakim worden vermeld in het boek van de profeet Jeremia. Het eerste is een betrekkelijk kort bericht over Jojakims houding tegenover Gods profeten en het tweede is een veel uitvoeriger bericht waaruit we de houding van Jojakim tegenover Gods Woord leren kennen. Het eerste vinden we in Jer. 26. Al bij het begin van Jojakims regering krijgt Jeremia van de Heere de opdracht om in de tempel te Jeruzalem een boodschap te brengen. Het is een woord van ernstige waarschuwing, waarin doorklinkt dat de Heere het oordeel zal brengen als het volk blijft weigeren om naar God te horen. Die prediking stuit op verzet, met name van de kant van de priesters en de (valse) profeten. Jeremia wordt gegrepen en zelfs met de dood bedreigd. Maar dan horen de vorsten, de prinsen ervan en zij grijpen in. Dankzij dat ingrijpen loopt het met Jeremia nog goed af. Zijn leven wordt gespaard en een van hen, Ahikam de zoon van Safan neemt Jeremia onder zijn bescherming. Van deze Safan horen we later nog wel meer. Jeremia blijft dus gespaard, maar intussen hebben we wel een indruk gekregen hoe de gesteldheid van vooral priesters en profeten is in die tijd. En zoals die geestelijke leiders over Gods profeten denken, denkt ook koning Jojakim over hen. Dat wordt ons in ditzelfde hoofdstuk vermeld als we hier ook lezen dat het met een andere profeet des Heeren heel anders is afgelopen dan met Jeremia en dat door toedoen van de koning. Een zekere Uria, de zoon van Semaja, afkomstig uit het dorp Kirjath-Jearim, verkondigt Gods Woord en hij doet dat geheel in overeenstemming met de wijze waarop Jeremia dat doet. Dat verdraagt de koning niet en in dit geval zijn de vorsten het met hem eens. Er worden pogingen gedaan om Uria in handen te krijgen en hem te doden. Dat lukt echter niet, want op de een of andere manier krijgt Uria kennis van deze plannen. Hij vlucht naar Egypte om daar veiligheid te zoeken. Op zich is het niet verkeerd van Uria dat hij vlucht. Een mens mag veiligheid zoeken om zo in leven te blijven. Maar het lijkt niet erg verstandig dat Uria uitgerekend naar Egypte vlucht. We zagen al eerder dat - zeker tijdens de eerste periode van zijn regering - Jojakim niet meer is dan een vazal van Egypte. Het is voor hem dan ook niet moeilijk om Uria uitgeleverd te krijgen. De mannen die Jojakim naar Egypte stuurt brengen Uria als gevangene met zich mee. Dan vindt alsnog de terechtstelling van deze man Gods plaats. Zonder te aarzelen ontdoet Jojakim zich van deze profeet, die hij te lastig vindt en wiens woord hij niet langer wil horen. Dat vindt Jojakim nog niet genoeg. Nadat Uria ter dood gebracht is, wordt zijn dode lichaam weggeworpen, zo zegt de Bijbel. In de graven van de kinderen des volks. Het wordt niet begraven daar waar Uria’s familie begraven is, maar ergens in een hoekje van de begraafplaats, waar ook de dode lichamen van de daklozen en de bedelaars worden weggedaan. Van enig eerbetoon is dus geen sprake. Jojakim heeft alleen maar minachting voor hem en dat komt ook uit in de manier waarop er met hem na zijn dood wordt omgegaan. Voor Gods knechten heeft Jojakim dus geen enkel respect. Hij wil het liefste van hen af. Hij wil immers ook van God af. Daarom stelt hij het absoluut niet op prijs als de Heere een boodschap aan hem laat brengen. Deze zoon van Josia, die het in het leven van zijn vader zo heel anders heeft gezien en die geweten heeft dat zijn vader grote eerbied had voor Gods Woord, werpt de God van zijn vader en Diens Woord verre van zich. Daarmee is Jojakim een voorloper van die velen, die in onze tijd een zelfde weg gaan: kinderen van godvrezende ouders, die zich van wat zij in hun jeugd gehoord en gezien hebben, radicaal afkeren. De korte geschiedenis van Uria laat ons ook weten dat de vorsten en prinsen - de politici - niet erg consistent zijn. De ene profeet, Jeremia, nemen ze in bescherming en inzake een andere profeet zijn ze het helemaal eens met de koning. Wat is dat voor wisselvalligheid? Menen ze het dan wel echt als het om Jeremia gaat? Zijn boodschap en die van Uria stemmen toch helemaal overeen? Welke motieven geven bij hen de doorslag? Dubbelhartige mannen zijn ze en dus onbetrouwbaar. Jeremia moet het dan ook maar niet van hen verwachten. Dit keer hebben ze zijn kant gekozen, maar wat ze een volgende keer zullen doen is helemaal nog niet zeker. Gelukkig voor Jeremia dat hij een andere Toevlucht kent. Die heeft hij hard nodig in zijn lang niet gemakkelijke leven, waarin de Heere hem een zware taak heeft gegeven.

De boekrol geschreven
De tweede gebeurtenis in het leven van Jojakim, die ons inzicht geeft in wie en wat deze koning is, vinden we uitvoerig beschreven in het boek van Jeremia, hoofdstuk 36. Jojakim is dan al vier jaar aan de regering. In die tijd heeft de H e e r^ aan de profeet Jeremia opgedragen de door hem uitgesproken profetieën op een rol te schrijven. Men kende in die tijd nog niet het boek, zoals wij dat kennen. Wie iets wilde opschrijven dat bedoeld was om bewaard te blijven deed dat op een rol, die op- en afgerold kon worden. Jeremia kreeg ook te horen waarom hij dit moest doen. Wat God in het verleden door middel van Jeremia gezegd had moet nog een keer gezegd worden. De rol moet namelijk worden voorgelezen ten aanhoren van het volk. Ieder moet duidelijk weten wat er zal gaan gebeuren als er geen bekering plaats heeft. En die bekering is juist ^ datgene wat de Heere graag zou zien gebeuren. Er zijn veel overtredingen begaan en de schuld is geweldig groot, maar de Heere is bereid alles te vergeven. Alleen, dat kan Hij pas doen als er bij het volk behoefte aan bestaat. Dat wil zeggen als men de zonde gaat inzien en belijden en om vergeving gaat vragen. Als ze zich bekeren. Met die bekering als doel laat de Heere die rol schrijven en straks voorlezen. Jeremia heeft de opdracht uitgevoerd, met Baruch als schrijver. De rol is klaar. Dan breekt de dag aan die door het volk als een vastendag is bestemd. Niet door de koning. Die was er niet voor in de stemming. De geschiedenis die voor ons ligt wekt sterk het vermoeden dat hij het met die vastendag ook helemaal niet eens was en er mogelijk door geïrriteerd was. Dat is te begrijpen want hij had er geen enkele behoefte aan om zich voor de Heere te verootmoedigen, zoals dat op een vastendag behoort te gebeuren. Op zo’n dag worden de zonden beleden en als dat met ernst gebeurt laat men er zelfs het eten voor staan. Maar zoiets is aan Jojakim niet besteed. Jeremia geeft aan zijn trouwe dienaar Baruch opdracht om uitgerekend op die vastendag naar de tempel te gaan en uit de rol voor te lezen. Er zullen op die dag veel mensen naar de tempel komen. Velen zullen op zo’n dag van verootmoediging min of meer in de '■miste stemming verkeren om de IBoeteprediking van Jeremia aan te horen. Jeremia herhaalt aan Baruch wat de Heere tot hem gezegd heeft over de hoop dat er eindelijk eens bekering zal komen. Dat is ook de hoop van Jeremia. Waarom Jeremia niet zelf de rol gaat voorlezen? Hij is ‘opgehouden’, zo zegt hij. Hij kan niet naar de tempel gaan. Is hem dat verboden? Heeft de Heere het hem verboden? Is hij misschien volgens de bepalingen van de wet van Mozes onrein? Jeremia zal zeker wel een wettige reden hebben. Het is niet omdat hij bang is om zich in het openbaar te vertonen. Baruch zoekt geen uitvluchten. Hij doet wat hem is opgedragen en in de tempel zoekt hij een geschikte plek in een van de kamers daar. van waaruit hij zoveel mogelijk mensen denkt te kunnen bereiken. En hij leest en leest, de ene profetie na de andere. Met de nadruk vooral op wat de koning van Babel zal doen als hij Jeruzalem komt verwoesten als Gods straf op de zonden van het volk (vers 29). Dat vooral moet het volk weten: God laat de zonde niet onbestraft. Laat dat goed tot hen doordringen opdat ‘hun smeking voor des Heeren aangezicht zal neervallen’ (vers 7) en zij zo ook zelf als boetelingen voor God zullen buigen. De Heere heeft ook door middel van Jeremia meer dan eens vriendelijk genodigd en het volk bijna gesmeekt om zich te bekeren. Maar de tijd dat de Heere het zo deed lijkt voorbij te zijn. Het enige motief in de oproep tot bekering is de dreiging van het komende oordeel. Maar toch, het is ook nu nog genadetijd. De deur staat nog open, ook al klinkt het Woord alleen nog in de zware tonen van ‘Wij dan wetende de schrik des Heeren bewegen de mensen tot het geloof’ (2 Cor. 5:11).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 2010

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Jojakim-1

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 2010

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken