Bekijk het origineel

Het avondmaalsformulier [42]

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het avondmaalsformulier [42]

10 minuten leestijd

Ons formulier zingt een loflied op de Zaligmaker van Gods kerk. Veel aandacht wordt er in dat ‘lied’ gegeven aan de diepe lijdensweg van de Heere Jezus. Daarin vindt deze ‘zanger’ roem. Het is een lied dat klinkt aan de tafel der gemeenschap. De melodie is die van Psalm 116: “Ik zal bij de kelk des heils Zijn Naam vermelden en roepen Hem met blijde erkentenis aan.” Heeft Christus het sacrament ook niet ingesteld ter gedachtenis aan en lofprijzing van Zijn bittere lijden en sterven? Daarin vindt de kerk des Heeren haar zoete troost. Het lijden van de Zaligmaker heeft namelijk voor haar het leven en de zaligheid verworven.

De vorige keer hebben we al naar enkele strofen van dat ‘lied’ geluisterd. Toen constateerden we dat elke fase van Jezus’ lijdensweg een eigen geestelijk profijt geeft. Zo lazen we het in het formulier. We kwamen dat op het spoor door het telkens terugkerende woordje ‘opdat’. De Heere Jezus werd in de hof gebonden, “opdat Hij ons zou ontbinden.” Hij heeft ontelbare smaadheden geleden, “opdat wij nimmer te schande zouden worden.” Hij is onschuldig ter dood veroordeeld, “opdat wij voor het gericht van God zouden worden vrijgesproken.” Is dat geen loflied van de Sionieten waard? We luisteren nu verder. De Heere Christus heeft “Zijn gezegend lichaam aan het kruis laten nagelen, opdat Hij het handschrift van onze zonde daaraan zou hechten.” Hier dus ook ditzelfde ‘opdat…’

Handschrift
De Heere Jezus gaf Zijn lichaam gewillig over om gekruisigd te worden. Dat was geen onmacht van Hem. Hij had Zijn duizenden engelen kunnen gebieden, om Hem te ontzetten uit de macht van Pilatus en diens wrede soldaten. Trouwens, Hij die de macht heeft in hemel en op aarde, had daarvoor zelfs de inzet van Zijn engel-strijders helemaal niet nodig. Toen enkele jaren daarvóór de mensen van Nazareth dachten dat ze Hem in hun macht hadden en ze hem van de steilte wilden neerwerpen, verlamde Hij hun kracht, zodat Hij zonder moeite wegkwam. Maar Hij, door het midden van hen doorgegaan zijnde, ging weg [Lukas 4: 30]. Zo had Jezus het opnieuw kunnen doen. Maar Hij deed het niet. Hij liet Zich vastgrijpen en ruw aan het houten kruis vastspijkeren. Aan handen en aan voeten. Zoals Hij Zich enkele uren daarvoor even gewillig had laten arresteren door de soldaten van de Romeinen en de knechten van het Sanhedrin, die waren gekomen met zwaarden en met stokken. Maar Hij was hen voor. “Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen, Mijn discipelen, heengaan.” Hieruit blijkt dat Zijn overgave een borgtochtelijke overgave was. Christus Jezus, Hij heeft “Zijn gezegend lichaam aan het kruis laten nagelen, opdat…” Het was niet zonder doel. Het was een doelgerichte overgave. Niet met het oog op Zichzelf, maar gericht op het heil van de Zijnen. “…opdat Hij het handschrift van onze zonde daaraan zou hechten.”

Deze laatste zinsnede herinnert aan een woord van de apostel Paulus aan de gemeente van Kolosse. Ik citeer de verzen 13 en 14 van hoofdstuk 2. De Kolossenzen hebben een grote weldaad ontvangen: “Hij heeft u, toen gij dood waart in de misdaden en in de voorhuid van uw vlees, mede levend gemaakt met Hem, al uw misdaden u vergevende; uitgewist hebbende het handschrift dat tegen ons was – in inzettingen bestaande – hetwelk enigerwijze tegen ons was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende…” Centraal in dit apostolische woord staat dat merkwaardige woord ‘handschrift’. Onze Statenvertalers hebben het Griekse woord letterlijk vertaald: hand-schrift. Het had ook vertaald kunnen worden met ‘manu-script’, een met de hand geschreven document. Een handschrift, een document “dat tegen ons getuigt…” Dus een geschrift dat mij aanklaagt, dat mij in gebreke stelt, dat mij m’n tekorten laat zien. Anders gezegd: een document dat mij m’n ellende laat kennen; dat mij m’n zonde en ellende recht en grondig wil doen kennen… Het zal duidelijk zijn. Wat is dat geschrift? “Waaruit kent gij uw ellende? Uit de Wet van God!” Dat is dan ook het antwoord. Dat handschrift dat tegen mij is, dat tegen mij getuigt, dat is niets minder dan Gods eigen Wet. Daar wijst het vervolg ook op: “in inzettingen bestaande…”

Dat handschrift waarvan in dit woord van Paulus sprake is, is een heerlijke Wet, een volmaakte Wet! Het zou de mens een lust moeten zijn om in de weg daarvan te leven. Ja, want dat is pas eigenlijk het echte leven. Zoals Adam en Eva in het paradijs het echte leven kenden! En zoals het verlies daarvan niet het leven maar de dood is! De Wet van de Heere, die rechtvaardig is en heilig en goed. Maar helaas, onze verhouding tot die Wet is door de zonde helemaal verstoord. En daarom: dat handschrift, die heilige en volmaakte Wet, is nu een en al aanklacht tegen ons geworden! Niet vanwege de Wet. Die is in zichzelf nog even volmaakt. Maar vanwege ons. Een aanklacht, omdat wij er niet aan voldoen. Omdat wij overtreders zijn van al Gods geboden! We zijn vleselijk in plaats van geestelijk. We zijn onder de zonde verkocht in plaats van de Heere aan te hangen en Hem lief te hebben!

Schuldbrief
Nu staat de Wet van God beschuldigend tegenover ons. Tegenover ieder van ons! Dat handschrift, dat is een schuldbrief geworden. Zo’n deurwaardersbrief, waarin je schuld concreet genoemd wordt. En waarin je dringend vermaand wordt die schuld te betalen! Binnen korte termijn en tot de laatste cent toe! Een schuldbrief... “Betaal me wat u schuldig bent!” Want u staat in het krijt bij de heilige God! En wat zegt dan die heilige Wet? Ze veroordeelt ieder, met vlijmscherpe woorden. Ze vervloekt ieder die niet blijft in wat geschreven is in het boek der Wet, om dat te doen!

Maar wat lees ik nu in het avondmaalsformulier? De Heere Jezus heeft “Zijn gezegend lichaam aan het kruis laten nagelen, opdat Hij het handschrift der zonde daaraan zou hechten…” Wat is er gebeurd op Golgotha? Daar kwam de heilige God met Zijn Wet op Christus aan. Het handschrift der zonde was daar tegen Hem! De heilige en zuivere Wet van de Heere, die gehandhaafd moet worden. De Wet die een ieder de vloek van de Heere aanzegt wie niet geheel overeenkomstig die Wet is! Op Golgotha werd dat handschrift Hem gepresenteerd. Het was voor de Heere Jezus ook een schuldbrief. Want Hij was, hoewel Hij onschuldig was, tot zonde gemaakt. De Heere had alle ongerechtigheden van Zijn volk op Hem doen aanlopen! Daar werd Hem dat handschrift voorgehouden! En toen moest Hij vergaan! De Joden hadden het al geroepen: “Wij hebben een Wet, en naar deze Wet moet Hij sterven...!” Ze hadden gelijk. Nee, zelf wisten ze niet wat ze riepen. En toch was het waar! De schuldbrief werd Hem bezorgd, en Hij aanvaardde hem. Zo ging de Wet van de heilige God richtend over Zijn leven. Zodat Zijn Vader Hem verlaten ging, toen Hij hing aan het vloekhout van het kruis, in diepe duisternis. Toen Hij het roepen ging: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten...?”

Eerder dan dat de Heere de zonden ongestraft liet blijven, heeft Hij ze bezocht aan Zijn eigen lieve Zoon. De Vader heeft Zijn Zoon niet ontzien. Golgotha zegt: de heilige God neemt Zijn heilige Wet serieus. Hij handhaaft hem. Hij doet er niets van af! Geen tittel & geen jota. Niets! Hij spaart zelfs Zijn eigen Zoon niet!

Schuldbekentenis
Maar - hoe zal de heilige God dan mij sparen? Die schuldbrief geldt ook mij! Als de Heere zelfs Zijn eigen Zoon niet spaart, hoe zal een zondig mens als ik dan gespaard worden? Voor het antwoord op die vraag moeten we op Golgotha zijn. Want daar is het gebeurd. Voor al Gods kinderen. Er ligt een diepe waarheid in de belijdenis van Kohlbrugge, toen hem gevraagd werd naar het tijdstip en de plaats van zijn bekering. Hij gaf maar een kort antwoord: “Dat is op Golgotha gebeurd!” Daar vond het beslissende plaats. Al het andere is vrucht van dat grote heilsgebeuren op Golgotha. Wat schrijft Paulus daarover? “Uitgewist hebbende het handschrift (...), het aan het kruis genageld hebbende...” Dat handschrift, die schuldbrief, is aan het kruis genageld. Aan welk kruis? Er is maar één kruis. Eén kruis maar dat reddend en zaligend is: het kruis van de Heere Jezus Christus. Wat is er met dat handschrift gebeurd, met die schuldbrief? “Ze is aan het kruis genageld”, zegt de apostel. Ze is vastgespijkerd aan het kruis. Zo heeft de Heere het uit ons midden weggenomen... Maar hoe dan? Christus heeft aan het kruis de schuld uitgeboet en de last van de toorn van God gedragen. In Hem is dat handschrift aan het kruis vastgemaakt. En daarmee is het weggenomen uit het leven van allen die in dat handschrift hun eigen naam zagen staan! Die schuldbrief is in hun leven tot een schuldbekentenis geworden. De schuld is toegeëigend. De zonde tegen de Heere is míjn zonde geworden. De overtreding van de Wet is míjn overtreding geworden. De schuld bij de Heere is míjn schuld geworden. De straf over de zonde is de door mij verdiende straf geworden! — Maar, dat is niet het enige. Ik ben er mee gevlucht naar een Ander. Zoals de tollenaar dat deed. Die het belijden ging. Die smeekte: “O God, wees mij zondaar genadig!” En nu het wonder. Wie met de nood van zijn leven, met zijn zondenood, met zijn schuldennood naar de Heere vlucht... Ja, naar Christus vlucht... Die maakt het grote wonder mee. Dat Hij het overneemt. Dat Hij die schuldbrief, die schuldbekentenis, mij uit de handen neemt. En hem meeneemt. Waarheen? Hij neemt die schuldbrief mee naar het kruis. Naar Zijn kruis. Naar Golgotha waar het gebeurd is. Lang voordat ik tot Hem roepen ging. Waar het wonder is gebeurd, waarover het avondmaalsformulier spreekt: “... waar Hij Zijn gezegend lichaam aan het kruis heeft laten nagelen, opdat Hij het handschrift onzer zonden daaraan zou hechten. En heeft alzo de vervloeking van ons op Zich geladen, opdat Hij ons met Zijn zegening vervullen zou...” Ziet u, daar was ik helemaal niet bij. Daar sta ik helemaal buiten. Dat is nu helemaal buiten mij om gegaan. “God bevestigt Zijn liefde jegens ons”, schrijft de apostel, “dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaren waren!” Dat zegt Paulus van zichzelf. “Voor de goddelozen gestorven...”, niet pas nadat ze zich met hun schuldbrief, met hun schuldbekentenis bij Hem vervoegden. Maar toen lag het al klaar. Omdat hij aan het kruis, aan het kruishout der schande het handschrift der zonde genageld heeft.

Schuldkwijting
Wat nu het grootste wonder is: van dat kruis is het nooit meer af te krijgen. Want Christus heeft het in Zijn eigen vlees geleden: de straf over mijn zonde, Zijn boetedoening over mijn schuld. “Hij gebonden, opdat Hij mij zou ontbinden... Hij ter dood veroordeeld, opdat ik vrijgesproken zou worden... Hij vervloekt, opdat ik de zegen ontvangen zou... Hij de dood in, opdat ik leven zou... Hij door God verlaten, opdat ik door Hem nooit verlaten zou worden...”

Als nu dat handschrift in Hem aan het kruis gespijkerd wordt... - dat handschrift dat allereerst mij als een schuldbrief werd thuisbezorgd, waarin ik mijn naam lezen moest... - dat handschrift waarvan ik de inhoud billijken en toestemmen ging en dat zo mij tot een schuldbekentenis werd... Als nu dat handschrift met Hem aan het kruis van vloek en schande is gespijkerd... - dan verandert het. Dan is de schuldbrief die bij mij een schuldbekentenis werd, bij de Heere tot een schuldkwijting, een kwitantie, geworden! Een kwijtschelding. Om Christus wil. Want de Heere bezoekt de zonden niet twee keer! Is dat geen reden tot een loflied? “En gij, mijn ziel, loof gij Hem bovenal!”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 2011

Bewaar het pand | 20 Pagina's

Het avondmaalsformulier [42]

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 2011

Bewaar het pand | 20 Pagina's

PDF Bekijken