Bekijk het origineel

Bijbels gegrond. Jakobus 2: 21- 26

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Bijbels gegrond. Jakobus 2: 21- 26

9 minuten leestijd

Wat zegt Gods Woord? Die vraag of opmerking is niet onbekend. Het is een zeer belangrijke vraag. Immers de Heilige Schrift is Gods Woord en heeft het eerste en het laatste woord. Maar dit wordt niet door iedereen die zich gereformeerd noemt onderstreept. Men denkt of zegt: het Woord dat voor ons ligt is niet het einde van alle tegenspraak. Op bepaalde punten is de Bijbel tijdgebonden. Men wijst er ook op dat de gave van de Heilige Geest een geschenk van de Heere is tot het betere en verdere verstaan van het Woord. En aan het wetenschappelijk onderzoek mag niet voorbijgegaan worden. In kerkelijke kringen komt al meer plaats voor de aanvaarding van of het ruimte geven aan wat buiten de kerk acceptabel is of gemeengoed is geworden. Men gaat na of het ingepast kan worden in de Bijbel of men gaat de gedachte huldigen: het is niet tegen de Schrift of wat er staat wijst op een bepaald religieus cultusleven wat voorkwam bij de heidense volken. Denk aan de homoseksualiteit. Komt men er niet geheel uit dan wordt onderstreept: een echt persoonsgericht liefdesleven kan geaccepteerd worden, want de Bijbel spreekt over de liefde. Wie gedoopt is in de Naam van de drie-enige God staat niet los van het gezaghebbende Woord. Zijn er bepaalde omstandigheden of is er een innerlijke strijd dan kan en mag er een toevlucht zijn tot de barmhartige en getrouwe Hogepriester Die Zelf in verzoekingen geleden heeft en te hulp kan komen allen die verzocht worden. Hij en de Heilige Geest werken samen. Wat kan er in het pastoraal gesprek herderlijke bijstand en leidend gesproken en gebeden worden. Zou dit stukje pastoraat niet meer troostrijk moeten zijn? Laten we niet vergeten dat strijd niet slechts door bepaalde personen gekend wordt. Het pastoraat is betrokken bij een breed vlak. Het kan zijn dat bovenstaande gezien wordt als een zijspoor. Enigszins afwijkend van wat Jakobus aan het behandelen is. Toch is er wezenlijk geen onderscheid. Waar Jakobus bij stilhoudt wordt aangetoond uit het Woord des Heeren. Jakobus laat spreken wat geschreven staat en dat geldt voor heel het leven. Zo ook wat hij zegt over geloof en geloofswerken. Onafscheidelijk zijn ze met elkaar verbonden.

Abraham
Als bewijs wordt een belangrijk deel uit het leven van Abraham geput uit de Schrift, naar voren gebracht. Op zich was Abraham een belangrijk persoon in het Israëlitische volksleven. Bijzonder zijn religieuze leven sprak. Zijn levensbeeld heeft geleid tot de benaming van vader Abraham. Door de eeuwen heen zo genoemd. Met welk een respect spreekt Jakobus over Abraham. Met insluiting van anderen schrijft hij onze vader Abraham. Hoe staan wij kerkelijk tegenover de mannen van het eerste uur in 1892? Leven wij erbij waarom zij niet meekonden met de vereniging? Is er nu een band? De Heere weet het! Waar Godsvreze werkt blijft die band er en wil men gaan in hun spoor. Zo nu brengt Jakobus een sprekende situatie uit het leven van Abraham voor de aandacht. Uit de Schrift! Wat gebeurd is, is vastgelegd. Gedocumenteerd voor altoos. Ook hier geldt: er staat geschreven. Opvallend is dat Jakobus het werkwoord vervullen gebruikt. Hij schrijft; En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham geloofde God (vers 23). Het is opvallend dat Jakobus twee zaken met elkaar verbindt. Het gebeuren in de nacht (Genesis 15)met de daad op de berg Moria (Genesis 22). Letterlijk en figuurlijk wat het van Abraham maakt. Welk een spreken des Heeren hoorde hij en welk een zichtbare verzegeling gaf de Heere. De reactie op de daden van de Heere bleef niet uit. Hij geloofde in de Heere (Genesis 15:6a). Dat geloof in de Heere werd zwaar op de proef gesteld. De eis van God was geen geringe zaak. Naar verschillende kanten. Echter welk een geloofsdaad volgde. Een mysticus zei: Geloven is levend begraven worden in God. Zo was het bij Abraham. Hij zette zijn mes op Gods belofte toen zijn zoon gebonden lag op het altaar. Hij geloofde dat God aan God verplicht was Zijn belofte, en door Izak, te vervullen. Sterk, maar terecht staat in de Hebreeënbrief: Abraham geloofde dat de Heere machtig was Izak uit de doden op te wekken. Zoals Izak was werd hij door God aan Abraham weergegeven (Hebr. 11:17 en 18). Nu vermeldt de Schrift: En het is Abraham tot rechtvaardigheid gerekend (vs. 23). In de Romeinenbrief en in de brief aan de Galaten wordt gewezen op dit gebeuren. Terecht wijst nu Jakobus op geloof (Gen. 15) en geloofswerk (Gen. 23). Beiden vallen samen. Geloven en werken. Maar nu geeft de Schrift aan dat het werken wordt gekroond met rechtvaardiging. Die daad des Heeren geschiedde alleen om Gods beloftewoord (Genesis 15). Wanneer het geloof in Gods belofte de beproeving doorstaat in Abrahams daad wordt zijn rechtvaardiging uit het geloof bevestigd. Staat Abraham in een rechtsverhouding tot God. Is dit een prestatie van Abraham? God verzegelt God in en door Abraham….God de Heere toetste en kroonde Zijn eigen werk in het leven van Abraham. Geloof en werken gaan hand in hand. Gelijk een rank vrucht geeft. Paulus wijst de Galaten erop die zich beroemen op hun besneden zijn. in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar het geloof door de liefde werkende (Gal. 5:6). De geloofsroem laat Paulus horen: Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Die roemt, roeme in de Heere. Zo gaat het op de weg naar de hemel. Ook voor ambtsdragers. De pastorale bijstand is dan gevuld. Bij het onderwijs is uw troost, de begenadiging staat niet buiten eigen leven. Wat maakt het werk des Heeren in en door ons klein. Al kleiner (in de Heere) maar het getuigenis van de Heere wordt rijker. Tot eer van de Heere en tot zegen in en buiten de kerk. Soli Deo Gloria. Welgelukzalig elke ambtsdrager die mag leven uit en door het wonder van de souvereine genade des Heeren in Christus. Men gaat ook al meer afschrijven van eigen rekening. Bij het al meer verstaan ‘uit u en door u niets’ stuwt de Heilige Geest de drang tot het gebed om vermeerdering van geloof en geloofswerken. En al zijn de omstandigheden anders dan bij Abraham, wat het wezen betreft kent men een band aan Abraham. Blind in de toekomst, maar gewillig in het gebod en het oog gericht op de getrouwe Verbondsgod. ‘Maar nu, wat verwacht ik o Heere, mijn hoop die is op U.’ Voor het heden mag er grond zijn.

Rachab
Een tweede schriftbewijs geeft Jakobus in de geloofsdaad van Rachab. De bijvermelding diende niet om haar slechte verleden te vereeuwigen, maar om te wijzen op het machtige rijke wonder des Heeren. Alles wat van haar vermeld staat, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament, wijst naar boven. Haar geloofswerken worden door Jakobus vermeld. Hoe stond zij tegenover de Israëlitische verspieders en hoe ging zij met hen om. Centraal mag staan; haar getuigen en handelen. De genadekroon des Heeren wordt door Jakobus in vers 25 benadrukt.
Na het wijzen op Abraham en Jakob en hun beider leven en daden, concludeert Jakobus: want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzo is ook het geloof zonder de werken dood (vs. 26). Noch geloof, noch geloofswerken hebben enige waarde, wanneer de eenheid tussen beide ontbreekt. De eenheid van lichaam en geest is een schaduwbeeld van geloof: geloven en geloofshandelen.

Uit de Schrift
Wat zijn de belijdenisgeschriften rijk van inhoud. Zij geven een weerslag van het spreken Gods in Zijn Woord. Dat kan bijzonder gezegd worden van de Heidelbergse Catechismus. Waar nu gehechtheid is aan de Heilige Schrift, daar is een band aan het leerboek. Wanneer het over de goede werken gaat is de omschrijving daarvan naar het hart. Na de vraagstelling in vraag 91, wat zijn goede werken, wordt terecht gesteld: zij geschieden uit een waar geloof, naar Gods wet en tot Zijn eer. Vanzelf is daar de houding ten opzichte van de naaste in begrepen en allereerst het eerste en grote gebod, namelijk de liefde tot God. Nu wordt er in zondag 33 antw. 91 aan toegevoegd: Goede werken zijn niet goed wanneer zij op ons goeddunken of op menseninzettingen gegrond zijn. Hierdoor worden die burgerlijke goede werken niet terzijde geschoven. Wat kan er door de algemene genade van de Heere veel goeds gedaan worden tot leniging van de grote nood. Buitenkerkelijken kunnen soms kerkmensen beschamen. Maar is het doen van al het goede niet tot Gods eer, dan zijn alle daden naar Gods maatstaf geen goede werken. De Schrift zegt tot ons bijzonder: Al wat uit het geloof niet is, uit welke motieven het dan ook gedaan zou worden, is zonde. Dit gegeven dient niet om nalatigheid te stimuleren, maar de Bijbelse gezindheid en inzet biddend te zoeken en te kennen. Als belijders dienen we een voorbeeld te zijn, in en voor de wereld. Barmhartigheidsbetoning in woord en daad. Daarnaast is de vrees voor zelfbedrog niet ongegrond. De geest van zelfbepaling en zelfverzekering kunnen ons in alles beheersen. De Heere wijst daar op. In de Bergrede houdt de Heere Jezus alle luisteraars, inclusief Zijn discipelen, stil bij het gebeuren op de grote oordeelsdag (Matth. 7:22vv). Velen zullen zeggen: Heere, Heere. Die dubbele aanspraaktitel dient om met overtuiging, met zekerheid, de grote Koning en Heere erop te wijzen dat zij in Zijn Naam tot daden kwamen. Het tot drie keer noemen van ’s Heeren Naam is een sterke aanwijzing van wat geschied is en waardoor. In Uw Naam geprofeteerd. In Uw Naam duivelen uitgeworpen. In Uw Naam krachten gedaan. Hetzelfde gebeuren heeft Lukas van Jezus vernomen en schrijft Lukas 13:36 dat er gegeten en gedronken is in de tegenwoordigheid van Jezus. We hebben in onze straten onderwijs van U ontvangen. Jezus luistert als altijd en geeft antwoord. Ontzettend. Diep aangrijpend. Ik ken u niet! U bent voor Mij een onbekende. Er is geen persoonlijke relatie tussen ons! Gaat weg van Mij. Op de grote dag zal Hij dit spreken als Rechter. Bij de uitspraak van de hoogste Rechter zijn wij allen, wie we ook zijn, betrokken. Wat zullen wij horen? Wat zal ons gelden? Wonderlijk, maar is deze Rechter onze Borg en Middelaar voor ons persoonlijk en ambtelijk leven? Dit zal leiden tot volle werkelijkheid: Daar zullen zij Gods knechten met hun zaad, zij die Zijn Naam beminnen erf ’lijk wonen Psalm 69:14. Als gouden de portalen zijn, hoe zullen dan de zalen zijn. In de hemel gaat de kerkdienst niet uit. Het is voor altoos zondag. Zeggen we daar ‘amen, ja amen’ op?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 2011

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Bijbels gegrond. Jakobus 2: 21- 26

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 2011

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken