Bekijk het origineel

Geadresseerd. Jakobus 4: 4-6

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Geadresseerd. Jakobus 4: 4-6

8 minuten leestijd

In de oorlogsjaren 40-45 lagen op verschillende plaatsen landmijnen. Dit waren heel gevaarlijke projectielen. Wie ermee in aanraking kwam werd verminkt voor het leven of verloor het leven. Nu waren er waarschuwingsborden met doodskoppen erop. Ze stonden voor de prikkeldraden. Nu waren daarachter op bepaalde plaatsen stukjes korenvelden. Het koren was gezaaid voor het leggen van de mijnen. Het gerijpte koren, bijzonder tarwe, was aantrekkelijk. Bijzonder toen er zo’n voedseltekort was. Men wilde tarwe bemachtigen. Maar welk een gevolgen. Het sprekend bord werd voorbijgezien. Zo kunnen ook de waarschuwingen van de Heere genegeerd worden. Laten we ons door niets laten misleiden. Bijzonder niet door de tijdgeest. Ook moeten we ons in geen enkel opzicht laten leiden door onze geest. Ook niet als we door het Woord of de prediking aangesproken worden. Wat Jakobus schrijft is niet hard. Het is oprecht. De aanspraak “Overspelers en overspeelsters” wordt niet genoemd om te treffen maar om hen te overtuigen dat het zo is en zo verkeerd gaat. Er is geen grond om de aanspraak letterlijk op te vatten, want de zonde van hoererij wordt door Jakobus in zijn brief niet genoemd. Het dient in geestelijke zin verstaan te worden. In de gemeente werd geestelijke echtbreuk aangetroffen. Die breuk was ook in het Oude Testament niet onbekend. Op verschillende plaatsen wordt erover gesproken of indringend op gewezen. De profeten, de dienaren van de Heere, hebben het herhaaldelijk over de zonde van afgoderij waarin duidelijk de zonde van echtbreuk bleek. Voordat Israël Kanaän binnentrok heeft de Heere gewezen op die grove zonde. De Heere had Zichzelf in een verbondsrelatie met Israël geplaatst. Met vele rijke beloften en toezeggingen. Tijdelijk en geestelijk. Hem te dienen, te vrezen, te volgen, te belijden. Zo zou Israëls welvaren gezien en gekend worden. Kwam het tot een breuk dan zouden de gevolgen ontzettend zijn. Voor zichzelf en voor het nageslacht. Echter de echtbreuk beperkt zich niet tot het Oude Testament. In de Nieuw-Testamentische tijd spreekt Jezus van een boos en overspelig geslacht. En wat deed Jakobus horen. En al gold de aanspraak niet voor allen, er klonk toch een waarschuwing in door. Een zaak van zelfonderzoek. Zo is het ook nu nog. Want men is één van beiden: een vijand of een vriend.

Vijand of vriend
Vragenderwijs, maar met nadruk, zegt Jakobus: Weet gij niet dat de vriendschap der wereld een vijandschap Gods is (vs.4)?Wat nu Jakobus onder het begrip ‘wereld’ verstaat kan bekend zijn. Hij denkt aan de mensheid die vijandig staat tegenover God. In Zijn prediking heeft Jezus het ook over de wereld. Zeer genuanceerd. Overduidelijk. In navolging van zijn Heere heeft de apostel Johannes het verschillende keren over de wereld die in het boze ligt en de band daaraan. De spits van het onderwijs door Jezus en Zijn apostelen gegeven is dat men geen twee personen kan dienen. God en de wereld. Het is één van beiden. Liefhebben of haten. Het combineren staat niet in de grondregels van het Koninkrijk der hemelen. Laten we erop letten. Het is klare taal. Vandaar dat het een vaststaande zaak moet zijn in het onderwijs. Ook onder vier ogen. Met bewogenheid natuurlijk. Laat er geen vrees zijn voor bepaalde gevolgen. Laten we letten op de wereldse gezindheid. Men houdt de mond niet dicht. Gods vrienden worden zonder meer vijanden genoemd. Of er wordt met hen gespot. Soms worden ze zelfs als vijanden behandeld en mishandeld. Vandaag is dit geen vreemde zaak. Laten we niet menen dat het ons zal voorbijgaan. Wat werkt er niet in ons volksleven. Van betekenis is het dat we voor de Heere verantwoorde vrienden hebben. Het is ook van belang voor onze kinderen. De Heere vraagt scheiding. Mijn volk zal alleen wonen. In de wereld maar niet van de wereld. Dat wil niet zeggen dat de Heere een kluizenaarsleven verwacht. Hij geeft een plaats in de wereld. Wel dient er een leven te zijn met een eigen levensstijl. Niet slechts tot voorbeeld maar ook tot steun worden ons verschillende personen getekend in de Heilige Schrift. Staande in de wereld van hun tijd. Dus zomaar niet gegeven als mooie geschiedenissen en meer niet. Wat nu Jakobus laat horen is aangrijpend. Bij wat hij zegt valt op het willen zijn. Daar legt hij de nadruk op. Het is een bewuste keuze. Daarin ligt vast een onherroepelijke scheiding. Orpa is daarvan een voorbeeld en we weten wat de Heere zegt van de vrouw van Lot. Gedenk aan de vrouw van Lot. We worden wat gewaarschuwd, ook als ambtsdragers.

Let op!
Jakobus gaat verder met zijn onderwijs. Of meent gij dat de Schrift tevergeefs zegt: De Geest Die in ons woont, heeft Die lust tot nijdigheid? (vs. 5). Opvallend is dat er niet gewezen wordt op een bepaalde tekst. We kunnen aannemen dat Jakobus een samenvatting geeft van Oud-Testamentische teksten. In het Nieuwe Testament vinden we ook samenvattende aanhalingen. Aan de Heere Jezus werd de vraag gesteld: Meester, welk is het grote gebod in de wet (Matth. 22:36). In Zijn antwoord, wat tevens onderwijs is, geeft Jezus een samenvatting van de Wet des Heeren (Matth. 22:37-40). Wanneer nu Jakobus op de Schrift wijst, dan is de geadresseerden niet onbekend waar Jakobus aan denkt. Ze zijn bij de Schrift, het Oude Testament, opgevoed en in de Schrift onderwezen. Die levensperiode is niet onbelangrijk. Hoe heeft Paulus Timotheüs daarop gewezen. Van jongs af weet Timotheüs van de Schriften die hem wijs kunnen maken tot zaligheid door het geloof hetwelk in Christus Jezus is (2 Tim. 3:15). Met nadruk wordt ook door Paulus gezegd: Timotheüs, blijf gij in hetgeen gij geleerd hebt en waarvan u verzekering gedaan is wetende van wie gij het geleerd hebt (2 Tim. 3:14). De onderwijsperiode is van betekenis. Ook nu kan de catechisatietijd inwerken op hoofd en hart. Wie het weet kan er van spreken. Zelfs in het ambtelijke leven. Er dient geheiligde kennis te zijn. Als pastor zal het catechiseren geen last, maar een lust zijn. Zo wordt de band aan de jongeren niet losser, maar hechter. Daar het onderwijs veel vraagt geeft de Heere daarvoor veel licht, wijsheid en kracht. Trouwens pastoraal bezig zijn behoort tot het dagelijkse werk. En bijzonder in onze tijd met zijn vele gevaren, verleidingen, aanpassingen en combinaties, behoort de Schrift te spreken. Ook in de zin zoals Jakobus het doet. Een trieste situatie is bevriend zijn met de wereld en bang zijn van vijandschap tegenover God. Zo’n houding kan niet gepaard gaan met geestelijk leven. Er blijkt niets in van de werking van Gods Geest. Die overtuiging dient er te zijn. Men moet ook verder bedenken hoe God de Heere staat tegenover zo’n vijandige houding. Jakobus komt vragenderwijs tot de geadresseerden. Of meent gij dat de Schrift tevergeefs zegt: De Geest Die in ons woont, heeft Die lust tot nijdigheid? (vs. 5). Met anderen mag Jakobus weten: Gods Geest woont in ons. Hij heeft intrek genomen in ons levenshuis en dat niet als bijwoner, maar als Hoofd-Eigenaar. En Die Geest, Die heilig is, wil niets te doen hebben met het onheilig optreden. Gods Geest keert Zich daar tegen. Calvijn voegt er aan toe: het haatdragend en oorlogszuchtig optreden kan onmogelijk door de Geest van God gezegend worden. Altijd is de tegenstelling tussen vlees en Geest. Het geregeerd worden is één van beiden: door het vlees of door de Geest. Wat nu Jakobus constateert is andere apostelen niet vreemd. Paulus schrijft aan de Korinthiërs: Of weet gij niet dat ulieder lichaam een tempel is van de Heilige Geest Die in u is, Die gij van God hebt en dat gij uwszelfs niet zijt (1 Kor. 6:19). Wanneer we hier of daar lezen en nagaan wat op kerkelijke vergaderingen besproken wordt, dan kan het meer gaan over wat zou mogen dan over wat door de Heere geboden is. Er is met name op ethisch terrein wat gaande. Welk een tegenstelling met de vorige eeuw en dan moeten we niet 50 jaar terug gaan. Toen tegen, maar nu voor of onder voorwaarden voor. Wat kunnen kerken in het buitenland een beschamend voorbeeld zijn in Schriftgetrouwheid.

Bemoediging
Bij wat Jakobus geschreven heeft, laat hij het niet. In zijn spreken, in zijn onderwijs, is hij niet eenzijdig. Wijst hij de zonde, de zonden aan, hij wil ook spreken van genade. Jakobus weet dat God de Heere niets van Zijn heilige eisen af doet en Zich vertoornt tegen de zonde. Maar Hij is ook genadig. Hij geeft meerdere genade. De eisende God is ook de Gevende. Mild en overvloedig. Zonder enig verwijt. Zo is de Heere. Calvijn zegt: zo worden mensen zeer verrijkt met nieuwe gaven. Laat dat leven voor en in het ambtelijk werk. Bij de Heere zijn milde handen en vriendelijke ogen. De hechte grond daarvan is vastgelegd in de Schrift. De nederigen geeft Hij genade. Dat zijn de ootmoedigen. Die levenstrek werkt de Heere door Zijn Geest. Waar die gezindheid is zijn de Godskennis, zonde- en zelfkennis aanwezig met de vreze des Heeren. Het komen tot de Heere in vernedering, onwaardigheid, maar met geloofsvolharding. De levenstrekken van de hoofdman over honderd en de Kananese vrouw blijven niet onbekend. En voor heel het leven geldt wat Jezus zegt: Leert van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart (Math. 11:29). Behoren we als ambtsdragers tot de ootmoedigen? Datheen bad: Geen groter goed dat Gij mij geven meugt, dan dat Gij mij maakt nederig en kleine.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 2011

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Geadresseerd. Jakobus 4: 4-6

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 2011

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken