Bekijk het origineel

Theodorus van der Groe. De bekering (2)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Theodorus van der Groe. De bekering (2)

10 minuten leestijd

God de Vader heeft Zijn Eigen Zoon niet gespaard, maar Hem naar deze wereld gezonden om de zaligheid voor Zijn Kerk te verwerven. Christus heeft gepredikt op deze aarde onder afkerige, zondige mensenkinderen. We lezen van Zijn prediking in Mattheüs 4:17 “Van toen aan is Jezus begonnen te prediken en te zeggen: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.” We lezen in een preek van Van der Groe: “Hiertoe begon Hij Zijn dienst en prediking onder de mensen dan met hun deze grote en nodige waarheid op het allerernstigste voor te stellen, hun van alle kanten oproepende tot bekering, als het enige middel om het eeuwige verderf te ontgaan en behouden te worden.”

De eerste bekering
In de eerste bekering is een mens lijdelijk, doet hij niets. De eerste bekering is het genadewerk van God en van de Heilige Geest. De mens is dood in de zonde en volstrekt machteloos om iets uit zichzelf tot zijn eigen bekering te kunnen doen. De eerste bekering is een gave van God. De remonstranten zeggen ten onrechte dat er een bepaalde geschiktheid of bekwaamheid in de mens is om op de prediking te geloven in Christus en zich echt te bekeren. De mens is van nature geheel blind. Hij is geheel verduisterd in zijn verstand. Er is geen juist begrip van goddelijke en geestelijke dingen. De mens heeft goddelijk onderwijs nodig om zijn duistere verstand te verlichten en zijn blinde ogen te openen. De mens wil en kan zich niet bekeren. Hij heeft er geen lust en zin in. Niemand wil tot Christus komen om het leven te hebben (Johannes 5:40). De gevallen mens heeft de duisternis liever dan het licht (Johannes 3:20). Hij is een hater en een vijand van God. De mens is machteloos en krachteloos om zich in het allerminst tot God te bekeren. Niemand kan tot Christus komen tenzij dat de Vader hem trekke. Van der Groe schrijft: “Zo weinig als nu een dode iets kan doen om zichzelf levend te maken, evenzo weinig kan een mens ook doen tot zijn geestelijke levendmaking of bekering.” Wel eist God de bekering. Telkens lezen wij: bekeert u.

De eis tot bekering
Is het niet vreemd dat de mens zich totaal niet bekeren kan en wil en dat toch de eis tot bekering wordt gesteld? Waarom wordt de bekering geëist terwijl niemand zich bekeren kan of wil? Van der Groe gaat hierop in. De Heere heeft er Zijn wijze redenen voor die eis tot bekering te stellen. Het is Gods soevereine macht en recht deze eis te stellen, want de onmacht, blindheid en onwilligheid van de mens is de zonde van de mens. We lezen bij Van der Groe het volgende: ‘Wil de Heere hierdoor de mensen hun schuldige plicht onder het oog brengen, en hun doen zien hun diepe ellende en machteloosheid, teneinde zij zich voor God zouden verootmoedigen en aangezet worden, om vurig en aanhoudend te zijn in de gebeden, en de Heere om Zijn licht en waarheid, Zijn Geest, kracht en sterkte aan te roepen, totdat Hij hen genadiglijk verhoort, biddende met Efraïm: ‘Bekeer mij, Heere, zo zal ik bekeerd zijn.’” Lazarus werd uit het graf geroepen. Hij kwam er niet op eigen kracht uit, maar de Heere gebruikte onder het roepen Zijn goddelijke kracht en maakte hem levend zonder dat Lazarus van zijn kant iets deed of doen kon. Zo doet de Heere het ook bij de bekering. In het Evangelie roept Hij uit: ‘Bekeert u’. Door de Heilige Geest worden deze woorden aan het hart toegepast, het verduisterde verstand wordt verlicht, waar de dood was komt het leven. De Heere werkt Zelf de bekering in hun zielen, waardoor zondaren zich tot God bekeren. De bekering is het werk van de drie-enige God. De Heilige Geest past de door Christus verworven zaligheid toe.

De tweede bekering
De tweede bekering is niet gelijk aan de eerste bekering. In de eerste bekering wordt de dode zondaar levend gemaakt. In de tweede bekering werkt de levend gemaakte door de genade van de Heilige Geest die aan hem gegeven is in de eerste bekering of wedergeboorte. Dit is de dagelijkse bekering tot God in Christus. In het bijzonder is sprake van deze tweede beekring als Gods kind in zware zonde is gevallen. We citeren Van der Groe: “Van zulk een algemene en dagelijkse bekering van de bekeerde gelovigen, lezen wij zeer veel in het Woord, en bijzonder wordt er zulk een bekering van hen vereist, wanneer zij in zware zonde zijn gevallen, om welke de Heere Zijn aangezicht voor hen moet verbergen. Dan is het bijzonder de plicht van Gods volk, zich opnieuw tot de Heere te bekeren en daartoe genade bij hem en Zijn Geest te zoeken, om hun bedreven zonde waarlijk ‘als zonde’ te zien, zichzelf daarover diep voor de Heere te vernederen en te verootmoedigen, hun toevlucht tot Christus’ bloed te nemen, zich in die Fontein te laten neerzinken en schoon wassen en reinigen, en alzo kracht en sterkte ter heiligmaking te verkrijgen, gelijk het op die wijze ging met David, Petrus en andere gelovigen.”

Valse bekering
Het leerboek van de Kerk, de Heidelbergse Catechismus, spreekt over de waarachtige bekering. Dat houdt uiteraard in dat niet alles wat bekering wordt genoemd echte bekering is. Er zijn bedrieglijke en valse bekeringen. De duivel wil een mens daarmee gerust stellen en zo in het eeuwig verderf brengen. We lezen daarvan in Jeremia 3:10 waar de Heere zegt: ‘en zelfs in alle dezen heeft haar trouweloze zuster Juda zich tot Mij niet bekeerd met haar ganse hart, maar valselijk, spreekt de Heere.’ Van der Groe tekent deze mensen met de volgende woorden: “Dezen komen uiterlijk, in kleding, gelaat en woorden zeer zedig en ingetogen voor de dag en maken zeer veel vertoning van ijver, deugdzaamheid en nauwgezetheid, zij voegen zich gewoonlijk of bij de ware, of bij de schijnvromen, en doen hun best, dat zij onder hen een goede naam en achting mogen verkrijgen en behouden; zij zijn zeer gezet en nauwkeurig in alle uiterlijke Godsdienstplichten, en doen zeer veel om het buitenste van de kelk te reinigen, terwijl hun hart van binnen vol van onreinheid is.” Zij zijn erop uit God, zichzelf en de mensen te bedriegen.

Er kan ook een gedwongen bekering zijn. Die komt voort uit schrik of vrees voor de hel of voor de oordelen van God. Veel zonden worden nagelaten en gedrag en wandel veranderen zichtbaar en merkbaar. Uiterlijke plichten en godsdienstigheden worden waargenomen. Alles wordt gedaan uit dwang of vrees zonder dat het hart echt vernieuwd en veranderd wordt. Een ontwaakt geweten kan veel doen veranderen terwijl er geen sprake is van waarachtige bekering. Van der Groe wijst in dit verband op Kaïn, Saul en Achab. Er valt ook te denken aan Demas, die de wereld weer lief kreeg en tot de wereld terugkeerde. Het latere leven van zulke mensen is vaak erger dan het leven in het verleden. Het worden soms de bitterste vijanden van Gods kinderen.

Ook valt te denken aan een bekering op het ziekbed of op het sterfbed. Als de dood nadert kan er grote schrik, benauwdheid en ontroering zijn. Zonden kunnen beleden worden en smekingen opgezonden worden. Veel dingen kunnen onder tranen beloofd worden. Van der Groe schrijft: “laat die mens maar weer gezond worden, en hij zal ras tonen, wat er van zijn bekering is, en dat hij zich eveneens bekeerd heeft als de slangen; die leggen hun oude huid wel af, maar zij krijgen terstond weer een andere; het blijft het slangenvel, de slangenaard, de slangenhuid.” Boven beschreven mensen lijken op leeuwen, ze liggen een poosje aan de ketting, maar het blijven ondertussen wel leeuwen.

Ook kan een mens zich verbeelden bekeerd te zijn terwijl hij in wezen buiten God in de zonde leeft. Salomo schrijft hierover in Spreuken 30: 12 ‘als een geslacht dat rein is in zijn ogen en van zijn drek niet gewassen is.’

Een valse bekering bestaat hieruit dat een burgerlijke, nette levenswandel en het waarnemen van godsdienstige plechtigheden voor bekering wordt aangezien. Dit wordt aangeduid als een burgerlijke bekering. Men is gedoopt, men heeft belijdenis gedaan en men gaat ten avondmaal. Men is een vijand van uiterlijke zonden. Het is als bij de farizeeën uit de dagen van de omwandeling van Christus op aarde. Van der Groe verwijst naar de rijke jongeling.

Er kan ook sprake zijn van een halve bekering. In Hosea 7:8 wordt gesproken over een koek die niet is omgekeerd. Aan de ene kant gebakken, aan de andere kant niet gebakken. Het blijft steken in uitwendige veranderingen zonder de bekering van het hart.

Er zijn er die blijven hinken op twee gedachten. Van der Groe spreekt dan van een ruime bekering. Zij willen God en de wereld dienen. Zij stellen zich gerust met de gedachte dat God barmhartig is. Al zondigen zulke mensen vaak, ze zeggen dat niemand hier volmaakt is, dat ook de besten struikelen en dat God de zonden wil vergeven.

Wie niets weet van wedergeboorte en bekering moet ook niet menen dat hij bekeerd is. Wie tijdelijk grote verandering onderging waar later niets van is overgebleven kent ook niet de waarachtige bekering. Van der Groe vergelijkt zulke mensen die zich inbeelden bekeerd te zijn met mensen die geen gezonde verstandelijke vermogens hebben en zich inbeelden koning of een ander belangrijk persoon te zijn, terwijl dat niet zo is. We citeren: “Indien pijn, vrees, benauwdheid en beroerte genoegzaam waren tot bekering, dan moesten de verdoemden in de hel het meest bekeerd zijn, want die zijn het meest in pijn en angst over de zonde. Bekering is een verandering van het hart, maar pijn, schrik en vrees laten het hart onveranderd, hoeveel beweging zij ook mogen maken.”

Het afbreken, tegenstaan en wegruimen van sommige zonden is ook een valse bekering. Een gierigaard mijdt alle overdaad, maar is daarmee niet bekeerd. Er kan ook sprake zijn van vleselijke bijbedoelingen die doen strijden tegen veel zonden. Bijvoorbeeld hoogmoed, eigengerechtigheid en eigenliefde. Van der Groe schrijft “Zo verandert de mens ook wel van zonden, maar hij is en blijft nochtans een slaaf van de zonde, het ware laten van de zonde, het afstaan van de ongerechtigheid; dit is niet alleen algemeen, over alle zonden, maar het komt ook voort, en hangt geheel af van een invloeiing van ware genade in het hart, gelijkerwijs de lucht ophoudt duister te zijn door de invloeiing van het licht.”

Zelfonderzoek
Waarachtige bekering is noodzakelijk zal het wel zijn voor de eeuwigheid. Daarom spreekt de Heidelbergse Catechismus met nadruk over de waarachtige bekering. Het komt aan op de waarachtige bekering door God. Zelfonderzoek is nodig. Van der Groe schrijft: “Komt aan, klein en groot, jong en oud, laat ons onze wegen toch gaan onderzoeken en doorzoeken, want wij gaan naar een eeuwigheid, wij moeten allen voor het oordeel komen en daar alles verantwoorden wat wij hier op de wereld gedaan hebben, en daarom, mensen, ziet toch allen tezamen, dat gij uw rekening klaar maakt, en dat gij Christus tot uw Borg en Betaalmeester krijgt, eer die grote en vreselijke dag des Heeren komt! De Heere drukke de noodzakelijkheid en het gewicht hiervan door Zijn Heilige Geest maar meer en nader op onze harten, en doe ons hierover eens vrezen en beven. Amen.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 12 juli 2011

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Theodorus van der Groe. De bekering (2)

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 12 juli 2011

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken