Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Christus en de Samaritaanse vrouw (2)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Christus en de Samaritaanse vrouw (2)

Zo verliet Hij Judea, en ging wederom heen naar Galilea. En Hij moest door Samaria gaan. (Johannes 4, 3-4)

4 minuten leestijd

Johannes 4, het hoofdstuk dat we in deze rubriek overdenken, is vol van geestelijk onderwijs. Vorige keer hebben we gehoord, hoe de Heere Jezus enige tijd in Judea is geweest. Daar heeft Hij veel discipelen gemaakt en gedoopt (vers 1-2). Dat is niet onopgemerkt gebleven. Knarsetandend hebben de Farizeeën moeten zien, hoe er ná Johannes de Doper opnieuw een Profeet is opgestaan.

De prediking van deze Profeet oefent grote aantrekkingskracht uit op de scharen. De Farizeeën beseffen het: Dit zal ten koste gaan van ons aanzien bij het volk en onze invloed op de scharen. Ze horen het, schrijft Hutcheson, ‘met een vijandig hart en met de bedoeling, Hem kwaad te doen’.

Opgejaagde Vluchteling
Tegen de achtergrond van deze vijandschap is het, dat we in vers 3 lezen: ‘Zo verliet Hij Judea en ging wederom heen naar Galilea’. Christus heeft de vijandschap van de Farizeeën in Judea geproefd. En tegelijk weet Hij, dat Zijn ure – om te sterven – nog niet gekomen is. Daarom neemt Hij de wijk in de richting van het noorden van het land, Galilea.

Hutcheson aarzelt niet, om dit verband steeds het woord ‘vervolging’ te gebruiken. Christus heeft te maken met vervolging. Als een opgejaagde Vluchteling reist Hij door het Joodse land. Wat blijkt hier de waarheid van Christus’ eigen woorden: ‘De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge’ (Mattheüs 8:20). Ook hier ontmoeten we Christus op de lijdensweg.

Dat laatste werpt bijzonder licht op de ontmoeting met de Samaritaanse vrouw. Die ontmoeting is alleen mogelijk, omdat Christus Zijn ontzaglijk diepe lijdensweg heeft willen gaan. En zo is het nog. Als Christus en een arme zondaar elkaar ontmoeten, dan is elk onderdeel van die ontmoeting en ieder woord dat Christus tot een zondaar spreekt - ook Zijn ontdekkend en armmakend spreken - verdiend door Zijn bitter lijden.

Gehoorzame Knecht
Terwijl Christus in vers 3 als de lijdende Knecht getekend wordt, treedt Hij in vers 4 naar voren als de gehoorzame Knecht. Want vers 4 zegt: ‘En Hij moest door Samaria gaan’. Hutcheson geeft een opmerkelijke uitleg van deze woorden.

Allereerst wijst hij er – evenals Calvijn en onze kanttekenaars – op, dat Christus door Samaria heentrok omdat dit de kortste route was van Judea naar Galilea. Wanneer u er voor uzelf een landkaart van Israël in de tijd van het Nieuwe Testament bij neemt, ziet u dat ook.

In de tweede plaats legt Hutcheson grote nadruk op het feit dat Christus dóór Samaria gaat. Als Hij er komt, is Hij er slechts op doorreis. Dat wordt ook duidelijk in de grondtekst. Letterlijk staat daar: En Hij moest door Samaria doorgaan. Met andere woorden: Zijn bezoek aan Samaria draagt slechts een tijdelijk karakter. Maar in die korte tijd draagt Zijn verblijf onder de zegen van de hemel rijke vrucht! En dat in het leven van onwaardigen. Had Christus immers Zijn eigen discipelen niet verboden om in te gaan in enige stad van de Samaritanen (Mattheüs 10:5)?

Gods welbehagen
Maar vooral wijst Hutcheson hier op het welbehagen van God. ‘Zolang het de Heere behaagt, zal het Christus en Zijn volgelingen niet ontbreken aan werk en aan vrucht op dat werk’. Christus ‘moest’ door Samaria gaan, omdat God de Vader daar werk voor Hem heeft. Omdat daar een vrouw is die nu nog leeft midden in de zonde en in de duisternis. Maar Christus zal die vrouw gaan opzoeken. Om haar te brengen tot de zaligheid. En behalve haar ook nog anderen (vs. 39 en 41).

Nee, dat is niet omdat die vrouw in enig opzicht beter is dan anderen. Als we deze vrouw ontmoeten, blijkt ze een onreine, vijandige en aardsgezinde zondares te zijn. Iemand die vanuit zichzelf geen enkel belang heeft bij het levende water van Gods Geest. Deze vrouw heeft niet naar God gevraagd. Maar God heeft naar haar gevraagd. En haar – niet beter, niet waardiger dan anderen – uitverkoren. Dáárom zoekt Christus haar op. Dáárom moet Christus door Samaria gaan. En daarom wil Hij ook door Samaria gaan. In Zijn opzoekende liefde. En boven alles uit liefde tot Zijn Vader en tot het werk dat Zijn Vader Hem vanuit Zijn welbehagen te doen gegeven heeft (vs. 34).

Als Gods verkiezend welbehagen er nu eens niet was… Dan had Christus niet door Samaria hoeven gaan. Dan had Hij er geen zondares opgezocht. Dan was deze vrouw nooit tot Christus gekomen.

In onze tekst wordt de bron der zaligheid opengelegd: het welbehagen van God. Dat welbehagen predikt: De grootste, hardste, vuilste zondaar kan nog zalig worden bij God vandaan. Dat welbehagen is ook een bron van troost, verwondering en verootmoediging voor de Kerk: ‘Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde’!

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 4 november 2014

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Christus en de Samaritaanse vrouw (2)

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 4 november 2014

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken