Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Christus en de Samaritaanse vrouw (3)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Christus en de Samaritaanse vrouw (3)

4 minuten leestijd

Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd Sichar, nabij het stuk land, hetwelk Jakob zijn zoon Jozef gaf. En aldaar was de fontein Jakobs. Jezus dan, vermoeid zijnde van de reize, zat alzo neder nevens de fontein. Het was omtrent de zesde ure. (Johannes 4, 5-6)

Terugblik
De vorige keer hebben we gezien, hoe Johannes de reis van Christus door Samaria op twee manieren heeft geschilderd. Allereerst als de reis van Sions lijdende Borg. Want Christus is op de vlucht voor de vijandschap van de Farizeeën. In de tweede plaats als de reis van de gehoorzame Knecht. Want we lezen: Christus ‘moest’ door Samaria gaan. Christus trekt door Samaria om gewillig het werk te doen dat Zijn Vader Hem heeft opgedragen. Om een verloren zondares – en naast haar nog anderen – te brengen tot de zaligheid.

Het stuk land van Jakob
Terwijl de Heere Jezus zo door het Samaritaanse land trekt, komt Hij op zeker moment dichtbij het stadje Sichar. Waarschijnlijk wordt daarmee de plaats Sichem bedoeld. Over die Bijbelse plaats zou veel te schrijven zijn. Laten we ons echter beperken tot wat Johannes over deze plaats schrijft: Ze is ‘nabij het stuk land, hetwelk Jakob zijn zoon Jozef gaf’.

Om die woorden te begrijpen, moeten we een ogenblik terugbladeren naar de geschiedenissen van Jakob. In Genesis 33:18-20 lezen we, hoe Jakob na zijn terugtocht uit Paddan-Aram een stuk land koopt dichtbij Sichem. Op dat stuk land bouwt hij een altaar. En hij geeft dat altaar ook een naam: ‘De God Israëls is God’.

Hetzelfde stuk land komt in Genesis 48:22 opnieuw ter sprake. Daar ligt Jakob op zijn sterven. En op zijn sterfbed oefent hij geloof. We weten dat uit die heel bekende woorden ‘Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE’ (Genesis 49:18). Maar Jakobs geloof blijkt ook nog in iets anders. Hij voorzegt namelijk dat God de Israëlieten vanuit Egypte zal terugbrengen in het beloofde land (Genesis 48:21). En Jakob voorzegt dat niet alleen, maar hij gelooft het ook. Want terwijl hij op zijn sterfbed ligt, geeft hij het stuk land bij Sichem aan zijn zoon Jozef. Als een erfenis.

Uit onze tekst wordt duidelijk, hoe eeuwen later dit gebied nog altijd wordt aangeduid als ‘het stuk land hetwelk Jakob zijn zoon Jozef gaf’.

Hutcheson tekent erbij aan: ‘Het dienen van God en het geloof in God hebben een zoete geur en reuk die uitgaat boven al het voortreffelijke wat mensen kunnen najagen. Deze plaats is, zelfs in Christus’ tijd, daarom zo uitnemend, omdat Jakob er verbleef en God diende (Gen. 33:19-20), en omdat hij door het geloof dat land aan zijn kinderen gaf toen zij nog vreemdelingen in Egypte waren’.

Wonderlijk
In ditzelfde gebied is – zo zegt vs. 6 – een fontein. Daarmee wordt een bron bedoeld, waaruit voortdurend fris, helder water opborrelde. Zo’n bron werd vaak op grote diepte gevonden. In dit geval liep het water vanuit de bron in een put, waaruit men met behulp van een putemmer water naar boven kon halen. Straks zal de Samaritaanse vrouw zeggen, dat Jakob die bron zelf nog gegraven en gebruikt heeft (vs. 12). Daarom wordt deze bron ‘de fontein Jakobs’ genoemd.

Welnu, het is op deze historische grond, dat de ontmoeting Christus geen andere boodschap laten klinken (vs. 22)

Hoe wonderlijk zijn Gods wegen! Jakob heeft, toen hij vele eeuwen geleden deze put groef en er gebruik van maakte, niet kunnen bevroeden, dat in de volheid des tijds Christus Zelf Zich er zou neerzetten als een vermoeide Reiziger. En dat Hij juist deze plaats zou gebruiken om met een Samaritaanse zondares te spreken over het levende water.

Wachtend
Laten we er tenslotte nog op letten, hoe de evangelist Christus aan het slot van vs. 6 tekent. ‘Het was omtrent de zesde ure’ – dat betekent: ongeveer twaalf uur in de middag. De zon staat hoog aan de hemel. Urenlang is Christus samen met Zijn discipelen te voet door het Joodse land gegaan. In de brandende zon. En als Hij zo urenlang gelopen heeft, lezen we, dat Hij vermoeid is. De evangelist Johannes legt daar de nadruk op, als hij schrijft: ‘Jezus dan, vermoeid zijnde van de reize, zat alzo (namelijk: vermoeid) neder’. Afgemat zoekt de Zaligmaker een plaats naast de bron.

Ziet u Hem daar zitten? Door en door vermoeid. Zijn voeten bedekt met het stof van de weg. Zo arm dat Hij niet eens een kleine leren putemmer bij Zich heeft (zie vs. 11). Terwijl die toch tot de gewone uitrusting van een Joodse reiziger behoorde.

Zo zit Hij daar. En Hij wacht. Totdat zij zal komen. Die onwetende, blinde, aardsgezinde zondares. Die vrouw die midden in de zonde leeft. Hij wacht. Om een zondares genadig te zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 18 november 2014

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Christus en de Samaritaanse vrouw (3)

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 18 november 2014

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken