Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De laatste kus van Judas’ mond

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De laatste kus van Judas’ mond

5 minuten leestijd

…en hij kuste Hem. (Mattheüs 26:49b)

Eén van de meest aangrijpende gebeurtenissen in de evangeliën vindt u in de woorden boven deze meditatie. Dat Judas’ lippen de Zaligmaker hebben gekust, terwijl zijn hart vol verraad was, doet ons huiveren.

Onze tekst verplaatst ons naar de hof van Gethsémané. Zojuist heeft Christus geblikt in de drinkbeker van het lijden. Het heeft Hem ‘droevig en zeer beangst’ gemaakt. In een zware gebedsworsteling heeft Christus Zich gewillig gebogen onder het lijden. En als de Heere Jezus dan de bende die Hem gevangen komt nemen, tegemoet gaat, is de eerste die Hij ziet… Judas!
Wat moet dat onuitsprekelijk zwaar geweest zijn voor de Borg! Om in het nachtelijk duister als eerste de gestalte van Zijn eigen discipel Judas te ontwaren. Als ‘de leidsman dergenen die Jezus vingen’.

Judas zal de Heere Jezus hier op aarde voor de laatste keer ontmoeten. O, Judas, val Christus toch nog te voet. Belijd je huichelarij en je verraad toch aan Hem. Smeek Hem toch om genade.
Maar Judas doet iets anders. Alsof hij verrast is dat hij Jezus hier aantreft, loopt hij op Hem toe. En hij zegt: ‘Wees gegroet, Rabbi’. En dan geeft hij zijn Meester een kus.

Hoe hebben we ons dat voor te stellen? Nee, niet zo, dat Judas de Heere Jezus op de wang gekust heeft. Want zo begroetten in Bijbelse tijden leerlingen hun meester nooit. Judas zal drie dingen gedaan hebben. Hij zal de rechterhand van de Heere Jezus in zijn handen hebben genomen. Vervolgens zal hij zijn hoofd gebogen hebben. Om tenslotte een kus te drukken op de hand van Christus. Zó begroetten leerlingen hun leermeester. En daarmee zeiden ze drie dingen: Ik onderwerp me aan u. Ik bewijs u eer. En ik heb u lief.

Judas neemt de hand van Christus in zijn handen. Die gezegende hand die hem ooit had aangewezen als discipel. De hand die kinderen heeft gezegend. De hand die melaatsen heeft gereinigd. De hand die doden heeft opgewekt. De hand die Christus straks gewillig zal uitstrekken. Om Zich te laten binden. Om Zijn hand te laten doorboren. Díe hand houdt Judas vast. Zodat de soldaten Christus kunnen grijpen.
En terwijl hij dat doet, buigt Judas zijn hoofd. Alsof hij zich werkelijk onderwerpt aan Christus. Alsof hij Hem eer bewijst. Maar hoe ver is het hart van Judas daar vandaan! Want hij heeft Christus voor dertig zilverlingen verkocht.
En dan drukt Judas een kus op de rug van Christus’ hand. Alsof hij zegt: ik heb U lief. Maar het tegendeel is waar: Judas haat Christus.

‘En hij kuste Hem’. Met welke bedoeling zijn deze woorden opgetekend in de Bijbel? Allereerst om aan te geven hoe ontzaglijk diep het lijden van de Zaligmaker is geweest. Zo diep, dat Hij Zich wilde laten verraden door één van Zijn discipelen. Zo diep, dat Hij Zich door de verrader liet kussen.
Maar ook om u en mij te brengen tot een vraag: ‘Ben ik het, Heere?’ Ja, want zo staat het toch van de andere discipelen? Als de Heere Jezus het hun op de vooravond van Zijn lijden in alle ernst voorhoudt: ‘Voorwaar Ik zeg u, dat een van u Mij zal verraden’, lezen we dat ‘een iegelijk van hen’ (!) begon te zeggen: ‘Ben ik het, Heere?’

Kunt u daarmee instemmen? Omdat u bij ontdekkend licht ging blikken in de afgrondelijke diepte van uw eigen hart? Nee, dan kan een mens boven Judas niet meer uitkomen. O zeker, als Petrus ván zijn plaats is, hoort u hem zeggen: ‘Dat zal U geenszins geschieden!’ Maar als hij op zijn plaats is, fluistert hij: ‘Ben ik het, Heere?’

En toch… Als de discipelen dát vragen – Ben ik het, Heere? – leest u óók dat ze ‘zeer bedroefd’ geworden waren. Zeer bedroefd: ‘O Heere, laat ik het toch niet zijn, die Ú dat aandoet. Want ik zou het kúnnen zijn! En als het aan mezelf ligt, ben ik het. Ik doe U zo vaak verdriet aan. En toch, ik wíl U geen verdriet doen. Ik verloochen U. En toch, ik wíl U niet verloochenen. Ik zou U als U me niet bewaart, kunnen verraden. En toch, ik wíl U niet verraden. Heere, houdt U me toch vast!’

Kijk, die droefheid ontbrak bij Judas. Bij hem was achteraf wel wanhoop en wroeging. Maar het verbroken hart ontbrak. De liefde ontbrak.
En dat dat er bij de andere discipelen wel was? Dat Petrus bitterlijk weent, als hij Christus verloochend heeft? Dat hij uiteindelijk zeggen mag: ‘Heere, Gij weet alle dingen. Gij weet dat ik U liefheb’? Dat is vrucht van de liefde van een zeer bedroefde Borg.

Intussen klopt Christus op deze donkere avond ook nog op het zwarte hart van een onverbroken verrader. Nog één keer strekt Hij Zijn handen uit: ‘Wend u naar Mij toe…’ Maar daarover Deo volente de volgende keer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 2 februari 2015

Bewaar het pand | 16 Pagina's

De laatste kus van Judas’ mond

Bekijk de hele uitgave van maandag 2 februari 2015

Bewaar het pand | 16 Pagina's

PDF Bekijken