Bekijk het origineel

Demas, de man bij de zilvermijn - 5

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Demas, de man bij de zilvermijn - 5

6 minuten leestijd

De laatste keer zagen we dat de afval van het geloof verschillende oorzaken kan hebben. In feite kunnen alle zonden wanneer zij gekoesterd worden en wij ons daardoor steeds meer laten inkapselen tot afval leiden. Maar waarom plaatst Bunyan in zijn Christenreis de afvallige Demas dan terzijde van de weg bij een zilvermijn? Neen, daarmee wil hij niet zeggen dat liefde tot het zilver of een materiele levensinstelling de enige oorzaak van afval is, maar wel dat hier een heel belangrijke verzoeking ligt om het geloof de rug toe te keren. En dat heeft hij beslist wel vanuit de Schriftgegevens afgeleid.

Materialisme
Helaas heeft Bunyan zelf nooit een commentaar geschreven op zijn eigen Christenreis. Dan zouden we minder in onzekerheid verkeren wat hij met sommige passages van zijn boek bedoeld heeft. Maar goed, Bunyan heeft zelf naar zijn eigen zeggen op zijn christenreis wel een soort vervolg (en correctie!) geschreven in het tweede deel van zijn christenreis die in Nederland bekend staat als de Christinnereis. We zullen in het vervolg die uitleg bij onze overwegingen rond Demas betrekken, maar vragen allereerst hoe Bunyan ertoe komt om Demas naast een zilvermijn te plaatsen waarbij hij reizigers naar het hemelse Jeruzalem uitnodigt om van hun pelgrimsreis af te wijken. Dat heeft mijns inziens alles te maken met Bunyan’s diepe en geestelijke omgang met de Schriften toen hij in de gevangenis zat en zijn Christenreis voorbereidde. In die tijd van meditatie en gebed is hij ook gestuit op de woorden uit 1 Timotheus 6 : 17 - 19: ‘Beveel de rijken in deze tegenwoordige wereld, dat zij niet hoogmoedig zijn, noch hun hoop stellen op de ongestadigheid des rijkdoms, maar op de levende God, die ons alle dingen rijkelijk verleent om te genieten; dat zij weldadig zijn, rijk worden in goede werken, gaarne mededelende zijn en gemeenzaam (= mededeelzaam zijn; graag uitdelen). Leggende voor zichzelf weg tot een schat een goed fundament tegen het toekomende, opdat zij het eeuwige leven verkrijgen mogen’. Bunyan heeft in deze woorden gelezen dat de ‘rijkdom in deze tegenwoordige wereld’ een buitengewoon sterke verleiding is om af te vallen van het geloof. Paulus had dat eerder in hetzelfde hoofdstuk nog sterker onder woorden gebracht toen hij schreef: ‘Doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking en in de strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang. Want de geldgierigheid (letterlijk: de liefde tot het zilver!!) is een wortel van alle kwaad, tot welke sommige lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelf met vele smarten doorstoken’ (1 Timotheus 6 : 9, 10).

Dit is de doorgaande lijn, met name in het Nieuwe Testament. De Heere Jezus zelf heeft met grote ernst gesproken over de gevaren van rijkdom en de verleidende kracht van een materialistische levenshouding. Het is namelijk opmerkelijk dat in het onderwijs van de Heere Jezus slechts één afgod met naam en toenaam genoemd wordt. Dat is de (onrechtvaardige) Mammon! (Mattheus 6 : 24; Lukas 16 : 9, 11, 13). Dat heeft onder andere hiermee te maken dat de farizeeën rijkdom beschouwden als het loon op hun gerechtigheid. Hun favoriete psalm was de eerste uit het psalmboek. Daar wordt van de goddeloze gezegd dat ‘hij is als kaf dat wegstuift voor de wind’ (Psalm 1 : 3 ber.). De rechtvaardige daarentegen wordt gezegend: ‘Het gaat hem wel; het gelukt hem wat hij doet’ (Psalm 1 : 2 ber.). Nu beschouwden de farizeeën zich natuurlijk als de rechtvaardigen. Dat kon je ook aan hun voorspoed en rijkdom zien, want zó beloonde God hun godsvrucht! Daarom werd de rijke jongeling ook zo bedroefd, toen de Heere Jezus hem opdroeg: ‘Eén ding ontbreekt u, ga heen verkoopt alles wat gij hebt en geeft het aan de armen!’ (Markus 10 : 21). Dat betekende niet alleen dat hij al zijn bezittingen moest verkopen, maar ook dat hij datgene dat hij zag als het loon op zijn gerechtigheid moest inleveren. Met andere woorden: al zijn (vermeende) geestelijke verworvenheden ontvielen hem!

Maar rijkdom is op zichzelf genomen toch niet verkeerd? Neen, als ons bezit toeneemt, mogen we er ook van genieten als een goede gave van God én we mogen het gebruiken om iets ervan aan de allerarmsten te geven (1 Timotheus 6 : 17vv.). Trouwens, ook in bijbelse tijden kwamen kinderen van God voor die erg rijk waren. We kunnen denken aan Abraham of Job. Maar er schuilen in rijkdom en het zich hechten aan het aardse geld en bezit grote gevaren. Zo’n materialistische instelling richt al onze aandacht op het aardse goed en het verkrijgen en vermeerderen daarvan. Hierbij raken de gedachten aan God en de hemel uit beeld. Goudzoekers zijn meestal geen Godzoekers. Om deze reden wordt het ‘wee’ uitgeroepen over de rijken: zij hebben hun loon al ontvangen in dit leven en missen daardoor het eeuwige genadeloon in de hemel. Dat wordt bedoeld met het drievoudige: ‘Zij hebben hun loon weg!’ uit Mattheus 6 : 2; 5 en 16. Wie genoeg heeft aan zijn aardse bezit, heeft van God niets meer te verwachten. Dat is ook de betekenis van het ernstige woord uit de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus. De rijke krijgt te horen uit de mond van Abraham: ‘Kind, gedenk dat gij uw goed ontvangen hebt in uw leven!’ Er staat niet ‘het goede in het algemeen, maar ‘uw goed’, ‘het goede waarvoor u alleen maar geleefd hebt en waar u ook meende recht te hebben’. Daarom roept de Heere Jezus in de bergrede op: ‘Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de most en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen; maar vergadert u schatten in de hemel, waar ze nog mot, noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen. Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn’ (Matth. 6 : 19 – 21). De klem van dit alles wordt hoorbaar en haast voelbaar in het gesprek tussen de Heere Jezus en de discipelen na de geschiedenis met de rijke jongeling. Toen zei de Heere Jezus tot twee keer toe: ‘Kinderkens, hoe zwaar is het dat degenen die op het goed hun betrouwen zetten, in het koninkrijk Gods ingaan! Het is lichter dat een kemel (= kameel) gaat door het oog van een naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk Gods ingaat’ (Markus 10 : 25). De discipelen hebben goed begrepen wat de Heere Jezus bedoelde. Dat is onmogelijk! En zij geven daaraan uiting met hun verbijsterde vraag: ‘Wie kan dan zalig worden?’. De Heere Jezus antwoordde: ‘Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God’ (Markus 10 : 26 en 27).

Dit perspectief is wel heel donker voor een westerse wereld die zozeer door het materialisme gestempeld is. Maar de laatste woorden van de Heere Jezus bieden hoop: ‘Alle dingen zijn mogelijk bij God, zelfs dat een rijke westerling zalig wordt!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 13 december 2016

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Demas, de man bij de zilvermijn - 5

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 13 december 2016

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken