Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De vergankelijkheid van des menschen leven (Oudejaarsavondpredikatie) - pagina 17

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De vergankelijkheid van des menschen leven (Oudejaarsavondpredikatie) - pagina 17

2 minuten leestijd

liefden is bij den Heere ook reeds alles toebereid, waarom wij Hem bidden. Wij hebben hier in dat 14e vers dus een hoorn des overvloeds vervuld met genade en goedertierenheid, waarvan de hoofdzaak is: de vergeving der zonden, zoowel voor onszelven, als voor onze dierbaren, want daarin alleen is de gelukzaligheid gelegen, zoowel voor ons, als voor de onzen; en als wij die verkregen hebben, dan zullen wij gewisselijk ook te midden van angsten en smarten het van ganscher harte uitspreken: daar ik genade gevonden heb in Uwe oogen, o mijn God! zoo wil ik een psalm aanheffen U ter eere, en U zingen alle de dagen mijns levens; zooals ook de 89e Psalm begint: 'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên; Uw waarheid 't allen tijd, vermelden door mijn reên. Nu zijn wij aan het 15e vers gekomen, daar lezen wij: verblijd ons naar de dagen, in dewelke Gij ons gedrukt hebt, naar de jaren, in dewelke wij het kwaad gezien hebben. Daarmede spreekt de gemeente het onverholen uit: Heere God, Gij hebt mij hard geslagen en geplaagd, en langen tijd heb ik niets dan ramp op ramp beleefd. Dat schijnt meer of min godslasterlijk te klinken, alsof de gemeente den Heere wilde beschuldigen, haar het goede onthouden te hebben. Maar het was immers juist des Heeren liefde en trouw, die haar langs zulke wegen van kruis en druk geleidde. En juist dan, wanneer de Heere allerlei onheil, ja den helhond zelf op ons afzendt, openbaart Hij zich als de goede Herder, die Zijne schapen op de goede, eeuwig groenende en bloeiende heide hebben wil. Er staat immers in dezen 90en Psalm, vs. 7 : want wij vergaan door Uwen toorn, en door Uwe grimmigheid worden wij verschrikt. Het is dus door Zijnen toorn, dat wij vergaan, het kan niet anders dan dat Hij met Zijne slaande hand ons komt bezoeken, want in het gewone leven moet immers een herder ook wel eens zijne 17

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1937

Brochures (TUA) | 22 Pagina's

De vergankelijkheid van des menschen leven (Oudejaarsavondpredikatie) - pagina 17

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1937

Brochures (TUA) | 22 Pagina's

PDF Bekijken