Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VISIE OP HET ONDERWIJS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

VISIE OP HET ONDERWIJS

kind en catechesatie

10 minuten leestijd

Het object der Catechese

Dit is het jeugdige kerklid, dat van onmondig tot mondig moet worden opgevoed.

In verband hiermede komt ter sprake de verhouding van paedagogiek en psychologie tot de catechese. Paedagogiek is de wetenschap van de opvoeding der jeugdigen. En opvoeding is de kunst om den jeugdigen mensch op te leiden tot zijn bestemming in het leven en hem geschikt te maken voor de positie, die hij als volwassene in de wereld innemen moet.

Paedagogiek is de kunsttheorie van de opvoeding. De paedagogiek of de opvoedkunde behandelt dus het doel van de opvoeding, het object of de jeugdige mensch en de middelen, die daartoe dienen.

Dit doel wordt beheerscht door de religieuze of godsdienstige overtuiging, waarvan men uitgaat. En zoo stelt de christelijke paedagogiek vast, dat de roeping van den volwassen mensch is om God te dienen met alle gaven en krachten. Dat dus de opvoeding ten doel heeft om den jongen mensch op te leiden tot een mensch Gods, tot alle werk volmaaktelijk toegerust, zooals Salomo zegt: Leer den jongen de eerste beginselen van zijn weg. Als hij ook oud geworden is, zal hij daarvan niet afwijken. De jonge mensch moet zoo gevormd worden, dat hij de roeping kan vervullen, die overeenkomstig zijn aanleg en levensomstandigheden, voor hem is weggelegd. Het doel is dat hij in de christelijke levensfeer zijn plaats zal kunnen innemen.

Het object der opvoeding is de nog niet volwassen mensch.

De christelijke paedagogiek laat ons den jeugdigen mensch kennen als een schepsel Gods, wezenlijk onderscheiden van het dier en geschapen voor een eeuwigheid. Zij doet hem zien als een, in Adam, het eerste hondshoofd, gevallen zondaar, die van nature zich al verder van God afkeert. Zij grondt zich verder ook op de openbaring van Gods genade in Christus voor Zijn uitverkorenen en houdt rekening met de openbaring of bediening van het genadeverbond. De middelen, die zij aanwijst, zijn allereerst de opvoeding in huis van de ouders en verder de school, waar meer systematisch de opvoeding plaatsgrijpt, naar de regelen der psychologie. Doelt nu de opvoeding er op om den jongen mensch op te voeden voor zijn plaats in het leven meer algemeen, de catechese ziet op zijn kerkelijke en religieus-geestelijke vorming. En is de psychologie hulpwetenschap voor de paedagogiek, zij is het ook voor de catechese. De psychologie behoort tot de groep wetenschappen, die de natuur tot voorwerp hebben. En onder de natuur verstaan wij het geheel van de geschapen dingen, dus zoowel de wereld des geestes als die van de stoffelijke dingen. De wetenschap, die de stoffelijke dingen tot voorwerp van onderzoek heeft, noemt men de natuurwetenschap in engeren zin, en de wetenschap, die de geestelijke substantie als haar eigen voorwerp heeft, de pneumatologie of de psychologie (de wetenschap der ziel) De psychologie is dus de wetenschap, die de bewustzijnsverschijnselen constateert, verklaart hoe ze tot stand komen en in onderling verband staan en die gegevens in hun samenhang beschrijft. Uit deze omschrijving blijkt, dat zij een beschrijvende en verklarende wetenschap is. Zij is maar een hulpwetenschap voor de Catechetiek.

Zij nu, en met name haar onderdeel, de psychologie der religie, leert het object der catechese kennen. Zij toch geeft een overzicht van de krachten der ziel, teekent het ontwikkelingsproces dat de individueele psyche, dus de kinderziel in den loop der jaren heeft door te maken,

beschrijft hoe het religieuse leven in het kind zich uit en tracht ook het verband tusschen bepaald religieuse voorstellingen in milieu, karakter, leeftijd, ras enz. aan te wijzen en te verklaren.

Zij biedt dus bij de beschrijving van het object en het vaststellen van de methode der catechese belangrijke gegevens. Zij leert n.1. dat er allereerst drie groepen van hoofdkrachten in den mensch zijn:

1. De kenfunctie of het kenvermogen.

2. De streeffunctie of het wilsvermogen.

3. De gevoelsfunctie of het gemoed.

Door de kenfunctie leeren wij de dingen buiten ons kennen in de gegevens, die de buitenwereld ons biedt, tot een geheel te verwerken. In dit kenvermogen onderscheidt men een hooger en lager element of deel.

Tot het lagere deel rekent men de gewaarwording, de waarneming, het geheugen en de fantasie. Tot het hoogere het verstand, de rede en het zelfbewustzijn. Ook bij de streeffunctie of het streefvermogen treffen wij dit aan. Zoo spreekt men van lagere strevingen, zooals de driften, de neiging, de wensch, het verlangen en begeeren. En tot het hoogere behoort dan du werkzaamheid van den wil, die kiezen, bestemmen en gebieden insluit.

En eindelijk maakt men ook in de gevoelsfunctie of het leven van het gemoed dit onderscheid. De lagere gevoelens zijn dan de zinnelijke gevoelens, zooals die van honger, dorst, verzadiging enz., die met de zintuigen samenhangen of met het vegetatieve, het nog niet zedelijke leven, alsmede de gewaarwordingsgevoelens. In het hoogere gevoelsleven zijn: aesthetische, intellectueele, ethische en religieuze gevoelens. En is het voorwerp van het kennen, het ware in onderscheiding van het valsche, dat van den wil het goede en het kwade, dat van het gevoelen het schoone en het onschoone met een aandoening van lust of onlust. Dit alles nu dient om het object der catechese nader te beschouwen. Want voorts let de psychologie op den ontwikkelingsgang, die het kind doormaakt. En daarbij geldt, dat over het algemeen kan worden aangenomen, dat de jeugdperiode duurt tot het een en twintigste jaar. Dan is de jonge mensch lichamelijk, en wat de ontwikkeling van het zieleleven betreft, volwassen. Drie perioden worden onderscheiden, die tot het zevende jaar, die van het zevende tot het veertiende en die van het veertiende tot het een en twintigste jaar. De tweede periode is de schoolperiode en daarin vangt ook de catechisatie aan. In deze periode functionneeren de zintuigen tamelijk normaal. De waarneming is echter nog oppervlakkig en oncritisch, de voorstellingen nog onbelijnd, terwijl de opmerkzaamheid hierbij nog gering is. Het kind kan nog niet veel verwerken en is spoedig vermoeid. Het leeft meer in aanschouwelijke voorstellingen en is beter te trekken met concrete voorbeelden dan met abstracte redeneeringen. Het geheugen ontwikkelt zich sterk in de schoolperiode. Men kan in het algemeen goed uit het hoofd leeren, ook wat nog niet begrepen is. Het denken ontwikkelt zich ook in vrij sterke mate, terwijl ook reeds op de motieven van daden en het verband van dingen wordt gelet.

Wat het wilsleven betreft, gaat alles minder instinctief toe en gaat het driftleven zich verbinden met het redelijk denken. De speeldrift is nog sterk, maar al eenigszins ontwikkeld. Ook de vcrzameldrift, die soms de perken te buiten treedt, is aanwezig. Buiten het spel is nog weinig doorzettingsvermogen.

Het gevoelsleven is zwak en ondiep en afwisselend. Bij meisjes is het gevoel fijner dan bij jongens. In de hoogere gevoelens is het aesthetisch gevoel nog gering. Van de ethische treedt vooral het ontwikkelde zelfgevoel op den voorgrond.

In de derde periode valt te onderscheiden tusschen de z.g. puberteitsof de overgangsperiode en die daarna tot den volwassen leeftijd. In de overgangsperiode (bij jongens van 14—17 en bij meisjes van i3—16 jaar) valt lichamelijk en wat het zieleleven betreft een overgang van het kinderlijke type tot dat der volwassenen waar te nemen. Psychisch is die periode er een van krachtsvermeerdering. Knapen en meisjes voelen dat hun lichamelijke en psychische krachten grooter worden en doen vaak dingen, die hun krachten te boven gaan.

In het kenleven ontstaat een groote krachtsontwikkeling. Het geheugen kan veel presteeren. Het is een tijd van leeren. Soms ook droomerige fantasieën aan het woord. Het abstractievermogen gaat, zij het nog niet zoo duidelijk onderscheidend, werken. Men begint critisch te worden. Het autoriteitsgeloof begint te wankelen. Bij het onderwijs dient daarom rekening gehouden te worden met een eenvoudige argumenteering. Ook in het wilsleven is krachtsontwikkeling op te merken. Van de driften kunnen met name genoemd de sexueele, die naar kennis en de sociale driften. Het egoisme, den kinderleeftijd eigen, verzwakt; soms is er een sterk klassebewustzijn. Daarmede in verband is ook het gevoelsleven fel bewogen. Dit komt uit b.v. in de stemmingen, (luimig, humeurig). Neerslachtigheid en lachbuien wisselen elkander af. Voor vrees is overmoed in de plaats gekomen. Het aesthetische gevoel komt naar voren. De 2de phase in deze periode is die, waarin de jongeling opwast tot zelfstandige persoonlijkheid evenals de meisjes. De jonge mensch komt tot rijpheid en slaat in die jaren gewoonlijk den weg in, dien hij sociaal en religieus heel zijn leven blijft volgen. Het is de z.g. storm-en drangperiode, die in vele gevallen op een en twintig-jarigen leeftijd voleindigd is, maar ook soms duren kan tot vijf en twintig jaar. In religieuzen zin is het nogal eens de tijd van bekeering. Het sexe-onderscheid treedt ook sterker naar voren. Op het gebied van het kennen is het de tijd voor examenstudie. Groote vaardigheid is er om nieuwe voorstellingen te vormen en te reproduceeren. Het is ook de tijd om abstracte begrippen te vormen. Bij mannen is over het algemeen een krachtig denken; het vermogen om gemakkelijk te abstraheeren en naar logische wetten te redeneeren; de neiging om de oorzaken der dingen na te speuren en in het bijzondere het algemeene te ontdekken. Bij vrouwen staat niet de denkkracht naar het emotioneele, het gemoedelijke, op den voorgrond. Ook de wil komt tot zelfstandigheid. Er is zelfstandigheidsbesef ontstaan, dat echter goede leiding noodig heeft. Er is de sociale en navolgingsdrift met ontloken liefde. In het gevoelsleven staat het zelfgevoel op den voorgrond. Van de hoogere gevoelens is het aesthetische gevoel meer ontwikkeld en laten zich ook de ethische, intellectueele en religieuze gevoelens gelden.

Dit alles is voor de religie van beteekenis. De religie bestaat in het ware kennen en dienen van God. Zij omvat de godzaligheid, de liefde tot God en den naaste.

Zooals in het natuurlijke, zoo is ook in het religieuze de kinderperiode, die van afhankelijkheid en receptiviteit, en geschiktheid om in zich op te nemen. De voorstellingen zijn aanschouwelijk, er is de navolgingsdrift, het navolgen van de religieuze handelingen der ouders, ook wel indrukken van schuld. In de overgangsperiode zijn er verschillende groepen. Zulken, die in kalm levensverloop meeleven met kerk en catechisatie. Anderen, die duidelijk blijk geven dat zij op den breeden weg wandelen, geen lust toonen in den uiterlijken godsdienst, laat staan dat vreeze Gods in het hart woont. Derden beloofden wat in de kinderperiode, maar toonen zich nu gansch anders.

Vaker zijn zij soms gelijk aan den verloren zoon, die tot bekeering komt. Anderen toonen nog weer veel trekken van ondeugendheid en verkeerdheid in jeugd en puberteitsjaren, maar komen in of na de storm-en drangperiode tot bekeering, of ook tot uiterlijk gezetten godsdienst. In den jongelingsleeftijd nu neemt dit alles vasten vorm aan, komt het tot zelfstandigheid, hetzij dat men in de gemeente tot belijdenis komt, of ook wel heelemaal breekt. Men uit zich in het jeugdleven over het algemeen niet zoo gemakkelijk over het persoonlijk religieuze leven.

Met al deze wisselende gegevens en ontwikkelingsphasen inbegrepen is dus het jeugdige kerklid van plus minus 9 tot plus minus 21 jaar het object der catechese.

uit: Catechetiek en hermeneutiek door Dr G.Üteenblok,

1946, N.V. Drukkerij De Banier - Utrecht

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1973

Criterium | 32 Pagina's

VISIE OP HET ONDERWIJS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1973

Criterium | 32 Pagina's

PDF Bekijken