Bekijk het origineel

De aanhoudende zorg van drs. K.de Jong Ozn

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De aanhoudende zorg van drs. K.de Jong Ozn

6 minuten leestijd

Het is de realiteit dat ieder in normale omstandigheden minstens tien jaar van zijn speelse jeugd aan de schoolbanken gekluisterd zit. Wettelijk is de leerplicht tot het zestiende levensjaar, opdat iedereen later op voldoende algemene vorming zal kunnen bogen. Door de voorstanders wordt het als een maatschappelijke eis gezien, dat de regering hier een bindend wettelijk kader schept.

Vanuit dit gezichtspunt is men ook een partiële leerplicht gaan stellen. Tot en met het zeventiende jaar dient nog in ieder geval twee dagen scholing en/of vorming gevolgd te worden door de werkende jeugd.

Een van de grote problemen, waarmee onze maatschappij hedentendage worstelt, is de jeugdwerkeloosheid. Hier betreden we wel een terrein, waarover het laatste woord nog niet gezegd is. We moeten wel met deze problematiek diepgaand bezig zijn om er iets zinnigs van te zeggen. Vooralsnog lijkt me de stelling gewettigd, dat dit probleem deels te wijten is aan het gevoerde beleid van eerdere regeringen. Immers het lager beroepsonderwijs (l.b.o.) is steeds breder van opzet geworden; een grondige voorbereiding op het toekomstige beroep is steeds minder gangbaar geworden. En is het de diverse bedrijven kwalijk te nemen, dat ze liever geen jongeren in dienst nemen die nog gedeeltijk leerplichtig zijn? Daarom is het te begrijpen dat het VVD-kamerlid Voogd van de partiële leerplicht afwil.

In dit artikel willen we zo summier mogelijk een van de vele problemen die het voortgezet onderwijs kent, aansnijden: de proefprojecten onderwijsvoorzieningen 16-18-jarigen.

Voorgeschiedenis.

Onze vorige minister van Onderwijs en Wetenschappen, dr. J.A. van Kemenade, heeft ervoor gezorgd, dat de nota "Participatieonderwijs" op 1 augustus 1976, in werking strad.

In het kader van dit onderwijs waren voorzieningen gepland voor een full-time en een part-time variant, waarbij er van uitgegaan werd, dat de leerplicht tot achttien jaar verlengd zou worden, en de part-time variant dan pas daarna een rol zou spelen.

Echter het huidige kabinet voelt niet al te veel voor leerplichtverlenging tot 18 jaar.

Onder druk van onderwijsorganisaties, die wel in zagen dat er van

do nota "Participatieonderwijs" niet veel terecht zou komen, en onder druk van de toenemende jeugdwerkeloosheid zet staatssecretaris De Jong Ozn. zich al enige tijd in voor een deelgroep van de jongeren van 16 tot 18 jaar. Het zijn die jongeren, die te weinig beroepsopleiding hebben, toch een dagstudie wensen te volgen, maar nergens, dat wil zeggen aan geen der bestaande schooltypen, welkom zijn.

In samenwerking met minister dr. W. Albeda (Sociale Zaken) bood de staatssecretaris de Tweede Kamer en het onderwijsveld een notitie aan, getiteld: "Proefprojecten nieuwe onderwijsvoorzieningen voor 16-tot 18-jarigen”.

Volgens de notitie zullen er proefprojecten aangewezen moeten worden, welke nieuwe onderwijsvoorzieningen moeten voorbereiden; onderwijsvoorzieningen voor jongeren die anders uit "de boot" zouden vallen. Het is de bedoeling dat met ingang van 1 augustus 1979 met de opzet van een aantal proefprojecten zal begonnen worden. Tot nu toe, begin juni 1979, zijn er 21 projecten aangewezen.

Voor wie?

Het betreft beroepsopleidingen, die in beginsel toegankelijk moeten zijn voor leerlingen van het l.b.o. en van het mavo, al of niet met diploma, en voor uitvallers van het havo of het middelbaar be* roeosonderwijs (m.b.o.). Voor degenen zonder diploma geldt in het algemeen dat zij tien jaar dagonderwijs gevolgd moeten hebben. Tot op heden was er voor deze categorie jongeren alleen de mogelijkheid om te gaan werken - juist voor hen is dit een probleem - , gecombineerd met beroepsbegeleidendonderwijs (leerlingenwezen) en/of vormingswerk gedurende twee dagen per week.

Degenen, die wel een diploma van vierjarig l.b.o. of het mavo bezitten, hebben toegang tot het m.b.o., maar niet allen prefereren een moeilijke verdere studie. Ook voor hen zou dan de nieuwe onderwijsvoorziening 16-tot 18-jarigen een mogelijkheid zijn zich te bekwamen tot aankomend vakman.

De inhoud van deze voorzieningen

Na twee jaar behoort de abituriënt de opleiding tot aankomend vakman ontvangen te hebben.

Volgens de notitie is het niveau van de voorziening ten minste gelijkwaardig aan de primaire opleidingen van het leerlingen wezen.

Beide vormen, de nieuwe opleiding en het leerlingenwezen, moeten als volwaardige alternatieven naast elkaar blijven bestaan; immers niet iedereen wenst na z'n 16e jaar dagonderwijs te volgen.

Hoewel de bewindsleden, vaak tegen de zin van diverse organisaties, het beroepsgerichte van deze onderwijsvoorziening benadrukken, zal er ook naast de eigenlijke beroepsopleiding met praktijk, theorievakken en eventueel stage, een gedeelte bestaan uit persoonlijke en maatschappelijke vorming. Een derde gedeelte kan het bevoegd gezag naar eigen inzicht invullen.

Het is daarom van belang aan welke school onze jongeren deze opleiding volgen. Misschien liggen er, nu er aanduidingen zijn dat het reformatorisch onderwijs als een andere denominatie dan het protestants-christelijke beschouwd wordt, perspektieven voor dit reformatorisch onderwijs door deze onderwijsvorm aan bestaande instellingen toe te voegen. Naast de genoemde twee-jarige beroepsopleiding is het mogelijk om maximaal 1 jaar een beroepsoriënterend programma te volgen, bestemd voor leerlingen die niet voldoen aan de toelatingseisen, of die "het nog niet weten”.

Een ander programma is gericht om de speciale tekorten m de vooropleiding weg te werken. Verder is er de mogelijkheid een algemeen oriënterend programma te volgen, waarbij mijns inziens de nadruk dan wel weer op de algemene vorming komt te liggen. Combinaties van verschillende programma's zijn mogelijk.

Struktureel aspekt

De proefprojecten zullen mogelijk gemaakt moeten worden bij beroepsopleidingen.

Aan de instituten voor beroepsbegeleidend onderwijs en vormings-

werk zullen daarnaast oriënterende en andere programma's moeten worden verbonden.

Struktureel gezien dienen deze projecten aan te sluiten bij de ontwikkelingen van het participatieonderwijs, en bij de herstrukturering van het middelbaar huishoud-en nijverheidonderwijs (mhno) en het middelbaar sociaal-pedagogisch onderwijs (mspo).

De nieuwe onderwijsvoorzieningen moeten dan ook een "bijdrage leveren aan de onderlinge afstemming en harmonisatie van de onderwijssoorten in het middelbaar onderwijs.”

De leerling moet door middel van deze onderwijsvoorziening in staat zijn een meervoudige kwalificatie te verkrijgen, dat wil zeggen, hij moet kunnen gaan werken als aankomend vakman, maar hij moet ook verder kunnen leren.

Stand van zaken.

De ontwikkelingen die rond deze proefprojecten gaande zijn, doen vermoeden dat de aanpak van de staatssecretaris weinig gelukkig te noemen is.

Inhoudelijk worden deze nieuwe voorzieningen op verschillend terrein bekritiseerd.

Van linkse zijde vooral verwijt men de staatssecretaris dat hij de uitvoering van de nota "Participatieonderwijs" schromelijk verwaarloost.

Van de zijde van het beroepsonderwijs bewijst men - naar mijn smaak vrij overtuigend - dat de leerlingen na twee jaar scholing aan een der proefprojecten nooit die scholing kunnen hebben, als degenen die deze aan de bestaande opleidingen van het leerlingenwezen ontvangen. De bewindslieden wekken volgens hen ten onrechte de indruk dat - juist in een tijd van sprecialisatie op allerlei terrein - de abituriënt de capaciteit van aankomend vakman heeft.

De nieuwe voorzieningen zijn volgens hen wel uitstekend geschikt om naast de vereiste theoretische scholing de praktische basisvaardigheden bij te brengen.

Van confessionele zijde wordt de staatssecretaris verweten, dat er geen evenwichtige spreiding van de proefprojecten naar denominatie heeft plaatsgevonden: er is een oververtegenwoordiging van niet-confessionele zijde. Het onderwijskundig aspect zou bij de toewijzing teveel de nadruk gekregen hebben.

Conclusie

Het is alleszins begrijpelijk dat in een tijd van conjunctureel verval en de daaruit voortvloeiende jeugdwerkeloosheid een dergelijke onderwijsvoorziening in het leven geroepen zal worden. Verwacht

van mij echter niet een positieve of een negatieve beoordeling over deze zeer complexe materie; ik constateer alleen feiten.

Wel lijkt het er mijns inziens sterk op, dat de gevolgen van de kwaal aangepakt worden in plaats van de kwaal zelf.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 mei 1979

Criterium | 53 Pagina's

De aanhoudende zorg van drs. K.de Jong Ozn

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 mei 1979

Criterium | 53 Pagina's

PDF Bekijken