Bekijk het origineel

Naar het bevel en de belofte des Konings

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Naar het bevel en de belofte des Konings

de Afscheiding en de smalle weg der afgescheidenen

34 minuten leestijd

Aan de hand van een tweetal in de vorige eeuw gevoerde discussies willen we in dit artikel stil staan bij de Afscheiding van 1834.

In het eerste gedeelte van dit artikel willen we de aandacht vestigen op de briefwisseling uit 1834 tussen ds. H. de Cock (1801-1842), de vader der Afscheiding, en dr. H.F. Kohlbrugge (1803-1875). Uit deze discussie zal ons duidelijk worden dat het punt van geschil - voor of tegen afscheiding - zich toespitst op de vraag naar de inhoud van een zuiver gereformeerd kerkbegrip.

Dit kardinale punt zien we terugkeren in de controverse tussen ds. S. van Velzen (1809-1896) en mr. G. Groen van Prinsterer (1801-1876) uit 1848, waar we in het tweede gedeelte van dit artikel aandacht aan zullen besteden.

Ds. H. de Cock en dr. H.F. Kohlbrugge')

De houding van dr. Kohlbrugge ten opzichte van de Afscheiding is van het begin af aan zeer duidelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar geweest: hij heeft haar beslist en resoluut afgewezen. AI was hij zelf geboren en opgegroeid in een uit afscheiding ontstane gemeente (de Hersteld Lutherse Gemeente te Amsterdam, in 1791 uit de Evangelisch-Lutherse Gemeente ontstaan); al was hij als proponent en hulpprediker afgezet vanwege de aanklacht die hij indiende tegen de plaatselijke predikant Uckermann; al was zijn verzoek om lidmaat te worden van het Nederlands Hervormd Kerkgenootschap (nadat hij, door de bestudering van de geschriften van Calvijn en Olevianus, meer en meer overtuigd was geworden van de juistheid van de gereformeerde leer) hem op schandelijk willekeurige gronden geweigerd 2 ) waardoor hij van 1833 tot 1845 als ambteloos burger te Utrecht woonde, en al was er in feite dus niets wat hem persoonlijk had kunnen weerhouden zich bij de afgescheidenen aan te sluiten, toch heeft hij deze weg nooit willen gaan. Men heeft het wel van hem verwacht, men heeft zelfs getracht hem ertoe aan te zetten (rijke Engelsen moeten hem daartoe eens 100.000 gulden aangeboden hebben) en in de vriendenkring van het Reveil

heeft men ervoor gevreesd. In Utrecht immers, in zijn woningaan de Zuilenstraat, verzamelde zich iedere zondag, echter buiten de uren der kerkelijke prediking, een kring van gelovigen om oefeningen te houden. Hij "bleef altijd thuis om een iegelijk met des Heeren Woord en met de vertroostingen, waarmede de Heere mij vertroostte, te dienen". In 1832 ook, had hij een request tot de koning opgesteld om in conventikelverband bidstonden tc mogen houden vanwege een destijds heersende cholera-epidemie. Bij de begrafenis van zijn eerste vrouw 3 ) waren het drie mannen uit deze Utrechtse kring die de slippen van het lijkkleed droegen. Utrechtse straatjongens riepen hen spottend na: "Daar zijn ze, die dominee in de afgescheiden kerk willen worden."

Bij de verpleging van zijn vrouw, die aan de tering was overleden, was Kohlbrugge zelf ook ziek geworden en daarom moest hij, op medisch advies een reis naar de Rijn maken om van zijn ziekte te herstellen (zomer 1833). Dan verblijft hij ook te Elberfeld, waar hij op uitnodiging zestien keer voorgaat in de dienst des Woords. Op 3 1 juli houdt hij er zijn zo bekend geworden preek over Romeinen 7 : 14. Bij de voorbereiding op deze preek komt het in het leven van Kohlbrugge tot een 'tweede bekering'.

Voorheen had hij deze tekst altijd als volgt gelezen: "ik, Paulus, ben, voorzover het vlees aangaat, verkocht onder de zonde". Voor het eerst ziet hij nu echter de komma in de tekst: "Ik weet niet, dat mij ooit in mijn leven iets méér aangegrepen heeft dan het zien van deze komma: 'ik ben vleselijk' - komma! - 'verkocht onder de zonde'." Dus ook de wedergeboren, bekeerde mens is en blijft in zichzelf vleselijk, verkocht onder de zonde. Wan-

neer dit vonnis erkend wordt, wat blijft er dan anders over dan "om zó, als wij zijn, het Woord te geloven en daarmee op God te zinken en Christus aan te grijpen, komen wij erbij om, zo komen wij erbij om". "Van al zijn vorige geestelijkheid ontdaan, naakt en ontkleed, als een goddeloze" verkondigt hij voortaan aan de armen en ellendigen. die met hun heiligingskrukken de berg Sion niet op kunnen komen, een volkomen Zaligmaker, nl. Christus, Die ons niet alleen geworden is wijsheid van God en rechtvaardigheid, maar ook heiligmaking (1 Kor. 1 : 30). Want in Hem zijt gij volmaakt (Kol. 2 : 10). Alle menselijke activisme is hier dus bij de wortel afgesneden. 4 )

Dan worden hem echter door het ministerie-Altenstein de kansels van de Rijnse landskerk ontzegd daar hij een tegenstander bleek van de van regeringswege opgelegde vereniging van de Lutherse en Gereformeerde Kerk (Union) en van de aan de Kerk voorgeschreven liturgie (Agende).

Zo is hij begin 1834 weer terug in Utrecht.

Inmiddels was ds. H.de Cock, predikant te Ulrum 5 ), door het classicaal bestuur van Middelstum geschorst naar aanleiding van zijn geschrift tegen de predikanten Meyer Brouwer en Benthem Reddingius 6 ). Later zou het provinciaal kerkbestuur van Groningen dit vonnis bevestigen en nog verzwaren door hem voor de tijd van twee jaar te schorsen, nu ook met verlies van traktement.

Velen in den lande gaven door middel van brieven blijk van instemming met de opvattingen en het optreden van De Cock. 7 ) Onder hen ook een vrouw afkomstig uit de Reveilkring rondom de Rhedense predikant W. Laatsman: Freule Ursuline Philippine Baronnesse van Verschuer (geb. 28-8-1794 te Utrecht), met wie Kohlbrugge 31 - 10-1834 zou hertrouwen. Zij schrijft hem in een brief d.d. 12-2-1834 8 ) dat zij en vele anderen uit de Reveilkring te Nijmegen e.o. met volkomen instemming en innige blijdschap zijn geschrift ter verdediging van de Gereformeerde leer gelezen hadden.

In deze kring was ook Kohlbrugge's preek over Rom. 7 : 14 met grote dankbaarheid en innerlijke overeenstemming ontvangen. Over Kohlbrugge en diens preek schrijft zij dan ook met grote sympathie aan De Cock. In een brief aan Freule van Verschuer d.d. 14-4-1834 betuigt De Cock zijn hartelijke instemming met Kohlbrugge's preek. 9 )

Ook heeft De Cock in die tijd een brief aan Kohlbrugge geschreven om hem om raad te vragen wat te doen in de moeilijke situatie waarin hij verkeerde. Inmiddels had Kohlbrugge ook het geschrift

van De Cock gelezen en was er diep door getroffen. En nadat hij ook de brief van De Cock ontvangen had, schreef hij hem een zeer hartelijke brief d.d. 3-5-1834, waarin hij zijn innige blijdschap uitsprak over het feit dat hij in De Cock een besliste medestrijder had gevonden en waarin hij hem raad gaf wat te doen:

"Eerwaarde, zeer geachte en veelgeliefde Broeder in Christus, de Enige. Genade, vrede en barmhartigheid zij u, uw getrouwe aan de Heere verbonden echtgenote en al des Heeren lieve volk, dat bij u uit-en ingaat, overvloediglijk geschonken en rijkelijk vermenigvuldigd van God onze Vader en van onze Heere Jezus Christus.

Nadat ik uit Elberfeld in mijn ledig huis teruggekomen was. kreeg ik het allereerst uw boek in handen, hetwelk de Heere u te schrijven heeft gegeven tegen twee mannen, wier namen ik verloren ben. wier schriften verloren werk is, en wier personen verloren zijn, tenzij de Heere, Die rijk is in barmhartigheid. Zich over hun zielen nog ontferme. Ik verblijdde mij zodanig in de Heere, dat ik uw geschrift als verslond, voornamelijk omdat gij als een getrouw dienaar in Gods huis niet geraadpleegd hebt met vlees en bloed, maar gehoorzaam aan de waarheid Gods, zo ernstig hebt gewaarschuwd tegen de paden des inbrekers en als een Pinehas gedreven door de ijvergeest des Heeren, te zwaard hebt aangetast de hoereerders in Israël. Temeer verblijdde mij dit, omdat ik vooral gewaar werd, hoe de Heere u Zijn Vaderhart ontsloten en door Zijn Geest geopenbaard heeft, dat onze eeuwige zaligheid op recht gegrond is en dat recht en gerechtigheid de vaste grondslagen zijn van de troon onzes Gods, en dat, gelijk de zonde geheerst heeft tot de dood, alzo ook de genade heerst tot het eeuwige leven door Jezus Christus, onze Heere. Sedert die tijd heb ik vurig verlangd, u öf te schrijven öf liever u van aangezicht te leren kennen... Ik weet niet, wat mij tot nog toe belette u te schrijven of liever u persoonlijk te bezoeken; de Heere, naar Wiens wil en op Wiens tijd alles geschiedt, zal ook dit mij wel duidelijk maken."

Vervolgens adviseert Kohlbrugge hem wat te doen:

"Indien ik predikant was, dat is, indien ik handoplegging ontvangen had, gelijk gij, ik zou mijn bediening blijven waarnemen... Niet geschorst waar gij predikant van de gemeente te Ulrum; geschorst, zijt gij het van de gemeente te Ulrum en van alle gemeenten waar men u horen wil. Ik zeg niet, dat gij het daarom ook zo doen moet, maar ik zou het doen, indien ik als predikant van een Hervormde gemeente geschorst was. Ik liet het stenen gebouw en de houten

preekstoel staan waar ze stonden, verzette mij tegen alle geweld, dat de een of ander zou willen aanwenden om mij tegen het wettig bestuur te beschermen, en liet met mij doen wat men goed achtte. De apostelen hebben immers ook geen geweld gebruikt. Kracht of geweld van mensen, vleselijke wapenen doen het hem niet, maar zijn een gruwel in Gods ogen en altoos nadelig voor de zaak der waarheid, zoals de geschiedenis der Hussieten duidelijk bewijst. Passief (lijdelijk) moeten wij zijn in alles; daarmede verwerven wij ons wel geen vrienden, maar dat doet er niet toe. Die erop in willen slaan zijn helpers van de duivel. De door de Heere geroepen apostelen gehoorzaamden in alles het wettig gezag, maar hun lippen lieten zij niet bedwingen; zij lieten zich geselen en boeien met een vrolijk gelaat, stenigen en half dood slaan, maar in het ambt hun door de Heere toevertrouwd, waren zij getrouw... Gij schijnt mijn mening 10 ) uitgelegd te hebben, alsof de gemeente geweld met geweld moest keren en gij u aan het hoofd daarvan moest stellen. Ik gruw van zulk een leer!... Uw plicht is: te waken voor de kudde, die u toevertrouwd is, u dapper tegen de wolven te weer te stellen, gelijk gij ook doet, te protesteren bij het kerkbestuur, dat u geschorst heeft, en hun te laten weten, dat gij niet anders kunt doen dan voortgaan het Evangelie te verkondigen en uw ambt waar te nemen als voorheen, al is het dan ook op buitengewone wijze. (...)

In eeuwigheid laat de Heere niet beschaamd worden die Hem verbeiden. Nog een weinig tijds en Hij komt. Hij komt en wij gaan binnen in het Vaderhuis. Daar zullen wij eerst recht heilig lachen ook over onze domheid, dat wij. Koningskinderen, een weg die toch zo heerlijk was, zo vreselijk vonden. Vervloekt is de man, die vlees tot zijn arm stelt! Gezegend is de man, wiens verwachting de Heere

is, en die zich sterkt in Jehova, zijn God!"

In de zomer van 1834 stonden de zaken dus als volgt: lijkens zijn briefwisseling met Freule van Verschuer stemde De Cock geheel en van harte in met Kohlbrugge's preek over Rom. 7 : 14. Blijkens de brief van Kohlbrugge aan De Cock sloot volgens hem een recht verstaan van Rom. 7:14 het overgaan tot afscheiding uit. Dit blijkt ook uit latere brieven van Kohlbrugge, waarin hij uitspreekt een nauw verband te zien tussen de Afscheiding en de veroordeling (door ds. H.P. Scholte) 11 ) van zijn preek over Rom. 7 : 14. Zo schreef hij later aan een zekere Lucas Smit te Westmaas: ... in 1833 verscheen van mij een leerrede over Romeinen 7:14. Zij, die spoedig daarop de Afscheiding invoerden, verwierpen die leerrede en beschuldigden mij van antinomianisme of wetsbestrijding. Ik bestudeerde toen alle boeken, die ooit door de antinomianen uitgegeven zijn. Dat noemde ik en dat noem ik nog: nschuldig bloed vergieten, om namelijk iemand te beschuldigen van die ketterij aller ketterijen, waarvan mijn ziel een afschuw heeft. Zij verwierpen in mijn persoon het getuigenis, waarin de redding van land en kerk lag. Tegen al mijn waarschuwen in werd de Afscheiding begonnen en voortgezet. Honderden, die in twijfel stonden of zij zich zouden afscheiden, vroegen eerst aan mij, hun in de naam des Heeren te zeggen wat hier de rechte weg was. Zij hoorden dit aan, kwamen telkens terug, zeiden eindelijk, dat zij maar niet tot klaarheid konden komen, en scheidden zich intussen spoedig af. Zij, die 'de Kerk' vormden, gingen kerkjes stichten, lieten zich door onbekeerde jongens drijven om naar vlees te kunnen wandelen, en verwierpen in mij de door God gezonden en door veel lijden toebereide getuige, die weer met de leer kwam, welke God op het hoogst verhoogt en de mens op het diepst verootmoedigt. Die ik liefhad keerden mij de rug toe en de vijanden kregen hun zin." Zo ook in een brief uit 1839 aan ds. A. Brummelkamp, predikant der afgescheidenen te Hattem, die hem in een brief gevraagd had waarom hij zich tot dusver van hen verwijderd had gehouden en of hij een eventueel beroep naar een van hun gemeenten aan zou willen nemen. Waarop Kohlbrugge antwoordde:

"... Brummelkamp! Voordat er een Afgescheiden Gemeente was, is er een zonde begaan, is er onschuldig bloed vergoten, 12 ) dat de vloek heeft doen kleven ook op hen, die de Afscheiding begonnen, voortgezet en tot hiertoe tezamen gehouden hebben, hetzij bewust of onbewust. Op allen kleeft dat oordeel, die die zonde begaan of die

zich bij de vergieters van dat bloed aangesloten hebben, en die, zolang het eigen ik er niet mee gemoeid was, gehoorzaamd hebben; zonder die zonde was er zeker geen Afscheiding gekomen, en gijlieden hadt het heil des Heeren gezien met kracht, met wonderen en met tekenen van de God Israëls." 13 )

Uit het voorgaande moet echter wel duidelijk zijn, dat Kohlbrugge met deze woorden niet op ds. De Cock gedoeld kan hebben. Deze stemde immers volledig in met Kolhbrugge's heiligmakingsleer en Kohlbrugge wist dat. Maar ondanks die ernstige vermaning van Kohlbrugge om wel te blijven preken, maar verder in alles passief te blijven en zich vooral niet aan het hoofd te stellen van een beweging die geweld met geweld wilde keren, heeft De Cock deze weg niet bewandeld en is hij tot afscheiding overgegaan: op 14 oktober van datzelfde jaar 1834 werd door de grote meerderheid der lidmaten van de Hervormde gemeente te Ulrum de Acte van Afscheiding of Wederkering ondertekend, die de dag daarvoor door de ouderlingen en diakenen was ondertekend in een kerkeraadsvergadering waarin ds. De Cock verklaard had zich af te scheiden van het Hervormd Kerkgenootschap.

Het lijkt mij minder juist te suggereren (het is in ieder geval een niet met historisch bewijsmateriaal te staven hypothese), dat De Cock daartoe aangezet zou zijn door ds. H.P. Scholte. 14 ) Juister lijkt het mij te veronderstellen dat De Cock, niet ondanks, maar terwijl hij geheel en van harte instemde met Kohlbrugge's preek en heiligmakingsleer, vanuit het nochtans des geloofs, de weg der gehoorzaamheid gegaan is, zich heeft afgescheiden om weder te keren tot

de oude gereformeerde kerk, waar het Woord van God recht gepredikt, de sacramenten naar de instelling van Christus bediend en de tucht gehandhaafd wordt. Erkennend dat ook de wedergeboren mens vleselijk is en blijft en daarom het gevaar inziende dat zulk een streven al snel het karakter van vleselijke heiligmaking krijgt en daarom ook kritisch staande tegenover alle menselijk ijdel roepen als zouden wij ons inspannen "om de ere Gods en tot uitbreiding van Zijn Koninkrijk", toch: - het gebod zult ge laten staan. Hier wordt gehoorzaamheid ontvangen om deze weg te gaan en dat opdat er een kerk zij die waarlijk kerk mag heten, een werkelijk gereformeerde kerk naar vorm en inhoud, naar structuur en belijdenis, opdat het Woord Zijn loop hebbe door de geschiedenis en de gemeente der uitverkorenen toegebracht worde. Daar was het De Cock en met hem vele anderen die de weg van afscheiding gingen om te doen: om een naar vorm en inhoud, naar structuur en belijdenis werkelijk gereformeerde kerk.

Ook lijkt het mij minder juist in dit verband te spreken van een labadistisch kerkbegrip. 15 ) Het zich afscheiden van een naar vorm en inhoud ongereformeerd kerkgenootschap overeenkomstig het ambt aller gelovigen (art. 28 NGB), is geheel iets anders dan het stichten van nieuwe gemeenten buiten alle classicale en synodale reglementen om, die uitsluitend bestemd zijn voor dc ware gelovigen, voor "de enkele tarwekorrels, vermengd onder den grooten hoop kaf" (Anna Maria van Schuurman). De Afscheiding der vorige eeuw was geen hervormend pogen om tot zulk een "église a part" te komen, ook was het geen labadistische (ongezonde mystieke) theologie die eraan ten grondslag lag. Het pogen van De Labadie was ongeduldige en ongehoorzame anticipatie, inderdaad geïnspireerd door een ongezonde mystieke theologie. 16 ) In de Afscheiding der vorige eeuw echter, ging het om de eis en de belofte van de Koning der Kerk. De eis van een naar vorm en inhoud naar Zijn Woord gereformeerde kerk; de belofte dat Hij met haar zou zijn al de dagen tot de voleinding der wereld (Joh. 14 : 18). Daarom, omdat de Koning er Zelf voor instaat, zal er tot de laatste dag zo'n naar Zijn Woord gereformeerde kerk zijn (1 Kor. 11 : 26).

Indien er één document is, waaruit ons duidelijk wordt dat dit de zuivere gereformeerde visie op de kerk is, dan is dat wel de Acte van Separatie, die dateert uit het jaar 1617, dus uit de tijd der remonstrantse twisten (het stuk is te vinden in Documenta Reformatoria, deel 1, Kampen, 1960, p. 304). Dhr. L.M.P. Scholten heeft dit stuk, voorzien van commentaar, ook gepubliceerd in De

Wachter Sions, 21(1974), p. 189-190 en 197. Dhr. Scholten wijst erop dat in die tijd te Amsterdam "vergaderingen van correspondentie" georganiseerd werden, waarin de rechtzinnige, contra-remonstrantse predikanten bij elkaar kwamen. Op zo"n vergadering is deze Acte opgesteld. Daarin spreken de contraremonstrantse leraren duidelijk uit, dat het hun onmogelijk was met de Remonstranten in één kerkverband te leven. Zij achtten het dan ook geoorloofd zich van deze "kerkbedroevers en beroerders"af te scheiden (met een beroep op Rom. 16 : 17 en 2 Joh. vers 10 en 11) en aparte samenkomsten te houden (de Kruisgemeenten der Slijkgeuzen). Indien de nog te houden Nationale Synode de Remonstranten niet zou uitdrijven, maar zou modereren (aan de Remonstranten een wettige plaats binnen de Gereformeerde Kerk zou toekennen), dan zouden zij direct "een gehele eenparige scheiding volvoeren", naar art. 28 van de NGB.

Gelukkig heeft de synode van Dordrecht de Remonstranten uitgeworpen en al openbaarde zich later (in de 17e en 18e eeuw) ook veel gebrek en verval, toch verloor de kerk als geheel niet de kentekenen van de ware kerk: plaatselijk, classicaal en provincieel werd alles in het werk gesteld de zuivere leer te handhaven.

In de 19e eeuw echter werd aan brute ketterijen een legitieme plaats toegekend en zij die deze ketterijen bestreden, werden afgezet. Toen was dus het moment aangebroken zich af te scheiden. De contraremonstranten uit de bloeitijd van de gereformeerde theologie zouden niet anders gehandeld hebben.

Zo kende de Afscheiding een kerkelijke instelling, die niet alleen het Reveil, maar ook Kohlbrugge, die meer gemeentelijk georiënteerd was, zo niet kende.

Ds. S. van Velzen en mr. G. Groen van Prinsterer

Weliswaar had Groen het in 1837 middels een brochure voor de afgescheidenen opgenomen, 17 ) maar zelf heeft hij zich nooit bij de afgescheidenen aan willen sluiten, omdat hij de Afscheiding altijd principieel verworpen heeft. Met name in zijn werk Het regt der Hervormde Gezindheid 18 ) heeft Groen zijn bezwaren tegen de Afscheiding opgesomd. Ter verdediging van de Afscheiding publiceerde ds. Van Velzen zijn Apologie der Kerkelijke Afscheiding in Nederland, 19 ) waarop Groen antwoordde met zijn Aan Ds. S. van Velzen. 20 )

Als ik goed zie zijn de bezwaren van Groen tot het volgende drietal

te herleiden:

a. Het meest zwaarwegende bezwaar van Groen is het feit dat de afgescheidenen door het aanvragen van autorisatie (verlof van bestaan en inrichting, voor het eerst aangevraagd door de gemeente van ds. H.P. Scholte te Utrecht) het beginsel en de kracht der Afscheiding verloochend hebben. Vrijheid van godsdienst was immers geen gunst, maar een recht!; de afgescheidenen waren immers geen nieuwe secte, maar leden der gereformeerde gezindheid, ook zij waren een rechtmatige voortzetting der aloude gereformeerde kerk van Nederland, die als zodanig, op grond van art. 191 der Grondwet, aanspraak mochten en konden maken op die grondwettelijk toegezegde rechtsbescherming. 21 ) Hoe onjuist was daarom het aanvragen van autorisatie! 22 Ds. S. van Velzen. )

b. Ook legt Groen de afgescheidenen te laste, dat zij op overdreven, bekrompen wijze vasthielden aan de letterlijke inhoud der Drie Formulieren van Enigheid - m.n. op het punt van de leer der praedestinatie - , dat handhaving van de geest en hoofdzaak van die geschriften hen niet genoeg was. 23 ) Ook keerde Groen zich tegen een gebruik van de leer der praedestinatie in de spelboekjes der kinderen op de lagere school. In die tijd zou op de lagere scholen der afgescheidenen een leesboekje in gebruik moeten zijn geweest, waarin kinderen die voor het eerst woorden met vier lettergrepen leerden spellen, het woord 'voorbeschikking' moesten lezen. Ook in een ander (kerkelijk goedgekeurd) spelboekje kwamen uitdrukkingen voor, "die voor de theologen van Dordt wel vaste kost waren", maar Groen acht het met "de eerste regels eener christelijke opvoedkunde in strijd" om deze zaken reeds aan zeer jonge kinderen

mede te delen. Brengt dit bij de kinderen niet walging en afkeer teweeg, of maakt het niet ongevoelig en leidt het 7.0 niet tot huichelarij?

Ook een ander feit, nauw samenhangend met het z.i. te letterlijk handhaven van de Formulieren, is er de oorzaak van geweest dat Groen in de afgescheidenen zeer teleurgesteld is geweest. Hij had nl. gehoopt dat zij weer het licht zouden doen schijnen van goede woorden en werken en zo de gevestigde kerk tot jaloersheid zouden verwekken. Maar de oogst bleek karig, doordat onder de afgescheidenen, "na het ophouden der vervolging, onderlinge verdeeldheid is begonnen, en dat men alzo, na het kerkgenootschap van een deel der beste krachten te hebben beroofd, de krachten in allerlei twisten, somtijds over de meest ijdele spitsvondigheden, verteerd en verspild heeft." c. Groen beschouwt de Afscheiding als voorbarig, als "ontijdig en overijld", omdat de Formulieren binnen het Hervormd Kerkgenootschap nog niet rechtens afgeschaft waren. Zolang de synode de symbolische schriften niet rechtens afschaft, wenst Groen in het kerkgenootschap te blijven om voor het recht der hervormde gezindheid - de handhaving van deze belijdenisgeschriften - te strijden. Helaas is door de Afscheiding het front, dat bij het synodaal bestuur op de , , , • J r handhaving van de Formulieren aan had kunnen dringen, verbroken en verzwakt. De reden waarom Groen zich niet bij de afgescheidenen voegt, ligt "in het pligtbesef van een lid der gereformeerde kerk."

Ds. Van Velzen gevoelde zich gedrongen op te komen tegen de beweringen van Groen, "waardoor ik acht, dat een blaam wordt geworpen op de zaak des Heeren en op vele opregten."

Wat de eerste beschuldiging betreft (de aanvraag van autorisatie). Van Velzen houdt deze voor zeer gewichtig en staat er dan ook uitvoerig bij stil. Hij ontkent dat de afgescheidenen van hun recht op vrijheid van godsdienstoefening afstand hebben gedaan en het bestaan of de openbaarwording der gemeenten van het goedvinden der overheid afhankelijk hebben gemaakt. Men had de Koning verzocht hen volgens de Formulieren van Enigheid te erkennen en dat in de burgerlijke maatschappij om aan de vervolgingen te ontkomen. De aanvraag van autorisatie hield alleen in, dat zij ongehinderd hun godsdienst mochten uitoefenen. En de requesten werden ingediend, niet om daarmee een verandering van denkwijze over het recht van godsdienstoefening op te geven, maar omdat men hun gedurig verweten had dat zij zich niet duidelijk genoeg verklaard hadden over sommige door de Koning voorgestelde punten. Het feit dat de afgescheidenen bovendien afstand deden van de goederen en de naam der gereformeerde kerk. impliceerde geenszins een erkenning dat zij die van het gereformeerde geloof waren afgeweken daar wel recht op hadden. Maar om dit laatste was het Groen niet zozeer te doen: "Ik heb veeleer aan een hooger goed en aan het wezen der kerkgemeenschap gedacht." Hij wil geen hard oordeel vellen. De toegeeflijkheid der afgescheidenen op dit punt is (gezien de hitte der vervolgingen) te verontschuldigen, "maar verdient geen volkomen vrijspraak, in ieder geval geen loffelijke melding."

Wat betreft de tweede beschuldiging (het bekrompen vasthouden aan iedere tittel en jota der Drie Formulieren), Van Velzen erkent dat zij (tegenover anderen onder de afgescheidenen, die hun weerzin tegen de vermelding der verkiezing in de Formulieren geopenbaard hadden) Gods vrijmachtige verkiezing als de bron van alle genadegiften belijden, maar ontkent dat zij daarbij de Schriftuurlijkheid van die waarheid nauwelijks erkend zouden hebben. Groen wenst onbekrompen vasthouding aan de belijdenisgeschriften, Van Velzen ook. Maar hij acht dan ook, "dat die bekrompenheid geene loslating van eenig gedeelte der waarheid, in deze schriften vervat, worden moet; dat onder dit woord geene verloochening of bestrijding van eenige waarheid mag geduld worden. Het is te begrijpen, dat men, begeerende zoveel mogelijk allen te verzamelen tot wie wij genegenheid gevoelen, zich laat verleiden om deze en die waarheid prijs te geven. Zou dit echter getrouwheid aan den Heere, aan het regt der Gereformeerde Kerk en aan het volgende geslacht zijn? Is dit Christelijke voorzigtigheid? Waar wordt in de Bijbel of in

de geschiedenis der Kerk dit geleerd? En waar zou het einde zijn van dat loslaten, waar toch zouden de perken zijn, die men niet overschrijden mogt? "

En wat de schoolboekjes betreft: inderdaad is er zo'n boekje uitgekomen, waarin echter "sommige punten, de leer betreffende, kwalijk worden voorgesteld", en dat daarom door een speciaal benoemde commissie werd afgekeurd en nimmer is ingevoerd.

En Groen zal toch niet bedoelen dat de leer der verkiezing bij de kinderen verzwegen moet worden? "Ware dit het geval, dan moest, om niet van vraagboekjes, als van Hellenbroek, te spreken, ook de Katechismus, tegen zijn opschrift in, van de scholen geweerd worden. Daarin toch wordt, Zondag 21, de verkiezing vermeld. Wat zeg ik! niet slechts de Katechismus, maar de Bijbel zou op de school onder de verboden boeken gerekend moeten worden. Men hoort somtijds beweren, dat er Godsdienstig, Bijbelsch, Evangelisch, maar geen leerstellig onderwijs op de scholen moet gegeven worden. Het is echter eene leerstelling, dat God eenig en drieënig is. Het is eene leerstelling, dat Jezus Christus de waarachtige God is. Het is eene leerstelling, dat God sommigen in Christus Jezus heeft uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat zij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Hem in de liefde. Zullen deze en meer andere waarheden, die van velen ontkend worden, op de school of voor kinderen verzwegen worden? Dan mag de onderwijzer, als hij door de kinderen de Bijbel laat lezen, en tot 1 Joan. V, of Joan. V, Luc. IV, Rom. IX, Efez. I, en zoo vele andere plaatsen komt, daar wel overheen stappen. Of, zullen er welligt op de scholen slechts uittreksels uit den Bijbel gelezen worden, waarin opzettelijk zulke waarheden weggelaten worden? Maar dan houde men op met het geroep: geheel de Bijbel en niets dan de Bijbel! en belijde, dat men zijn eigen gevoelen over den Bijbel voor den Bijbel houdt."

Maar Van Velzen vertrouwt dat Groen niet in ernst zal willen dat de leer van de verkiezing voor de kinderen verzwegen wordt, en begrijpt dat Groen alleen af heeft willen keuren, "dat men tot de kinderen van de verkiezing op eene dorre, droge wijze, boven het bereik van het kinderlijk verstand, niet tot verootmoediging, noch tot aandrang der Godzaligheid, maar tot speculatieve betweterij, spreekt. Zie, als Gij dat meent, ben ik het van harte ten volle met U eens."

Wij zijn nu toegekomen aan de kern van de discussie: het gezag der belijdenisgeschriften. Van Velzen erkent, dat het onjuist is om een

kerkgenootschap te verlaten, waarin de symbolische schriften nog wettig gezag hebben.

"Maar nu ook geene fictie! Zijn niet metterdaad de Formulieren der Gereformeerde Kerk in het Hervormd Kerkgenootschap afgeschaft? Wordt niet onder Bijbelsche leus, ja zelfs met versmading dier leus, elke belijdenis van het ongeloof aldaar gedoogd en gevierd? Wordt niet het wettig gezag der Symbolische Schrift door het Hervormd Kerkgenootschap verworpen en bespot? "

"Niet alleen door woorden, maar ook door daden, heeft het Bestuur van het Hervormde Kerkgenootschap zich geopenbaard. Niet alleen zijn door dat Bestuur de verloochenaars der Belijdenis geëerd, maar ook hare verdedigers vervolgd. Waarom is de Herder en Leeraar H. de Cock, met anderen, waaronder ik zelf behoor, door het Bestuur van het Hervormd Kerkgenootschap in de dienst geschorst en daarvan afgezet? Omdat wij tegen de bestrijders van het geloof, en voor de waarheid en de regten der Kerk onbeschroomd zijn opgekomen. Wij zijn niet eigenwillig vertrokken. Wij hebben onzen post niet verlaten. Hartelijk gaarne zou ik in mijne betrekking tot de Gemeente te Drogeham, waar ik, onder kennelijke blijken van des Heeren gunst, geplaatst was, en die mij onvergetelijk is, gebleven zijn, indien ik slechts niet verhinderd was geworden om getrouw te dienen; maar de overmagt van het Bestuur heeft mij verdreven. Alle de eerste Leeraars der Afgescheidenen, die door het Hervormde Kerkbestuur van hun ambt ontzet zijn, hadden zich geopenbaard als voorstanders van het Gereformeerde geloof. Het komt hier niet in aanmerking, of iemand hunner daarbij eene geheime bedoeling gehad heeft, Allen hebben aangedrongen op de handhaving der waarheid en het wettig gezag der Symbolische Schriften; terwijl zij zich tegen hare bestrijders stelden. Reeds hierom werden zij geschorst. Toen zij vervolgens de Gezangen, die bij de Hervormden in gebruik zijn, nalieten, wegens de ergernis, uit dat gebruik bij de openbare Godsdienstoefening in de Gemeente ontstaande, en wegens de gebreken, die zij er in ontdekten, meende het Bestuur zich geheel van hen te kunnen ontdoen. Zij werden afgezet, terwijl aan openbare bestrijders van het geloof der Gereformeerde Kerk, aan bespotters der Symbolische Schriften en aan verloochenaars van waarheden, wier verwerping God zeiven hoont, en waarvoor de Vaderen goed en leven hebben veil gehad, de Gemeenten bleef toevertrouwd. Deze gezindheid is na de scheiding niet veranderd ( ). Het ongeloof derhalve heeft in het Hervormde Kerkgenootschap heerschappij gekregen, een aan de Symbolische

Schrift wordt daar geen wettig gezag meer toegekend."

Van Velzen noemt het een illusie, zelfbegoocheling en zelfbedrog om te menen niets met het Bestuur van het Kerkgenootschap te maken te hebben en zich daarom niet te onttrekken. Hij toont aan, "dat het Bestuur van het Hervormd Kerkgenootschap niet op zichzelf staat, dat de Leeraars en de leden, aangemerkt als godsdienstig genootschap, door dat Bestuur vertegenwoordigd worden, en gemeenschap hebben aan de inrigting, die daardoor aan het Kerkgenootschap wordt gegeven; en, dewijl zich dat Bestuur door verwerping van het gezag der Symbolische Schrift en invoering van vele dwalingen geopenbaard heeft, daarom maak ik het besluit, met uwe woorden, voor alle opregten: 'te lang hebt gij getoefd in een Kerkgenootschap, waar het ongeloof een verkregen regt heeft'."

Met smart moet Van Velzen erkennen dat zich onder de afgescheidenen veel twist, scheuring en liefdeloosheid heeft geopenbaard, "maar nogtans verklaar ik betreffende de scheiding zelve van het Hervormd Kerkgenootschap: ik kon, ik mogt niet anders."

"De Heere is getrouw. Hij zal zijne toezegging vervullen. Aan de overzijde des grafs zal het ten volle blijken. Wanneer de Zone Gods en de Zoon des menschen op dien grooten dag verschijnen zal, zullen alle volkeren voor Hem vergaderd worden. Eene groote menigte zal aan zijne linkerhand staan. Daaronder allen die Hem verloochend hebben. Aan zijne regterhand de schare, die niemand tellen kan, degenen, die Hij de gezegenden des Vaders zal noemen. Daaronder de Profeten en Apostelen, Apostolische-en Kerkvaders, de Hervormers en martelaars. Daaronder, wie twijfelt eraan? zoo vele lichten der Gereformeerde Kerk in ons Vaderland, de Brakels en Teellincks, Voetius, Witsius, Smytegelt, Lodensteyn, Marck, Koelman, Comrie, Van der Groe, en zoo vele anderen. Met hen hebben wij één geloof. Dit blijkt uit onze Belijdenisschriften. Worden evenwel de waarheden, daarin vervat, van velen verloochend en bestreden; worden wij wegens de opregte vasthouding dier waarheden miskend en gesmaad, - zie, wij staan toch niet alleen. Hoor, wat de Godzaligen ons nog in hunne schriften toeroepen: Bewaart het pand, u toebetrouwd. Hooren wij bovenal naar Hem die komt, naar het hevel en de belofte des Konings: 'Zijt getrouw tot den dood, en ik zal u geven de kroon des levens!'"


NOTEN:

1) Voor het schrijven van het eerste gedeelte van dit artikel heb ik gebruik gemaakt van de volgende literatuur: J.H.F. Kohlbrugge. Lijst van w erken van en over Dr. H.F. Kohlbrugge. benevens eene voorrede, bevattende eenige bijzonderheden betreffende diens afzetting als proponent en verhouding tot afscheiding enz., Amsterdam, 1887; J. van Lonkhuyzen. Herman Friedrich Kohlbrugge en zijn prediking, diss. V.U.. Wageningen, 1905: J.C.S. Locher. Kohlbrugge en de Afscheiding, Amsterdam, 1934: H.Klugkist Hesse. Hennann Friedrich Kohlbrugge. Barmen. 1935: K. Groot. Kohlbrugge en Kuyper in hun wederzijds contact. Baarn. 1956: P.N. Holtrop. "Drie onbekende brieven van Hendrik de Cock uit het jaar 1834". in: Gereformeerd Theologisch Tijdschrift, 76 (1976). 205-232: Ds. D. van Heyst, "Dr. H.F. Kohlbrugge en de Afscheiding van 1834", in: Vit het geloof, l.iber Amicorum aangeboden aan A.J. de Jong, V.D.M., Leiden, 1983. 120-132; W. Aalders. "Kohlbrugge en de Afscheiding" (lezing gehouden voor de Driestar. 29 okt. 1984). in: Kerkblaadje, 75 (1984), 186-189^

2) H.F. Kohlbrugge, Het lidmaatschap bij de Hervormde gemeente hier te lande mij w illekeurig belet, Amsterdam, 1833.

3) Catharina Louisa (Cato) Engelbert. geb. 8-4-1808. overl. 12-2-1833.

4) Deze preek werd kort daarop uitgegeven: .F. Kohlbrugge, Zwei Gastpredigten iiber Röm. 7 : 14 und Ps. 65 : 5, Elberfeld, 1833. Een Nederlandse vertaling verscheen te Amsterdam in 1834: llende en Verlossing, of den in Christus gerechtvaardigden en geheiligde n Christen beschouwd, ook in zichzelven in eene leerrede over Rom. VII : 14. Uit het Hoogduits door J. H. Albrecht.

5) Cf Hel. de Cock, Hendrik de Cock, beschouw d in leven en w erkzaamheid, Delfzijl, 1886. 2e dr.

6) H. de Cock. Verdediging van de H are Gereformeerde Leer en van de H are Gereformeerden, bestreden en ten toon gesteld door twee zogenaamde Gereformeerde Leeraars, of de Schaapskooi van Christus aangetast door twee Wolven en verdedigd door II. de Cock. 1833.

7) Deze brieven zijn door De Cock gedeeltelijk gepubliceerd in: Overeenstemming der Geloovigen van Nederland, uitgedrukt in brieven, uit onderscheidene Provinciën onzes Vaderlands en uit Oostvriesland, Veendam. 1834, en: Tweede verzameling van eenige brieven der geloovigen; ten blijke hunner Overeenstemming, Veendam. 1835.

8) Cf H. de Cock, Overeenstemming, 1834, p. 21 e.v.

9) Cf P.N. Holtrop. "Drie onbekende brieven", p. 223-227.

10) NI. zoals weergegeven in het in noot 2 opgegeven werkje.

11) Ds. H.P. Scholte moet eens tegen Kohlbrugge gezegd hebben: Die preek van jou over Romeinen 7 : 14 is vervloekt", waarop Kohlbrugge hem antwoordde: Dan zijt ook gij vervloekt met al uw doen." Cf J.C.S. Locher, Kohlbrugge en de Afscheiding, p. 15. Over de reeds jaren bestaande, zeer slechte verhouding tussen Scholte en Kohlbrugge. cf

K. Groot, Kohlbrugge en Kuyper, p. 16 e.v. 12) Blijkens de vorige brief doelt Kohlbrugge met deze woorden dus op het feit dat latere afgescheiden leraars hem ten onrechte van antinomianisme beschuldigd hadden.

13) Uit een brief van Kohlbrugge uit 1854 aan Freule M.Schorer te Middelburg, blijkt dat Kohlbrugge ook niet van afscheiding wilde weten omdat hij vast wilde houden aan het drievoudige snoer Kerk-Oranje-Vaderland. Cf Drs. J. van Heyst, "De politiek-kerkelijke gedachten van Kohlbrugge". in: Hermann Friedrich Kohlbrugge (1803-1875). Zijn leven, zijn prediking, zijn geschriften, een bundel studies samengesteld door Dr. W. Aalders en Ds. D. van Heyst, Den Haag, 1976, 182-201. Voor de volledigheid haasten wij ons te vermelden dat de houding van Kohlbrugge t.o.v. de Geref. Gemeenten o. h Kruis veel welwillender is geweest. Cf de brief van Kohlbrugge aan Ds. C.van den Oever in: J.C.S. Locher, a.w., p.49. Uit een andere brief uit 1863 (Locher, a.w., p.48) blijkt ook dat Kohlbrugge in zijn latere leven, nadat hem in Nederland gedeeltelijk eerherstel te beurt gevallen was, veel genuanceerder geoordeeld heeft.

14) Zoals W. Aalders doet in het in noot 1 opgegeven artikel, p. 187: "Men moet zeggen, dat hij (= Ds. H.P. Scholte, B.J.S.) eigenlijk de kwade genius is geweest, die De Cock van

het rechte spoor heelt afgebracht, die hem tot de overtuiging heeft gebracht dat de Gemeente geweld met geweld moest keren, en die met recht genoemd kan worden de organisator van de Afscheidingsbeweging."

15) W. Aalders. a.w., 187. 188.

16) Naast de door W. Aalders genoemde disputatie van Voetius in diens Politica Ecclesiasticae, zij hier nog verwezen naar: Johannes van der Waeyen en Herman Witsius, Ernstige Betuiginge der Gereformeerde Kercke, aen hare afdwalende Kinderen, A'dam, 1670 Jac. Koelman. Der Labadisten Dw alingen, A'dam. 1684; Idem. Historisch Verhaal nopens der Labadisten Scheuring, Leeuw., 177() : ; W. a Brakel, Leere en Leydinge der Labadisten ontdeckt, R'dam. 1685 en Idem. P. Yvon, in alle billickhevt... overtuvgt van veelt' Dw alingen, R'dam. 1685.

17) Mr. G. Groen van Prinsterer, De Maatregelen tegen de Afgescheidenen aan het Staatsregt getoetst. Leiden, 1837.

18) Mr. G. Groen van Prinsterer. Het regt der Hervormde Gezindheid, A'dam, 1848, 119-138 (eerder verschenen in: Vereeniging, Christelijke Stemmen, 1 (1847). 469-490; 2 (1848), 87-102, 141-160. 197-225, 257-281. 358-380, 417-442 en 475-502).

19) S. van Velzen (1809-1896):1827 theologisch student te Amsterdam; 1830 te Leiden, waar hij ook deel uitmaakte van de kring rondom Ds. H.P. Scholte; 1835 geschorst; scheidt zich af en vestigt zich te Leeuwarden, vanwaar hij de afgescheiden gemeenten in Friesland bedient; 1839 predikant der Afgescheiden Gemeente te Amsterdam; 1854-1889 hoogleraar theologie te Kampen. Cf J.A. Wormser. Karakter en genade; het leven van Simon van Velzen geschetst, N ijverdal, 1916.

S. van Velzen. Apologie der Kerkelijke Afscheiding in Nederland; of Brief aan Mr. G. Groen van Prinsterer, betreffende zijn gevoelen over de Afscheiding en de Afgescheidenen, Amsterdam. 1848.

20) Mr. G. Groen van Prinsterer, (Brief) Aan Ds. S. van Velzen, A'dam, 1848 (overdruk uit: Vereeniging, Christelijke Stemmen. 3 (1849), 221-238). Ook opgenomen in: Mr. G. Groen van Prinsterer. Verspreide Geschriften, II (A'dam. 1860). 121-135.

21) Dat artikel luidde: "Aan alle godsdienstige gezindheden in het Koninkrijk bestaande wordt gelijke bescherming verleend." Dit artikel dateert uit 1815. Alhoewel de Afscheiding zich eerst in 1834 voltrok en de daaruit ontstane gemeenten dus geen in 1815 bestaande gezindheid waren, vormt het de kern van Groens betoog in De Maatregelen dat de afgescheidenen geen nieuwe secte vormden, maar als volwaardige leden der gereformeerde gezindheid, als een voortzetting van de oude Nederduitse Geref. Kerk. ook vielen onder de in dit artikel gegarandeerde rechtsbescherming (NB: Het door koning Willem I aan de Kerk opgelegde "Algemeen Reglement voor het bestuur van de Hervormde Kerk" dateert uit 18/6.9

Rest ons nog er hier op te wijzen, hoe geheel anders Groen de Afscheiding heeft beoordeeld dan hedendaagse hervormde predikanten die de strijd voor kerkherstel in zijn geest wensen voort te zetten, maar daarbij duidelijk van Groen afwijkende uitspraken doen. Ik doel hierop de publicatie van Ds. Tj. de Jong. Hervormd ondanks Afscheiding (extra bijlage bij Het gekrookte riet, 1984). die niet alleen in de Afscheiding niet meer kan zien en haar verklaart als een eigengerechtigd, vleselijk streven (terwijl Groen als haar diepste beginsel de zucht naar waarheidsgetrouwe prediking erkent), maar ook meent de Afscheiding af te moeten keuren als "een breuk in de historische lijn en ontstaansgeschiedenis van ons land." Het aantonen van het tegendeel vormt de kern van Groens betoog.

22) Vgl. ook Mr. G. Groen van Prinsterer, Nederlandsche Gedachten. V. 22 dec. 1873 (ook geciteerd in: P.A. Diepenhorst, Groen van Prinsterer, Kampen. 1932, 249-252).

23) Groen keerde zich vooral tegen een vooropstellen van de praedestinatieleer uit angst zijn ethisch-irenische vrienden af te stoten en zo in zijn strijd tegen ongeloof en revolutie nog eenzamer te zullen staan. Vgl. de brief van Groen aan Ds. A.H. Wessels, predikant bij de Christelijk Afgescheiden Kerk te Rijnsburg. d.d. 18-3-1849: "Maar de vraag was deze. of het wijs en Christelijk was, voor ons die aan de Predestinatie, gelijk zij in de 'Leerregels van Dordrecht' geformuleerd zijn, gehecht zijn, samenwerking te weigeren met hen wier christelijk geloof en wandel wij niet in twijfel kunnen trekken; of wij ons van broederlijk overleg met hen mogen onthouden, op grond, dat zij, ofschoon ten volle van de onmisbaar-

heid en algenoegzaamheid van Gods vrije genade overtuigd, uit onkunde of vooroordeel, tegen de wijs waarop de Predestinatie in onze Symbolische Schriften vastgelegd is. eenig bezwaar hebben." (Mr. G. Groen van Prinsterer. Schriftelijke Nalatenschap IV. Briefwisseling lil (1848-1866). 's Gravenhage, 1949. p. 23, 24). Voor Groen zelf is de leer der praedestinatie dus nooit problematisch geweest. Vgl. ook de woorden op zijn sterfbed gesproke n in: P..J. Elout van Soeterwoude, Enkele herinneringen uit Air. G. Groen van Prinsterer's laatste Jagen, (1885). p. 12. 13.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1986

Criterium | 60 Pagina's

Naar het bevel en de belofte des Konings

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1986

Criterium | 60 Pagina's

PDF Bekijken