Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Calvinistisch verzetsrecht

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Calvinistisch verzetsrecht

BURGERLIJKE ONGEHOORZAAMHEID IN HET VERLEDEN?

30 minuten leestijd

BURGERLIJKE ONGEHOORZAAMHEID IN HET VERLEDEN?

Probleemstelling

Bij de al jaren in discussie zijnde kwestie van burgerlijke ongehoorzaamheid hebben we te maken met een bepaalde conflictsituatie. 1 ) Burgerlijke ongehoorzaamheid is namelijk het bewuste overtreden van door de overheid uitgevaardigde wetten om een maatschappelijke discussie op gang te brengen over het rechtmatige van die wettelijke voorschriften, met het uiteindelijke doel dat deze gewijzigd zullen worden. Het gaat dus om het conflict tussen bestaande wetten en een door bepaalde personen voorgestane rechtvaardigheidsidee, waaraan die wetten huns inziens niet beantwoorden. Door deze wetten te overtreden, wil men een beroep doen op het 'collectieve geweten', wil men doen inzien dat recht en moraal niet te scheiden zijn, dat het recht dus aan bepaalde morele normen moet voldoen, dat juist deze bepaalde wet daaraan niet voldoet en daarom niet gehoorzaamd behoeft te worden. Enerzijds wordt de rechtsstaat gerespecteerd (burgerlijke ongehoorzaamheid is in principe geweldloos en beoogt geen revolutie), anderzijds wil het een moreel protest zijn tegen bepaalde wetten binnen de rechtsstaat.

Nu is duidelijk, dat burgerlijke ongehoorzaamheid mondig burgerschap vooronderstelt en daarom alleen tot ontwikkeling kon komen binnen westerse democratieën. Immers, alleen een sociaal contract-theorie kan het kader zijn waarbinnen het recht op burgerlijke ongehoorzaamheid bepleit kan worden. Volgens deze theorie is het immers het volk (de individuele burgers), dat het gezag aan de overheid verleent, waarom de overheid niet alleen ten behoeve van het volk, maar ook namens en in opdracht van het volk regeert. Daarom is het ook aan het volk te beoordelen of de overheid haar gezag op de juiste wijze uitoefent en is het ook mogelijk de overheid gehoorzaamheid te ontzeggen wanneer men meent dat dat laatste niet het geval is.

Maar wanneer hier dus sprake is van beoordelen, van het toetsen van bepaalde rechtsregels aan zekere (boven die rechtsregels uitgaande) normen, dan dringt zich wel de vraag aan ons op, welke normen men als criteria hanteert om het overheidsbeleid te beoordelen. Leidt men deze normen af uit het gewoonterecht, het natuurrecht, of worden deze normen bepaald vanuit een ideologische staatsopvatting, zodat wanneer een overheid haar gezag niet in dienst stelt van die ideologie, men zich aan haar gezag niet behoeft te onderwerpen? Of worden deze normen uit de in de H. Schrift geopenbaarde geboden Gods afgeleid? Welke normen moeten er precies geschonden zijn, wil een burger gerechtigd zijn de overheid gehoorzaamheid te ontzeggen?

Historisch kader

In deze bijdrage willen we trachten deze vragen in een historisch kader te plaatsen. 2 ) Gedachtig aan Groen van Prinsterers "nous sommes issus de Calvin" willen we zien hoe Calvijn en latere gereformeerden getracht hebben deze vragen te beantwoorden. We willen dan vooral ook aandacht schenken aan een aantal Hugenootse rechtsgeleerden, die deze vragen nader hebben uitgewerkt. Deze Hugenoten worden meestal gerekend tot de zogenaamde 'Monarchomachen' (letterlijk: vorstenbestrijders); mannen als Theodorus Beza, Francois Hotman, Philippe du Plessis-Mornay en Hubert Languet worden er o.a. toe gerekend. 3 ) Daarna willen we aangeven hoe de door Calvijn en de genoemde Hugenoten geformuleerde theorieën ook hebben doorgewerkt in onze opstand tegen Spanje, want de theoretische fundering, legitimering en motivering van deze opstand is ingegeven door dit

revolutie. De overheid is een van God verordineerde macht om de ongebondenheid der mensen te bedwingen. Maar de overheid heeft er niet alleen voor te waken dat de geboden van de tweede tafel der wet niet overtreden worden, ook de geboden van de eerste tafel der wet heeft zij in het publieke leven te handhaven. De kerk heeft haar daaraan te herinneren.

Daar de overheid dus een van God gegeven ambt draagt, betaamt het de onderdanen haar te gehoorzamen. Ook al ontaardt een overheid in een tiranniek, onrechtvaardig bewind, ook dan is het niet geoorloofd de wapens tegen haar op te nemen. Veeleer hebben we zo 1 n tiranniek bewind te zien als een middel in Gods hand waarmee Hij ons straft voor onze zonden. Men heeft daaronder dus te buigen en lijdzaamheid te betrachten. Het enige geoorloofde wapen is het gebed. Wanneer de toestand echt onhoudbaar wordt, kan men hoogstens de wijk nemen naar een andere streek (vgl. de naar Genève uitwijkende Hugenoten).

Anti-revolutionair

Calvijn was dus beslist anti-revolutionair. Als hij iets vreesde, dan was het een ongebreidelde opstand der horden, met al het bloedvergieten dat zulk een uitleven van de hartstochten der massa met zich meebrengt. Hij richtte in 1561 dan ook een strenge, vermanende brief aan de kerkeraad van de gemeente te Sauve, waar de bevolking, daartoe aangezet door de plaatselijke predikant Martin Tartas, tot een soort beeldenstorm was overgegaan. Het publiek verwijderen van beelden was naar de mening van Calvijn uitsluitend de taak van de overheid. Even vernietigend was zijn oordeel over de aanslag te Amboise (16 maart 1560), een mislukte amateuristische onderneming o.l.v. een jonge avonturier, de edelman Jean du Barry, Seigneur de la Renaudie.

Toch is dit niet het enige wat gezegd kan worden omtrent Calvijns visie over de verhouding overheid-ondérdaan. Calvijn kende wel degelijk een aantal uitzonderingsposities.

Recht van verzet

In de eerste plaats leerde Calvijn dat de gehoorzaamheid die men de overheid verschuldigd is, begrensd wordt door de gehoorzaamheid die men Gode verschuldigd is (Hand. 5 : 29). Wanneer het hier dus tot een conflict komt, heeft men de overheid zijn gehoorzaamheid te ontzeggen. Maar dit verzet moet wel passief zijn, in de geest van een Daniël (vgl. Dan. 6). De terechtstelling van de bekende Anne du

Bourg, lid van het Franse parlement, in december 1559, werd door Calvijn beschouwd als voorbeeld van het martelaarschap van een christen onder een tirannieke overheid.

In de tweede plaats kende Calvijn wel geen recht van gewapend verzet toe aan de 'homo privatus', de individuele staatsburger, maar wel aan de 'populares magistratus', de lagere overheden: de destijds bestaande staten en standen (Staten-Generaal) of prinsen van den bloede. Calvijn denkt hier dus vanuit het positieve (destijds bestaande en geldende) recht. Hij redeneert dus binnen de grenzen der legitimiteit, niet vanuit een idealistisch natuurrecht. Binnen het positieve recht tracht hij aldus ruimte te creëren voor een constitutioneel verzetsrecht: de staten zijn de constitutionele organen, de enige instanties die een Gods wet schendende overheid mogen en moeten weerstaan.

In de derde plaats heeft prof. Nijenhuis er op gewezen, dat er binnen het denken van Calvijn (met name aan het einde van zijn leven) ook beperkt ruimte is voor een overschrijding van het positieve recht. In preken over Genesis 14 (waarin ons de overwinning van Abraham op vier koningen en de bevrijding van Lot verhaald wordt) wijst Calvijn er namelijk op, dat Abraham een privaatpersoon was en dat het hem dus eigenlijk niet geoorloofd was de wapend tegen vorsten op te nemen. Abraham, aldus Calvijn, ontving echter een 'mouvement singulier', een bijzondere roeping, zoals ook de latere richters Gideon, Simson en Jefta. Daarbij sluit Calvijn het in het geheel niet uit, dat God ook nu nog bepaalde personen op een bijzondere wijze hiertoe kan roepen. Is zelfs voor de zo strenge Calvijn het leven (het lot der Hugenoten) sterker geworden dan de leer zoals hij die in zijn Institutie had vastgelegd, zodat nu een soort noodrecht een rol is gaan spelen in zijn denken? Ziet hij naast de tegen tirannie tot verzet geroepen lagere overheden, nu ook de door God op bijzondere wijze geroepen politicus-militair, onder wiens leiding het volk in gewapend verzet komt tegen de overheid? Deze tweede regel heeft nooit gediend om de eerste regel (het constitutionele verzet) te vervangen en is nooit systematisch en programmatisch uitgewerkt. In de latere literatuur over het recht van verzet zien we dit motief wel terugkeren.

Het calvinistisch driemanschap

De publicaties van de drie calvinistische geleerden waar we nu aandacht aan willen schenken (de Francogallia van Francois

Hotman, Beza's De Iure Magistratuum en de Vindiciae contra tyrannos dat verscheen onder het pseudoniem Stephanus Junius Brutus), verschenen resp. in 1573, 1574 en 1579, dus kort na de vreselijke Bartholomeüsnacht (aug. 1572), waarin Catharina de Medici en Koning Karei IX zo'n gruwelijke slachting aanrichtten onder de te Parijs verzamelde Hugenoten. De veelszins radicalere toon van deze geschriften moet dan ook als een reactie op deze slachting verklaard worden. 12 )

Hotman

Francois Hotman (1524-1590) 13 ) heeft zijn leven lang, in verband met de vervolgingen in Frankrijk, rechten gedoceerd aan universiteiten in Duitsland en Zwitserland en heeft met name op het gebied van het Franse publieke recht zeer veel gepubliceerd. Te Genève, in 1573, verscheen dus zijn Francogallia. 14)

Het is een historisch betoog, waarin hij tracht aan te tonen dat de vorsten in Frankrijk vanouds een zeer beperkte macht hadden: de vorst werd door het volk gekozen en had als een herder over zijn onderdanen te regeren. Ontaardde zijn bewind in tirannie, dan hadden de jaarlijks op 1 mei bijeenkomende standen (adel, koopmanschap en het gewone volk) het recht hem af te zetten en te verjagen. Na ongeveer 1300 was de invloed die van deze drie standen uitging meer en meer afgenomen door de opkomst van de gerechtelijke parlementen: scabies gallica, die pest van Frankrijk! En na het tiranniek bewind van Lodewijk XI was de vrijheid geheel vernietigd. De huidige Staten-Generaal (zoals die van 1560) was dus onvruchtbaar en onmachtig een tegenwicht te vormen tegen het vorstelijk gezag. Daarom moesten de oude rijksvergaderingen weer in ere hersteld worden; alleen zo zou het mogelijk zijn de koninklijke macht weer te beperken. Op het moment dat Hotman dit schreef waren er zijns inziens dus geen organen die dit tiranniek geweld konden weerstaan.

Beza

Van de hand van Theodorus Beza (1519-1605), 15 ) Calvijns opvolger te Genève, verscheen in 1574 (waarschijnlijk te Lyon) een pamflet getiteld: Du Droit des Magistrates sur leurs Sujets. 16 ) Omdat de Raad van Genève hem geen toestemming had gegeven het te drukken, verscheen het anoniem. De gedachten die Beza in dit pamflet ontwikkelt, zijn reeds aan te treffen in een ander werkje van zijn hand, dat in 1554 te Genève verscheen en waarin hij Calvijn

verdedigt tegen de aantijgingen van Sebastiaan Castellio naar aanleiding van de verbranding van Michael Servet. 17 ) Ook daarin wordt reeds uitgesproken, dat, wanneer vorsten het Rijk van Christus bestrijden, de 'inferiores magistratus' tegen de vorst op moeten komen voor de zuivere godsdienst.

In het pamflet uit 1574 stelt Beza, dat overheidsbevelen die in strijd zijn met Gods wet (Beza noemt zulke overheden 'haeretici') geen enkele dwingende macht bezitten, want de macht der overheid wordt begrensd, beperkt door de pietas (vroomheid) en de charitas (naastenliefde), door zowel de eerste als de tweede tafel der wet dus. Wanneer de vraag gesteld wordt of vorsten die hun onderdanen alleen in politieke zin (d.w.z. op wereldlijk, in tegenstelling tot godsdienstig gebied) tiranniseren ook gehoorzaamd moeten worden, brengt Beza eerst een onderscheiding aan. Hij onderscheidt tussen een 'tyrannus absque titulo' en een 'tyrannus exercitio'. De eerste soort tiran is de overweldiger, hij die zichzelf opgeworpen heeft en op onwettige wijze de macht aan zich getrokken heeft. Deze meent dat het volk er is omwille van hem, maar omdat de volken er altijd eerder geweest zijn dan hun magistraten, zijn de magistraten er omwille van het volk en niet andersom. Zulke tirannen moeten dan ook, in de eerste plaats door de wettige magistraten, tegengestaan worden. Doch wanneer deze hun plicht verzuimen, dan mogen ook ambteloze onderdanen (Beza verwijst naar het boek Richteren) dit verzet ter hand namen. Tegen een 'tyrannus exercitio' (d.i. een vorst die wel op wettige wijze aan de macht gekomen is, maar wiens regering in tirannie ontaardt) mogen particuliere onderdanen echter nooit in verzet komen. Zij hebben zich lijdzaam te onderwerpen of te vluchten. Hier hebben alleen de 'magistratus inferiores' (hertogen, graven, stedelijke overheidscolleges) of de vergadering der Staten het recht, maar ook de plicht! tegen de tirannieke vorst in opstand te komen.

Echter: de 'magistratus inferiores' hebben alleen een beschermende macht tegenover de hoogste magistraat, de koning. Zij kunnen dus hooguit personen die binnen het gebied van hun jurisdictie wonen tegen de onwettig uitgeoefende macht van het centrale gezag beschermen. Alleen de vergadering der Staten heeft het recht tot actief verzet, maar Beza sluit niet uit, dat de toestand zo kritiek kan zijn dat zij in het geheel niet samen zal komen. In dat geval rest slechts een dringend beroep op vrienden en bondgenoten van het rijk om hulp.

Een tweede onderscheiding die Beza aanbrengt in dit werkje is de

tweeërlei verdragsverhouding. Ten eerste is er het verdrag tussen God enerzijds en vorst en volk anderzijds. Daarnaast is er het verdrag tussen de vorst en het in de Staten vertegenwoordigde volk. Daarom zijn met name de Staten geroepen een tiranniek heersend vorst te weerstaan. Het is echter onjuist te stellen dat dit contract ooit beëindigd of opgezegd zou kunnen worden. Zelfs al is het dat een vorst op tirannieke wijze gaat regeren, dan nog blijft het volk hem gehoorzaamheid verschuldigd. Het volk zelfheeft geen macht om tegen een vorst in opstand te komen.

Brutus

In Bazel verscheen in 1579, onder het pseudoniem van Stephanus Junius Brutus, een werkje getiteld Vindiciae contra tyrannos. x% ) Er is een grote hoeveelheid literatuur verschenen over de vraag welke schrijver achter dit pseudoniem schuil gaat. Zeer waarschijnlijk is Philippe du Plessis-Mornay (misschien in samenwerking met Hubert Languet) er de auteur van. 19 ) Mornay moet het geschriftje van Beza goed gekend hebben: men treft er dezelfde onderscheidingen in aan (tweeërlei tiran, tweeërlei verdragsverhouding). Net als bij Beza is de kardinale vraag niet of een tiran die eist met Gods wet strijdige handelingen te verrichten of een 'tyrannus absque titulo' wederstaan mag worden. Beiden achten het duidelijk dat een ieder, ook de particuliere onderdaan, zich tegen zo'n tiran mag verzetten. Waar het om gaat, is: of een 'tyrannus exercitio' wederstaan mag worden.

Ook Mornay stelt dat dat verzet door de magistraten georganiseerd moet worden: zij moeten opkomen voor het geschonden verdrag tussen God en koning, koning en volk. Nooit mag het volk, mogen de individuele onderdanen in opstand komen. 20 )

Mornay deelt de magistraten in twee groepen in: in de eerste plaats zijn er de provinciale of plaatselijke officieren (van markies tot burgemeester), de territoriale magistraat dus: zij hebben alleen het recht hun onderdanen te beschèrmen tegen een tiranniek heersend vorst. De officieren van de kroon en de edelen bezitten echter de dwingende en straffende macht: zij alleen mogen in daadwerkelijk verzet komen tegen de tiran en deze zelfs om het leven brengen.

De opstand

Deze ideeën der Monarchomachen nu, hebben de theoretische fundering gevormd voor onze opstand tegen Spanje. Zowel Du

Plessis-Mornay als Languet verbleven lange tijd (van 1578 tot 1582) aan het hof van Prins Willem van Oranje als zijn raadslieden. Mornay had in zijn tractaat ook duidelijk gezinspeeld op de Nederlandse situatie. Wanneer hij schrijft dat de koning door een eed aan de wetten en privileges van het volk gebonden is, wijst hij op de 'Blijde Incomste', het oude inhuldigingshandvest van Brabant, waarbij de vorst gewaarschuwd werd dat hij zou worden afgezet indien hij de privileges des volks zou schenden. De laatste vorst die trouw gezworen had aan deze wetten en privileges was... Philips II, de koning van Spanje. Nu, indien iets duidelijk werd, dan was het wel dat Philips deze privileges schond. Zo kon het zover komen, dat de Staten-Generaal in 1581 Philips afzetten als Heer der Nederlanden (Plakkaat van Verlatinge). Reeds in zijn propagandageschriften uit 1568 en ook later in zijn Apologie had Oranje de contract-idee gepropageerd. 21 )

Philips van Marnis, heer van St. Aldegonde, heeft hierin ook een belangrijke rol gespeeld. Hij stelde, dat men bij deze vragen over het recht van opstand drie zaken goed in het oog moest houden. In de eerste plaats moet men Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen; in de tweede plaats trad de Prins van Oranje op als lagere magistraat en in de derde plaats geeft een alle wetten en privileges schendende vorst het volk de vrijheid zich tegen hem te verzetten. 22 )

En met name uit ons volkslied (waarvan Marnix de dichter moet zijn geweest) 23 ) blijkt, hoezeer deze gedachten hebben voorgezeten

bij de legitimering van onze opstand. Wel wordt in het eerste couplet de gehoorzaamheid aan de vorst voorop gezet ("Den Conick van Hispaengien / Heb ick altyt gheeert"), maar in het laatste couplet wordt een gehoorzaamheid bezongen die daar bovenuit gaat:

Voor Godt wil ick belijden End zijner grooter Macht Dat ick tot gheenen tijden Den Coninck heb veracht: Dan dat ick Godt den Heere Der hoochster Maiesteyt Heb moeten obediëren Inder gherechticheyt.

Tenslotte zou ik hier nog willen wijzen op een geschrift, dat ik in de litteratuur over dit onderwerp nog nooit genoemd heb gezien, maar dat destijds toch ook een belangrijke rol moet hebben gespeeld, nl.: Adoni-Beseck, of Lex Talionis: Dat is, Rechtveerdighe straffe Godts over den Tyrannen, van de hand van de militant antipapistische predikant Joh. Focanus. 24 ) Het is een oproep de strijd tegen de Spaanse tirannie voort te zetten en Focanus doet daarbij (zonder hen met name te vermelden) een beroep op de geschriften der Monarchomachen.

Afstand

Toch hebben latere Calvinisten zich wat gedistantieerd van de opvattingen der Monarchomachen. Toen in 1660 te Amsterdam een herdruk van de Vindiciae contra tyrannos verscheen en op het titelblad Th. Beza als vermoedelijke auteur werd vermeld, besteedde Voetius er een afzonderlijke disputatie aan om Beza van deze smaad te zuiveren, en in zijn Politica Ecclesiasticae distantieert hij zich nadrukkelijk van de gevoelens der Monarchomachen. 25 )

Ook Andreas Rivet moet zich wat genegeerd hebben voor deze ideeën. In zijn polemiek met Hugo de Groot (die het auteurschap van Mornay verdedigde) verweert hij zich door te wijzen op Mornay's jeugdige leeftijd en op de moeilijke omstandigheden waarin de Hugenoten verkeerden. 26 )

In de negentiende eeuw heeft mr. G. Groen van Prinsterer, die in kerk, staat en school de revolutiegeest bestreed, zich gedistantieerd

van de "republikeinse zuurdesem" in de geschriften der Monarchomachen. Zo schrijft hij in zijn Ongeloof en Revolutie: "Ik weet wat door Calvinistische geleerden, Languet en Hottoman en anderen, in republikeinschen geest te boek is gesteld. Ik ken de geschiedenis der Hugenoten en Puriteinen; de vraag blijft: is wat men bedoelt, aan het Calvinisme, of aan Calvinisten, aan belijdenis of belijders te wijten? " En Groen antwoordt dan dat deze republikeinse geest niet aan het Calvinisme, niet aan de belijdenis te wijten is, maar voornamelijk aan de moeilijke omstandigheden, de verdrukking en vervolging, waarin deze Calvinisten verkeerden. 27 )

Conclusie

We zagen hoe Calvijn strikt vanuit het positieve recht redeneerde, terwijl de Monarchomachen ook een beroep deden op het natuurrecht om het verzet der onderdanen te legitimeren. Dit is van groot belang, omdat op grond van deze ontwikkeling vaak getracht is een vloeiende lijn te trekken van Reformatie naar Revolutie, een ontwikkeling die vooral via de denkbeelden van Hugo de Groot verlopen zou zijn. Dit moet echter op een ernstig misverstand berusten daar de monarchomachen niet alleen de verhouding tussen God en overheid, maar ook de tweede gezagsverhouding (die tussen vorst en volk), door Gods wet genormeerd zagen. We zouden dus kunnen stellen dat de monarchomachen een theocratisch genormeerd natuurrecht voorstonden. Eerst nadat het natuurrecht volkomen geseculari-

seerd was, kon het tot een vruchtbare voedingsbodem voor het revolutionaire denken worden. 28 )

Maar in verband met het vraagstuk van burgerlijke ongehoorzaamheid is vooral van belang het feit dat binnen het calvinistisch verzetsrecht nimmer aan individuele burgers het recht van opstand wordt toegekend (ervan uitgaand dat er geen sprake is van 'haeretici' of 'tyranni absque titulo 1 ), omdat men niet weet van een contract tussen vorst en volk, maar alleen van een contract tussen de vorst en de lagere overheden. Ook deze lagere overheden zijn door God verordineerd en alleen zij hebben daarom het recht tegen de vorst in opstand te komen. De overheid (zowel de hoogste overheid als de lagere overheden) ontleent haar gezag dus niet aan het volk, maar aan God. Dan kan wel gezegd worden dat de overheid er is ten behoeve van het volk, maar niet namens en in opdracht van het volk. Daarom is het ook nimmer aan de individuele staatsburgers om de uitoefening van dit gezag te beoordelen en daarom kan het calvinistisch verzetsrecht nooit het kader zijn waarbinnen burgerlijke ongehoorzaamheid bepleit kan worden. En daaruit vloeit voort dat ook de Opstand niet kan gelden als een historisch voorbeeld van burgerlijke ongehoorzaamheid: Willem van Oranje nam de leiding van het verzet op zich in zijn kwaliteit van lagere magistraat en dat maakte de opstand tot een legitieme zaak.

Twee rijken of twee regimenten

Wat is Go des, en was des keizers?

De Duitse nieuwtestamenticus Oscar Cullman heeft getracht aan te tonen dat de overheden de aards-zichtbare belichamingen van de onzichtbare (kwade) engelenmachten zijn, die weliswaar door Christus overwonnen zijn, maar nog niet definitief (Kol. 2 : 15; Hebr. 2 : 8; Ef. 1 : 22; 1 Kor. 15 : 24-28) en die zich dus nog zo kunnen emanciperen dat zij de overheden gebruiken om zich aan de gemeente Gods te vergrijpen. 29 ) John Murray heeft op exegetische gronden het onhoudbare van deze stelling aangetoond: e overheid als dienaresse, als liturg en diaken Gods, is juist Gods regiment binnen het rijk der wereld, dat het rijk van satan is. 'The governing authorities are represented as God's ministers to promote good and restrain evil and are, therefore, directed against Satanic and demonie influences.”30 )

Toch blijft het waar dat de overheden, onder de hoge toelating

Gods, tot instrumenten van de vorst der duisternis kunnen worden (vgl. Openb. 13). Dat wordt zij zodra zij de haar gestelde grenzen overschrijdt en niet alleen wat des keizers is voor zich opeist, maar ook wat Godes is (Matth. 22 : 21). Dan heeft men haar alle gehoorzaamheid te ontzeggen. "Die Obrigkeit verliert ihr Recht, Obrigkeit zu sein, wenn sie zu einer Maske des teufels wird." 31 ) Naar aanleiding van de vermelde tekst uit het Evangelie van Mattheus schreef Luther: Ein Christ weiss wohl, was er tun soll, dasz er Gott gebe, was Gottes ist, und dem Kaiser auch, was des Kaisers ist, aber doch nicht den Bluthunden, was nicht ihrer ist.”32 )

Luther

Juist dit inzicht bepaalt het verschil tussen Augustinus' Twee-Rij kenleer en Luthers leer van de twee regimenten. Volgens Luther valt de civitas terrena (het wereldlijk rijk) niet samen met de overheid, maar is de overheid juist het regiment Gods binnen het rijk der wereld ter beteugeling van de zonde. Maar juist omdat de overheid haar door God verleende macht heeft aan te wenden tot het creëren van een rechtsorde in deze wereld, omdat zij dus een van God verordineerde macht is ter beteugeling van "de ongebondenheid der mensen" en dus een tijdelijk karakter draagt, d.w.z. geheel en alleen tot de oude Aeon (de oude schepping) behoort, juist daarom heeft zij niet de macht in het leven van de Kerk in te grijpen. 33 )

Luthers onderscheiding tussen de twee regimenten is door Calvijn overgenomen. Calvijn schreef: "Wij moeten opmerken, dat er onder de mensen tweeerlei regering is: de ene geestelijk, waardoor de consciëntie wordt onder-

wezen tot vroomheid en de dienst van God, de andere burgerlijk, waardoor de mens wordt onderricht tot de menselijke en burgerlijke plichten, die onder de mensen in acht genomen moeten worden. (Laat ons de eerste een geestelijk rijk mogen noemen, de tweede een burgerlijk rijk." 34 ) Deze onderscheiding is ook overgenomen (juist ook in de tijd der remonstrantse twisten) door latere calvinisten als bij voorbeeld Voetius en Trigland, die onderscheidden tussen het "regnum speciale" en het "regnum universale”. 35 )

Protest

De Kerk is dus geroepen tot kritisch respect ten opzichte van de overheid; zij heeft waakzaam te zijn dat de overheid de haar gestelde grenzen niet overschrijdt. Indien dat gebeurt is zij niet langer gehouden de overheid gehoorzaamheid te betuigen. En deze ongehoorzaamheid zal zich uiten in de (legale) vorm van het publieke protest. "Wenn der Kutscher trunken ist" is de Kerk tot "Wortwiderstand" geroepen! 36 )

Want waaraan anders ontleent zij haar naam van "protestant" dan aan de moedige en voorname Protestatie, door een aantal Lutherse vorsten op de Rijksdag te Spiers in 1529 uitgesproken:

"Zo verklaren en betuigen wij hierbij openlijk voor God, onze enige Schepper, Onderhouder, Verlosser en Zaligmaker, die alleen onze harten doorgrondt en kent, en die ons dienovereenkomstig oordelen zal; en tevens voor alle mensen en schepselen, dat wij voor ons in alle verhandelingen en besluiten, die indruisen tegen God, tegen Zijn Heilig Woord, tegen ons zieleheil en tegen ons goed geweten, niet zullen instemmen of bewilligen, maar die om gegronde redenen als nietig en niet bindend zullen beschouwen.”

Dankbetuiging

Graag wil ik de heer L.M.P. Scholten danken voor zijn bereidheid dit artikel kritisch door te nemen en die mij per brief ook een aantal kritische op-en aanmerkingen deed toekomen. Dhr. Scholten deed mij weten zich met de tendens van mijn verhaal te kunnen verenigen; de door hem ook gestelde vragen vereisen echter zoveel nadere studie dat ik deze in dit artikel niet meer heb kunnen verwerken.


NOTEN:

1. Over burgerlijke ongehoorzaamheid o.a.: C.J.M. Schuyt, Recht, orde en burgerlijke ongehoorzaamheid, diss., Rotterdam, 1972: G. Maneschijn, Burgerlijke ongehoorzaamheid. Cher grenzen aan politieke gehoorzaamheid in een democratische rechts-en verzorgingsstaat, Baarn, 1984; G. Holdijk, Christenen en burgerlijke ongehoorzaamheid, 's Gravenhage, 1985.

2. Juist omdat de Heilige Schrift onze enige regel des geloofs is, moet het bijzonder leerzaam en verhelderend zijn na te gaan hoe anderen in het verleden getracht hebben de normen ons in Gods onfeilbaar Woord hieromtrent geopenbaard, uit de Schrift af te leiden. "Since Pentecost the Holy Spirit has been present and active in the church, and part of His ministry has been to teach God's people to understand the Scriptures and the message they contain... The only course that the doctrine of the Holy Spirit in the Church will sanction is to approach Scripture in the light of historic Christian study of it... the fellowship of the saints is the proper milieu for learning to understand the Bible." James 1. Packer, "Infallible Scripture and the Role of Hermeneutics", in: Carson, D.A. & Woodbridge. John D., eds.. Scripture and Truth, Grand Rapids, 1983, 352, 353. Vgl. ook John Owen, The Causes, Ways and Means of Understanding the Mind of God as Revealed in His Word, ch.IX (= Works, ed. Goold, vol. IV, Edinburgh, 1862, 226-234).

3. De naam 'monarchomachen' is afkomstig van de destijds in Frankrijk wonende Schotse prelaat Guil. Barclaius (William Barclay), 1546-1608, die in het jaar 1600 zijn De Regno et Regali Potestate adversus Buchanum, Brutum, Boucherium et reliquos Monarchomachos libri sex publiceerde. De naam is eigenlijk onjuist: deze Hugenoten bestreden niet de monarchie op zich, maar wel die vorsten die, met voorbijzien van door het volk historisch verkregen rechten, hun onderdanen als tirannen regeerden.

4. Omdat de vraag over de verhouding tussen calvinisme en democratie hierbij aan de orde komt, is er reeds een onoverzienbare hoeveelheid literatuur over dit onderwerp verschenen. Een goede bespreking van een groot aantal belangrijke werken over dit onderwerp geeft H. Vahle, "Calvinismus und Demokratie im Spiegelder Forschung", in: Archiv fur Reformationsgeschichte (voortaan te citeren als ARG), 66 (1975), 182-212. Vahle komt zelf tot de conclusie, dat er geen direkt verband bestaat tussen het vroege Calvinisme van Genève en de theoretici van de moderne democratie. Latere calvinisten als de monarchomachen en Petrus Ramus gingen echter verder dan Calvijn zelf. Deze democratische vleugel binnen het calvinisme zou, volgens Vahle, wel een belangrijke bijdrage geleverd hebben voor de latere ontwikkeling van ideeën omtrent democratische vrijheid (S. 212) vgl. echter noot 20.

5. Althusius (1557-1638) was van 1586-1604 hoogleraar te Herborn. daarna Syndikus van de stad Emden. In 1603 publiceerde hij zijn Politica Methodice Digesta, waarin hij een calvinistische rechtsleer gaf. De derde druk van dit werk (die verscheen in 1614) is te Cambridge in 1932 opnieuw uitgegeven door Carl J. Friedrich. Een vertaling van een gedeelte van dit werk verscheen van de hand van F.S. Carney: Johannes Althusius, The Politics, London, 1965. Over Althusius o.a.: Otto Gierke, Johannes Althusius und die Entwicklung der naturrechtlichen Staatstheorien, Breslau, 1880; Gottlob Schrenk, Gottesreich und Bund im aelteren Protestantismus, Gü'tersloh, 1909, reg.; P.J. Winters, Die 'Politik' des Johannes Althusius und ihre wichtigsten zeitgenó'ssischen Quellen, Freiburg/Brsg., 1963.

6. John Knox, The First Blast of the Trumpet against the monstruous Regiment of Women, (Genève), 1558. Een facsimilé-herdruk verscheen te Amsterdam in 1972.

7. George Buchanan, De lure Regni apud Scotos (1579). Een Nederlandse vertaling verscheen te Amsterdam in 1598: 't Samenspreeckinghe vant recht der Coninghen... verduytscht door Ellert de Veer.

8. Samuel Rutherford, Lex Rex, London, 1644. Een herdruk verscheen te Harrisonburg, Virginia, in 1980. Rutherford schreef dit werk tijdens de bekende Synode van Westminster tegen John Maxwell's Sacro-Sancta regum majestas. Carl J. Friedrich stelt, in zijn voorwoord op Carney's vertaling van Althusius' Politica (zie noot 5), dat dit werk

van Rutherford "perhaps closest to the Althusian position" komt (p. xii).

9. James Renwick, The Informatory Vindication (1688). Een Nederlandse vertaling wordt vermeld in Knuttels pamflettencatalogus. Over Knox, Buchanan, Rutherford, Renwick en ook Alexander Shields (A Hind Let Loose, 1688), zie: John MacLeod, Scottisch Theology, London, 1974, 71-73. 109-110 en G.N.M. Collins, 'The Scottish Covenanters", in: The Christian and the State in Revolutionarv Times, published by The Westminster Conference, being papers read at the 1975 conference, 45-59.

10. Cf J. Bohatec, Calvins Lehre von Staat und Kirehe mit hesonderer Berücksichtigungdes Organismusgedankens, Aaien, 1968: idem, Calvin und das Recht, Aaien, 1971; W. Nijenhuis, "De grenzen der burgerlijke ongehoorzaamheid in Calvijns laatst bekende preken: ontwikkelingen van zijn opvattingen aangaande het verzetsrecht", in: Historisch Bewogen, opstellen aangeboden aan prof. Dr. A.F. Meilink, Groningen, 1984, 67-98.

11. Genève was een kleine stadsrepubliek met vier burgemeesters, een kleine Raad (de aristocratie) en Raden van 60 en 200 (de volksregering).

12. Meer recent onderzoek (zie o.a. het in noot 13 genoemde artikel van Ralph E.Giesey) heeft getracht aan te tonen dat Hotman zijn Francogallia reeds voor 1572 (dus vóór de Bartholomeusnacht) geschreven moet hebben, dat het manuscript door zijn overhaaste vlucht uit Bourges daar achter was gebleven zodat het in Genève opnieuw geschreven moest worden en dus eerst in 1573 (dus na de Bartholomeusnacht) gepubliceerd kon worden; dat Beza reeds in de jaren '50 uitlatingen had gedaan die materieel niet verschilden van hetgeen hij hieromtrent in zijn lure Magistratuum schreef en dat de Vindiciae pas zeven jaar na de Bartholomeusnacht verscheen, zodat het moeilijk vol te houden is dat dit geschrift uitsluitend als een radicale reactie op de Bartholomeusnacht gezien moet worden. Volgens deze opvatting heeft men deze geschriften dus niet zozeer als gelegenheidsgeschriften te zien, als wel als serieuze theoretisch onderbouwde uiteenzettingen over de verhouding vorst-onderdaan.

13. Over Hotman o.a.: Rodolphe Dareste, Essai sur Francois Hotman. Paris, 1850; idem, "Francois Hotman, sa vie et sa correspondence", in: Revue Historique, II (1876), 1-59, 367-435; J.A.H.J.S. Bruins Slot, "Francois Hotman", in: Anti-Revolutionaire Staatkunde. 3-mnd. orgaan, 6 (1933), 37-72; Ralph E. Giesey, "Why and When Hotman wrote the Francogallia", in: Bihliothèque d'Humanisme et Renaissance, 29(1967), 583-611.

14. Een Franse uitgave verscheen voor het eerst in 1574 te Keulen. Ook in deze eeuw verscheen nog een uitgave: Francogallia, by Francois Hotman. Latin text by R.E. Giesey.

Translated by J.H.M. Salmon, Cambridge, 1972. 15. Over het leven van Beza: Paul F. Geisendorf, Theodore de Bèze, Genève, 1949. Over zijn ideeën omtrent het recht van verzet: Alfred Cartier, "Les idéees politiquesde Théodore de Bèze", in: Bulletin de la Société d'Histoire et d'Archéologie de Genève, II (1898-1904). 187-206; Robert M. Kingdon, 'The First Expression of Theodore Beza's Political Ideas", in: ARG, 46 (1955), 88-99; idem, "Les idéés politiques de Bèze", in: Bihliothèque d'Humanisme et Renaissance, 22 (1960), 566-569; I. Hoss, "Zur Genesis der Widerstandslehre Bezas", in: ARG, 54 (1963). 198-214; A.A. van Scelven, "Beza's De lure Magistratuum in Subditos", in: ARG, 45 (1954), 62-83.

16. De eerste Latijnse uitgave (De lure Magistratuum in Suhditos) verscheen te Lyon in 1576. Een eerste Nederlandse vertaling verscheen te Amsterdam in 1611. Een kritischwetenschappelijke (Latijnse) uitgave door Klaus Sturm verscheen te Neukirchen-Vluyn in 1965.

17. Th. Beza, De Haereticis, a ciuili Magistratupuniendis libellus. De eerste Franse uitgave verscheen te Genève in 1560. Een Nederlandse vertaling verscheen te Franeker in 1601 o.d.t.: Een schoon Tractaet des godgeleerden Theod. Beza over de straffe welcke de wereltlycke overigheyt over de ketters behoort te oeffenen. De vertaling is van Joh. Bogerman en Henricus Geldorpius, destijds predikanten te Sneek. Cf G.P. van Itterzon, Johannes Bogerman. Amsterdam, 1980, p. 12, 13.

18. De eerste Franse uitgave verscheen te Genève in 1581. Te Londen verscheen in 1924 een herdruk van de Engelse uitgave van 1648: Harold L.aski, e.d., A Defense of Liberty against Tyrants.

19. Over H. Languet: H. Chevreul, Hubert Languet, Paris, 1852; repr. Nieuwkoop, 1967. Over Mornay o.a.: Raoul Patry, Philippe du Plessis-Mornay, Paris, 1933; Albert Elkan, Die Publizistik der Bartholomäusnacht und Mornay's 'Vindiciae contra Tyrannos', Heidelberg, 1905: J. Itjeshorst, De werkzaamheid van Du Plessis-Mornay in dienst van Hendrik van Navarre in de jaren 1576 tot 1582, diss. Leiden, Kampen, 1917.

20. Cf Ralph E. Giesey, 'The Monarchomach Triumvirs", in: Bibliothèque d'Humanisme et Renaissance, 32(1970), 41-56: "By means of the doctrine of the multiple magistracy, a default by the king - that is, his tyranical actions - does not free the people from obedience, but only activates momentarily the sovereign regulatory power of a group of magistrates each of whom is normally inferior to the king. Zo, for all the high-sounding passages in the histories of political thought where the Monarchomachs are called harbingers of popular sovereignty, in Monarchomach theory the people actually have no power to act against a legitimate king." (p. 44, 45)

21. Cf Mr R. Feenstra en Mr Margreet Ahsmann, Contract. Aspecten van de begrippen contract en contractsvrijheid in historisch perspectief, Deventer, 1980, p. 31 en 79, 80.

22. Cf C. A. Chais van Buren. De Staatkundige Beginselen van Ph. van Marnix, Heer van St. Aldegonde, diss. Leiden, Haarlem, 1859.

23. Cf Ad den Besten, Wilhelmus van Nassouwe. Het gedicht en zijn dichter, Leiden, 1983.

24. Joh. Focanus, Adoni-Beseck, of Lex Talionis: Dat is, Rechtveerdighe straffe Godtsover den Tyrannen. Een Meditatie of Discours over de Historie van den Conick Adoni-Beseck, beschreven in 't Boeck der Richteren 1. Capit. Ende geappliceert op den Conick van Spangien; tot dienst van alle oprechte Patriotten, Leeuwarden, 1600, 1643.

25. G. Voetius, "Disquisitio de Autore Vinciciarum contra Tyrannos", in: Selectarum Disputationum Theologicarum, pars quarta, A'dam, 1667, 231-244 (op grond van Theod. Tronchini Oratio funebris in obitum Simonis Goulartii uit 1628 wijst Voetius Languet als de auteur van de Vindiciae aan) en G. Voetius, Politica Ecclesiasticae, 1/2, A'dam. 1666, 353-378 (vgl. met name het gedeelte vanaf p. 364, VII Probl.). Zie ook Enno Conring, Kirche und Staat nach der Lehre der niederländischen Calvinisten in der ersten Hälfte des 17. Jahrhunderts, Neukirchen, 1965, 179-186.

26. Over de discussie tussen Rivet en De Groot: H.J. Honders, Andreas Rivetus als invloedrijk gereformeerd theoloog in Holland's bloeitijd, 's-Gravenhage, 1930, 88-106.

27. Mr. G. Groen van Prinsterer, Ongeloof en Revolutie, Leiden, 1847, p. 146, 147 (ed. Van Malsen, Utrecht, 1924, p. 123, 124; ed. Smitskamp, Franeker, 1976, p. 107, 108). Vgl. ook Groens Verscheidenheden over Staatsregt en Politiek, A'dam, 1850, p. 100 en H. Smitskamp, "Groen van Prinsterers denkbeelden over het recht van opstand", in: Anti-Revolutionaire Staatkunde, 3-mnd. orgaan, 8 (1934), 182-194.

28. Vgl. de bekende woorden van Hugo de Groot: "Het Regt der Nature... zoo onveranderlijk (is), dat het van God zelve niet kan verandert worden. Want, alhoewel de magt Gods oneindig is, zoo kan men nochtans sommige dingen opnoemen, tot welke zig de zelve niet uitstrekt... Derhalven, gelijk het in Gods magt niet en is, te maken, dat tweemaal twee geen vier zoude zijn; alzoo is 'et in zijne magt niet te maken, dat een zaak, die volgens d'inspraak van de reden quaad is, niet quaad zoude wezen." (De lure Belliac Pacis, 1, 8, 5; geciteerd naar de vertaling van Jan van Gaveren, Van 't Regt des oorlogs en vredes, A'dam, 1705, p.8).

29. O. Cullmann, Der Staat im Neuen Testament, Tübingen, 1961 2 .

30. J. Murray, The Epistleto the Romans, vol. II, Grand Rapids, 1977, 252-256 (het citaat op p. 254, 255).

31. H.J. Iwand. Luthers Theologie (Nachgelassene Werke, V), München, 1983, S. 301.

32. Idem, S. 302. Het citaat is afkomstig uit Luthers Warnung an seine lieben Deutschen uit 1531.

33. Cf A. Nygren, Der Römerbrief Göttingen, 1954 2 . S. 305.

34. J. Calvijn, Institutie, III, xix, 15 (vert. Sizoo).

35. Cf Enno Conring, a.w., S. 44 f.

36. Aldus E. Berggrav in 1941. Zijn rede is opgenomen in A. Kaufmann (Hrsg.), Widerstandsrecht, Darmstadt, 1972, S. 135-151.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 oktober 1986

Criterium | 46 Pagina's

Calvinistisch verzetsrecht

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 oktober 1986

Criterium | 46 Pagina's

PDF Bekijken