Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VERANTWOORDE VERSNIPPERING?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

VERANTWOORDE VERSNIPPERING?

7 minuten leestijd

Het is de laatste tijd schering en inslag om in dagblad en tijdschrift geconfronteerd te worden met beschouwingen over de waarde van de gereformeerde of reformatorische zuil, zoals dat wordt genoemd. Het RD heeft er een artikelenreeks aan gewijd, het tijdschrift Koers heeft onder de kop 'Het disfunctioneren van de reformatorische zuil' de docenten Dekker en Van der Schans geïnterviewd en in Amendement krijgt fractiemedewerker van de SGP. mr. I. Bakker, alle gelegenheid om in te gaan op 'Kerkje spelen op school'. Het doordenken van de rechtvaardiging van het zuilaire bestaan van de organisaties binnen de gereformeerde gezindte is volop actueel.

In de huidige ontwikkelingen - en ik beperk mij tot de onderwijssituatie - wordt steeds meer een oproep gedaan tot samenwerking. Velen maken zich ernstig zorgen over de interne verdeeldheid van de gereformeerde gezindte. De reformatorische zuil op zich wordt van waarde geacht, omdat 'je binnen de zuil beter dan daarbuiten in staat bent om je identiteit in een beschermde omgeving over te dragen'. Daarbij leeft het gevoelen sterk om tegen de 'diepgaand veranderde en veranderende samenleving' een reformatorische zuil te plaatsen. die breed van opzet is en waarbinnen mogelijkheden zijn om 'zelfstandig denken' te bevorderen. Dit zelfstandig denken zal moeten plaatsvinden vanuit een 'beleefd geloof (Dekker), omdat anders de nadruk teveel ligt op het groepsdenken, op de isolatiefunctie van de groep. Daarbij komt dat wordt geconstateerd dat de achterban, vooral de jongeren, zich uit de geïsoleerde groep ontworstelt. Er bestaat enige huiver om de evangelische beweging in de zuil op te nemen, omdat men zich theologisch niet congeniaal met hen weet ( Van der Schans).

Zo verstaan, wil men een reformatorische zuil waarbinnen men niet alleen in het gezamenlijk optrekken tegen de toenemende secularisatie de interesse en waardering van de jeugd heeft, maar ook mogelijkheden om het eigen denken te bevorderen. Hierbij mag geen krampachtigheid heersen, zoals 'het alles precies vastleggen'. Van der Schans: 'Op sommige reformatorische scholen bijvoorbeeld, waar in de grondslag niet alleen wordt gesproken over de Schrift en de Drie Formulieren van Enigheid, maar waar wordt toegevoegd:

zoals nader beleden wordt in de synode-uitspraak van ... of naar de interpretatie van ds. G.H. Kersten'. Dit laatste wordt een voorbeeld genoemd van onnodige versnippering. Het wordt door Bakker afgekeurd als 'kerkelijke (leer)verschillen automatisch tot afzonderlijk georganiseerde scholen leiden'. Specifieke kerkelijke leerstukken en de geloofsopvoeding kunnen volgens hem op zondagsschool, catechisatie en verenigingswerk worden geleerd. Scholen binden aan specifieke kerken wordt door hem een verengingsproces genoemd, resultaat van 'een vernadering van de Nadere Reformatie', waarbinnen men ijvert voor de meest zuivere waarheid.

Deze visie op de verscheidenheid wordt gelardeerd met voorbeelden uit de praktijk, waarin samenwerking wel zou kunnen. Hierbij is het GPZ natuurlijk een dankbaar voorbeeld: van Oud Gereformeerd tot Vrijgemaakt werkt men samen.

Dit gedachtengoed leeft momenteel sterk binnen de gehele zogenaamde gereformeerde gezindte. De ene wijst een precieze formulering van de leer in de statuten van de school af (o.a. Van der Schans), de ander wil zoveel mogelijk scholen onder één paraplu los van kerkelijke bindingen maar met een overkoepelende reformatorische belijdenis (Dekker). Weer anderen achten financiële argumenten van doorslaggevende betekenis. Hoe dient onze houding hierin te zijn? Is het teveel gevraagd om binnen de gereformeerde gezindte zich één te voelen met de meerderheid, vooral als we zien op de desastreuze verwording van onze samenleving? Is ons streven een ijveren voor de meest - nadruk op het woord meest - zuivere waarheid? Is het 'mini-zuiltje' van bijvoorbeeld VBSO en KLS - deze term is niet door mij bedacht - eigenlijk we nodig? Met andere woorden is het een schande ten opzichte van de gereformeerde gezindte dat de KLS haar 25-jarig bestaan herdenkt? Halen we niet terecht de beschuldiging op ons een 'vernadering' van de reformatorische zuil na te streven?

Kenmerkend voor de stemmingmakers voor meer eenheid is dat men het bestaan van de zuil losweekt van de historische context en wars is van de gedachte dogmatische leeruitspraken van doorslaggevende betekenis te doen zijn voor organisatie. In deze sfeer worden 'openheid en tolerantie' geprezen en het 'antithetisch denken' afgewezen. Het geldt als een pré als afkeer wordt getoond van 'kerkelijke verdeeldheid en dogmatische scherpslijperij (Zwemer in Transparant 7.2.).

Ver werpen wij de gedachte van ons als zouden we a priori kerkelijke en organisatorische verdeeldheid voorstaan. Ook al wordt de term 'uit de nood geboren' gehekeld, ons gescheiden kerkelijk bestaan en het gescheiden organisatorisch optrekken is nood. Die nood is met name historisch en dogmatisch bepaald. Kerkelijke scheiding en het gescheiden optrekken inzake onderwijs is onlosmakelijk aan elkaar verbonden. De doopbelofte met betrekking tot de

'leer alhier geleerd' heeft gevolgen voor de gehele opvoeding, inclusief de schoolkeuze.

Kerkelijk gescheiden optrekken heeft daarom consequenties voor de organisatie van het schoolleven. En waarom? Juist vanwege het honoreren van dogmatische leeruitspraken en het rechtdoen aan de historische wording der gemeenten. En daarin is nu precies de actualiteit gelegen. Immers, leeruitspraken werden gedaan in actuele kwesties. Deze kwesties hebben blijkens diverse hedendaagse uitingen van een optimistische geloofsvisie in dagblad en tijdschrift, waarin historisch geloof wordt aangezien voor zaligmakend geloof, hun actuele waarde nog geenszins verloren.

Het streven naar meer eenheid van wat werkelijk bij elkaar hoort is onze plicht, maar dan wel op basis van de zuivere leer en de daarmee nauw samenhangende levensopenbaring. Laten we dit argument niet verkwanselen voor subjectieve beeldvorming of praktische, situationele argumentatie.

Daarom een oproep, niet tot verbroedering en samenwerking van wat in leer en leven niet bij elkaar hoort. Maar een oproep is op zijn plaats om in terugkeer tot de zuivere leer en een daarbij behorende levensopenbaring bredere samenwerking mogelijk te maken. Dat de nood hiertoe dringt, wijst de toenemende secularisatie en islamisering van de samenleving uit.

De grootste fout in het denken van Van der Schans, Dekker, Bakker c.s. is dat men uitgaat van een eenduidige dogmatische grondhouding binnen de gereformeerde gezindte die overeen zou komen met die van Reformatie en Nadere Reformatie, terwijl een geest van remonstrantisme en (semi-)pelagianisme deze gezindte bijna geheel doorzuurd heeft. Deze geest als één man te weerstaan is onze roeping.

Alleen als we hiervan overtuigd zijn, kan gesprek met anderen worden aangegaan. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het Lokaal Onderwijsbeleid, waarbinnen overleg gevoerd dient te worden met andersdenkenden, binnen en buiten de gereformeerde gezindte. Van de Schans noemt o.a. dit de presentatiefunctie van de zuil.

Verwachten wij het dus van het organisatorisch gescheiden optrekken? Neen, als het ware geloof - wat volgens mij iets anders is dan een historisch 'beleefd geloof' - niet de drager is van de zuil. dan is deze niet meer dan de romp waarbinnen wij onze roeping en plicht vervullen, zonder dat in waarheid beleefd wordt wat wordt voorgestaan. Maar door te zeggen dat 'juist door institutionalisering van de zuil de bevindelijk gereformeerde steeds minder voor het aangezicht Gods verkeert' geeft men er blijk van niet doordrongen te zijn van de oorzaak van de afval binnen de gereformeerde gezindte. Niet in institutionalisering op zich ligt hét gevaar, maar veeleer in dogmatische afwijkingen, gepaard met een afwijkend begrip van het bevindelijk ervaren ware geloof.

Daarbij zouden we moeten beseffen dat onze maatschappij, ons onderwijs, ja, onze kerken, geheel onder het oordeel Gods verkeren. Het zou kunnen zijn dat dit betekent dat ook onze organisaties tenslotte, öf meegaan in de syncretische en materialistische mode van de tijd öf in een positie komen dat ze niet langer kunnen voortbestaan. Maar de oorzaak hiervan ligt niet in de bevordering van schoolonderwijs op gereformeerde grondslag, waarbij leeruitspraken der kerk (1931. 1945 en 1953) worden gehonoreerd.

Indien de Heere de arbeid onzer handen niet een verbeurde zegen geeft, dan verzinken onze organisaties steeds meer in het moeras van pragmatisme, materialisme; kortom in wereldsgezindheid en een godsdienstbeleving zonder enige door-en uitstraling van de grondslag van de organisatie (Jes. 26:18).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 oktober 1996

Criterium | 68 Pagina's

VERANTWOORDE VERSNIPPERING?

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 oktober 1996

Criterium | 68 Pagina's

PDF Bekijken