Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vrijheid en gebondenheid

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Vrijheid en gebondenheid

Ruimte en regels binnen de opvoeding

9 minuten leestijd

Elke opvoeder stelt zich als regel tot doel zijn kind op te voeden tot een volwassene, die zelfstandig door het leven kan gaan. Hoe doe je dat echter, als je van je kind belijdt dat het onbekwaam is tot enig goed en geneigd is tot alle kwaad? In dit artikel ga ik eerst na, hoe in de tijd van de Nadere Reformatie antwoord op deze vraag gegeven werd. Vervolgens sta ik stil bij het antwoord dat de neo-gereformeerde dr. H. Bavinck en dr. J. Waterink gegeven hebben. Tenslotte laat ik twee hedendaagse pedagogen uit de eigen kring aan het woord. Ik kom tot de conclusie dat het antwoord op de vraag naar de verhouding tussen vrijheid en gebondenheid in de opvoeding bepaald wordt door de visie op het genadeverbond.

Piëtistische pedagogen
Ds. Jacobus Koelman legt in zijn Plichten der ouders sterk de nadruk op gehoorzaamheid en tucht. Hij bepleit een opvoeding in gebondenheid en laat weinig ruimte voor vrijheid. ‘Gewen hun [de kinderen] vroeg aan onderwerping en onderdanigheid; breng hen af van hunnen wil en zin: volg dien niet op. Leer ze vroeg zelfverloochening; wacht u voor hen toe te geven in hunne lusten en zinnelijkheden.’ Hieruit mag echter niet de conclusie getrokken worden als zou Koelman een repressieve opvoedingsstijl propageren.
‘Zijt’, zo schrijft hij, ‘ook niet al te vreemd omtrent uwe kinderen, noch maakt ze niet al te vreesachtig; regeert ze niet als dienstboden, maar als kinderen, latende hun merken, dat gij hen lief hebt, zullen zij u te gewilliger gehoorzamen. Toont hun veel liefde, en dan moogt gij wel gestrengheid gebruiken, als zij kwaad doen; want dan zullen zij zien, dat het is hunne fout alleen, die u mishaagt, en niet hunnen personen.’
Ook bij ds. Petrus Wittewrongel is gehoorzaamheid het sleutelwoord in de opvoeding. De gehoorzaamheidsplicht van de kinderen impliceert, zo merkt dr. L.F. Groenendijk op in zijn proefschrift over de visie van Petrus Wittewrongel op de christelijke huishouding, tenslotte ook dat zij nalaten om in gewichtige zaken eigenmachtig op te treden. Zo lang zij onder de ouderlijke macht staan, behoren kinderen in belangrijke aangelegenheden hun ouders te raadplegen en zich aan hun oordeel te conformeren. Voor vrijheid is bij Wittewrongel weinig ruimte.
Het moge duidelijk zijn dat onze zeventiende-eeuwse piëtistische pedagogen een strikte opvoedingsstijl propageren, waarbij gehoorzaamheid en tucht kernbegrippen zijn. Een opvoeding in gebondenheid.

Neo-calvinistische pedagogen
Herman Bavinck was van professie theoloog, maar verdiepte zich daarnaast ook in de pedagogiek; wetenschappelijk gezien op niet onverdienstelijke wijze. In zijn boek Bijbelsche en religieuze psychologie laakt hij de opstelling van de zeventiende-eeuwse pedagogen. ‘Men zag het kind gewoonlijk van den slechten kant en legde alles, wat het begeerde of wenschte, op verkeerde wijze uit. Voor alle dingen stond vast de booze natuur en de kwade aard van het kind, en de opvoeding had dus vooral tot taak, om die aangeboren kwaadaardigheid te onderdrukken en aan banden te leggen. […] Zulke eenzijdige voorstellingen treft men bij de oude schrijvers menigmaal aan; en ze leven in vrome kringen voort tot op den huidigen dag.
Zoolang God de kinderen niet bekeert, woont in hun niets goeds, en moeten ze door strenge tucht in toom worden gehouden.’
Bavinck pleit voor een genuanceerdere benadering.
Zonde is zonde, ook bij kinderen, maar we moeten er voor waken ‘kleine kinderen te behandelen als groote menschen, en hun een maatstaf aan te leggen, die alleen voor dezen past.’
Ook Bavinck kiest in de opvoeding voor gebondenheid, maar dan met name bij het jongere kind. ‘De knaap heeft een leider nodig.’ Is de opvoedeling echter ouder, dan kan meer vrijheid gegeven worden. ‘De jongeling heeft een vriend en raadsman van noode.’
Op oudere leeftijd moet men leiding geven, ‘zonder dat zij deze gevoelen als dwang.’ ‘In de jongelingsjaren is het mogelijk, het beginsel der zelfregering toe te passen; men mag veronderstellen, dat jonge mannen hun eigen belang begrijpen, zichzelf beheerschen en aan wet en regel vrijwillig gehoorzaam zijn.’
De neo-gereformeerde pedagogoog Jan Waterink genoot in zijn dagen vooral bekendheid door zijn praktische opvoedkundige adviezen in het blad Moeder en in boeken als Aan moeders hand tot Jezus, Opdat zij licht zien en Met moeder bij Jezus. Ook bij Waterink zijn gehoorzaamheid en tucht belangrijke kernwoorden. ‘De roeping van de ouders is, dat het kind zich leert stellen onder de tucht.’ ‘Tucht is de teugel die leiding geeft op het rechte pad’ en ze heeft tot doel ‘het kind zover te brengen, dat het geen tucht meer van anderen behoeft, zodat het door zelftucht zichzelf leiding weet te geven.’
Over het opvoedingsmiddel gehoorzaamheid merkt hij op: ‘De ouders van onze tijd, juist de christenouders van onze dagen, mogen er niet tegen opzien hun kind te gebieden of te verbieden op grond van het gebod Gods. Het woord gehoorzaamheid staat bij velen niet in een goede reuk. Men wil vrij handelen uit overtuiging. Onze God vraagt in de eerste plaats gehoorzaamheid, omdat Hij het is die beveelt. Uit eerbied voor onze God moeten wij onze kinderen gehoorzaamheid leren.’
Hoe vrijheid en gebondenheid zich volgens Waterink verhouden, komt goed tot uitdrukking in het volgende citaat. ‘De ouders moeten in de opvoeding met het kinderen meegroeien. Dat is de eerste regel.
En de tweede regel van evenveel beteekenis is deze: De ouders moeten altijd bedenken dat zij hun kinderen opvoeden tot zelfstandigheid. Elke tuchtoefening moet ten doel hebben de bevordering van de zelftucht van het kind. Elken keer dat het kind bij de hand genomen wordt, moet het einddoel zijn, het kind te leeren, zonder die hand te kunnen loopen.’
Met de piëtitische pedagogen benadrukken Bavinck en Waterink het belang van gebondenheid, daarbinnen is echter met het ouder worden van de opvoedeling meer en meer ruimte voor vrijheid.

Bevindelijk-gereformeerde pedagogen
Tot slot twee pedagogen uit eigen kring. Allereerst ds. C.J. Meeuse. Hij besteedt in zijn onlangs verschenen Kinderen voor God opvoeden vooral aandacht aan de opvoedende functie van het gezin en de godsdienstige opvoeding. In dit opzicht is hij een navolger van Koelman. Gezag, tucht en straf zijn voor hem de pijlers van de opvoeding. ‘Zonder gezag is eigenlijk geen opvoeding mogelijk, het gaat om je laten gezeggen.’
Tucht betekent voor Meeuse het leren van grenzen.
‘Wie die verwerpt, gaat uit van een ontplooien en ontwikkelen.’ Meeuse kiest bij het vraagstuk van vrijheid en gebondenheid duidelijk voor het laatste. Evenals Koelman benadrukt Meeuse dat het element van de liefde in tucht en straf niet mag ontbreken. We moeten tuchtigen uit liefde. ‘Onze kinderen moeten in onze straffen voelen dat we verdrietig zijn om hun zonden.’
De keuze voor een opvoeding in gebondenheid leidt er bijvoorbeeld toe dat Meeuse adviseert om kinderen bij het gebruik van internet te beschermen door een filter of een programma als Kliktime. Het principe van ’baas over de knop’ ontkent de verdorven aard van de mens. Vanuit de keuze voor gebondenheid komt Meeuse –om nog een voorbeeld te geven– tot de aanbeveling om in het voortgezet onderwijs te kiezen voor de begeleide confrontatie.
Meeuse maakt dus een bewuste keuze voor gebondenheid. Is het gevaar niet groot dat daardoor keurig opgevoede kinderen plotseling uit de band springen of opgroeien tot eigengerechtigde farizeeërs? Meeuse onderkent dit gevaar, maar stelt daar tegenover: ‘Opvoeden is een opdracht, een goddelijke opdracht, een plicht, waar zeker ook ieder die onderwijs geeft, zich van moet kwijten. En kan hij er niets wezenlijks mee bereiken. God kan het gebruiken. En Hij wil het gebruiken. Hij zal het ook gebruiken. Zouden we dan niet zoeken trouw te zijn? Anders zal het bloed der kinderen van onze hand geëist worden.’
Tenslotte aandacht voor B. Florijn, oud docent pedagogiek aan De Driestar. In zijn veel te weinig bekende Opstellen over de Christelijke Opvoeding heeft hij op de hem eigen wijze vanuit een Bijbels kader een aantal pedagogische en ontwikkelingspsychologische beschouwingen geschreven.
‘De opvoeding schenkt als het goed is leiding. Leiding naar het Woord des Heeren. Ze moet schenken, stellen, het verbod en het gebod. Dat zal nooit gaan zonder frustratie, zonder de kinderen te belemmeren in hun behoeftebevrediging. Frustreerden we onze kinderen maar meer. Als we iets van de wegen des Heeren zouden mogen kennen, dan mag er niet zo veel en dan kan er niet zo veel. Dat is er niet zoveel ruimte. Dan zijn we niet gauw te streng geweest. En als deze dingen zouden komen uit ons hart, dan zou het kind ze aanvaarden. Als ze maar voelden: vader of moeder kunnen niet anders, omdat het niet mag van de Heere; en daarom niet van hen.’ Ook Florijn kiest bewust voor het principe van de gebondenheid in de opvoeding, omdat het een Bijbels, van God geboden opvoedingsmiddel is.
Over het principe van de vrijheid, van de zelfstandigheid merkt hij het volgende op: ‘Ons opvoedingsdoel is niet zelfstandigheid, maar afhankelijkheid, afhankelijkheid van de Schepper.’ En: ‘We bedoelen met zelfstandigheid dus totaal niet een volkomen losgroeien van de ouders. We bedoelen daarmee de persoonlijke, zelfstandige beleving van die zaken, die in de opvoeding het belangrijkste zijn, ook voor de ouders.’Zelfstandigheid heeft te maken met loslaten. En loslaten is zo moeilijk.’
Ook Florijn kiest voor het beginsel van de gehoorzaamheid. Het is volgens hem het eerste beginsel. Het daaruit volgend principe is de liefde. Het derde beginsel is de straf. ‘Het kind moet leren onderscheiden tussen goed en kwaad. Het jonge kind leert dat niet vanzelf, niet objectief de zaak beschouwend. Daarom moet het leren: kwaad is kwaad, goed is goed. Door straf en beloning.’
Evenals de zeventiende-eeuwse pedagogen, aan wie zowel Meeuse als Florijn zich schatplichtig weten, benadrukken beiden het belang van de gebondenheid in de opvoeding. Ze laten wel enige ruimte voor vrijheid, maar zijn daar veel minder optimistisch over dan de neo-gereformeerden.

Verbondsvisie bepalend
In zowel verleden als heden heeft men in de christelijke opvoeding die zich verbonden weet met de Reformatie en Nadere Reformatie gekozen voor het uitgangspunt van de gebondenheid. Op grond van de wijze, waarop daar door de besproken pedagogen invulling aan is gegeven, neig ik ernaar om te stellen dat de wijze, waarop een opvoeder gebruik maakt van de principes gebondenheid en vrijheid samenhangt met zijn theologische visie, met name op die van het genadeverbond.
Deze stelling wordt onder meer ondersteund door het proefschrift van dr. N. Bakker Kind en karakter, Nederlandse pedagogen over opvoeding in het gezin 1845-1925.
Ze concludeert in hoofdstuk 9 dat de kinderen bij de rechtzinnige nederlandse hervormden in de opvoeding de meeste vrijheid hebben. Bij de oud-gereformeerden (Bakkers aanduiding voor ledeboerianen en kruisgezinden) het minst en de nieuw-gereformeerden zitten daar tussenin. Dit ondanks de gemeenschappelijke belijdenis van de verdorvenheid van het kind. Anders gezegd: ‘Zeg me wat uw verbondsvisie is, en ik zal zeggen wat uw pedagogische principes zijn.’ 1)

1) Voor geïnteresseerden is van dit artikel een uitgebreide en wetenschappelijke versie beschikbaar; aan te vragen bij lvanklinken@kliksafe.nl.

Dit artikel werd u aangeboden door: KOC Visie

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 2011

Criterium | 40 Pagina's

Vrijheid en gebondenheid

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 2011

Criterium | 40 Pagina's

PDF Bekijken