Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Portaal des Heeren

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Portaal des Heeren

Ds. Gerhard Meyer

9 minuten leestijd

In het vijfde hoofdstuk van Portaal des Heeren beschrijft Gerhard Meijer de tucht. Het uitoefenen van de tucht ligt bij veel mensen gevoelig. De Nederlandse wet verbiedt het slaan van kinderen. Dit heeft er enerzijds mee te maken dat kindermishandeling in allerlei vormen veel voorkomt. Ook onze hulpverleners hebben er helaas regelmatig mee te maken. Anderzijds ligt de tucht gevoelig omdat veel mensen niet weten hoe ze de tucht op een Bijbelse manier moeten toepassen. In de Bijbel lezen we herhaaldelijk over tucht of kastijding (Spreuken 3 vers 12, 22 vers 15, 23 vers 13, 14, 29 vers 15, Hebr. 12 vers 6-8, enz.). Gerhard Meijer maakt duidelijk wat er in de Bijbel met tuchtiging en kastijding bedoeld wordt en maakt dit tegelijkertijd heel praktisch. Opvallend is dat hij – terwijl slaan heel gewoon was is zijn tijd – heel terughoudend is in het gebruik van de ‘roede’.

We willen graag het volgende opmerken:

- Gerhard Meijer plaatst ‘getrouw onderwijs’ voor de ‘tucht’, omdat ‘die van meer belang is’. Toch behandelt hij eerst de tucht, want ‘als men let op de staat en de natuur van het kind, zal de tucht eerder uitgeoefend worden dan het onderwijs.’ In de eerste levensjaren is de tucht een belangrijk middel om gehoorzaamheid te leren, omdat het kind ‘getrouw onderwijs’ dan nog niet kan begrijpen.

- Gerhard Meijer verstaat onder de naam tucht ‘het bedwingen van de kinderen door woorden en slagen.’ Hierbij hoort dus ook het waarschuwen, berispen en het bestraffend toespreken van het kind. Hij zegt nadrukkelijk: ‘gebruik geen zware stok of uw vuist om daarmee op zijn hoofd en rug te beuken, veel minder uw voet om in zijn zijde of andere delen te stompen of te trappen, omdat uw kind hierdoor snel gekwetst wordt.’

- Gerhard Meijer is er van overtuigd dat de tucht, en met name de roede, aan de kinderen mag en ook uitgeoefend moet worden, mits deze tucht gepast is. Het gaat hem erom dat het kind opgevoed wordt tot Gods eer en om het kind te redden van het eeuwige verderf. Hij wijst er steeds op de gepaste tucht en drukt de ouders op het hart om voorzichtig te zijn in het beoefenen van de tucht. Hij noemt hiervoor negen tuchtregels. Maar voordat hij die gaat behandelen, zegt hij: ‘Het is ons vóór alles nodig dat we ons het doel van het voortbrengen van onze kinderen, wat hiervóór (Hfdst. 1 en 2) voldoende aangewezen is, weer voor ogen stellen dat we namelijk in onze kinderen een zaad Gods, nieuwe onderdanen voor onze Koning Jezus zouden zoeken. Tot bevordering van dit hoge doel moet ook alleen onze tuchtoefening daarop gericht worden dat we onze kinderen daardoor tot de kennis en vreze Gods en hun eigen zaligheid trachten te brengen.’

Bij het toepassen van de gepaste tucht zijn er negen punten te overwegen.

1. Er moet sneller en zwaarder gestraft worden als de kinderen een uitdrukkelijk gebod van God verachten of iets doen wat strijdt met de vreze des Heeren. Gods eer en liefde gaat boven alles. Als het menselijk gezag of bezit benadeeld wordt, dan wordt de tucht dikwijls streng geoefend en wordt er gesproken over menselijke geboden alsof men God Zelf was. Bij deze kleine zaken past de lichamelijke tucht echter juist niet. Stel God boven alles en leer uw huisgenoten om God meer te vrezen dan uzelf.

2. De tucht moet uit liefde tot het kind uitgeoefend worden. Het dient tot verbetering van het kind voor zijn eeuwig welzijn. En dat doel kunt u alleen op het oog hebben als u het kind liefheeft. Hierbij kunnen we het voorbeeld van God de hemelse Vader aanhalen, want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij (Hebreeën 12 vers 6). De tucht mag dus niet geoefend worden in bittere toorn en hete gramschap. Want in toorn en gramschap openbaart zich afkeer, en geen liefde. Zij is doorgaans een werk des vleses (Galaten 5 vers 19). Bij toorn moet u de tucht uitstellen, in plaats van ze verkeerd toe te passen. Een ouder mag wel toornen tegen de misdrijven van zijn kind; vooral over de moedwillige en grove zonden die tegen beter weten in gedaan worden. Dan is een ouder verplicht strenge tucht te oefenen uit ijver voor Gods eer, met innig medelijden en zucht tot behoud van het kind. Vleselijke drift, schreeuwen, schelden en smaden horen hier niet bij, omdat het tegen de liefde indruist. Daarom zeggen we nogmaals dat alle bitterheid en toornigheid en gramschap en geroep en lastering van de ware kindertucht geweerd moeten worden (Eféze 4 vers 31). De tuchtiging mag in geen geval bedoeld zijn om de wraakzucht te koelen. We zijn in onze geest verslagen en beangstigd, als we in aanmerking nemen hoe hetgeen dat door Gods zegen een heilzaam middel tot behoud van de ellendigen [zondige kinderen] zou kunnen zijn, zo algemeen verkeerd wordt gebruikt dat het meer tot hun verderf dan tot hun verbetering strekt.

3. De tucht moet niet te vaak en op zulk een wijze geschieden dat het kind niet aan de ware liefde van zijn ouders en de oprechte begeerte voor hun eeuwig welzijn kan twijfelen. Het kind dat geen liefde bespeurt in zijn ouders jegens zichzelf, zal niet alleen liefdeloos, maar ook afkerig en kwaadgezind jegens hen worden. Zijn gehoorzaamheid zal slechts gedwongen zijn en zal eindigen zodra de vrees voor de straf ophoudt. Het kind zal de bestraffingen en kastijdingen aanmerken als voortkomend uit afgunst en haat tegen hem. Het zal daardoor dan ook wel getergd en verbitterd, maar niet verbeterd worden. Wat een groot voorbeeld zien we hiervan bij God. Hoe zorgt Hij ervoor dat niemand vanwege de tijdelijke kastijdingen een kwaad vermoeden zou kunnen opvatten van Zijn Vaderlijke liefde en gunst! In Openbaring 3 vers 19 staat: Zo wie Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik; wees dan ijverig en bekeer u.

4. De tucht moet matig en beheerst worden toegepast en alleen als er voldoende grond en zekerheid is van de noodzaak van de tucht. Onmatige bestraffing wekt verbittering en verachting van het kind jegens de opvoeder, omdat de straf niet rechtvaardig is. Onterechte bestraffing zorgt er ook voor dat tucht wanneer zij echt nodig is, de ware kracht mist om de ziel te helen. En daarbij gebeurt het dat veel ouders direct heftig bestraffen en slaan voordat ze het kind een gepaste terechtwijzing, een zachte vermaning en een lieflijke bestraffing geven. Daarbij komt nog dat een toornig gemoed niet kan bidden en niet geschikt is tot ernstige overwegingen. God sprak tot Elia slechts in het suizen van een zachte stilte (1 Koningen 19 vers 11-13). God wilde, denk ik, die ijverige profeet tonen hoe Zijn lust in zachtmoedige en stil voortgaande hartstochten is. En niet in toornigheid en andere onrustverwekkende gemoedsbewegingen.

5. De ouders mogen niet uit dwaze liefde of zotte meegaandheid de tucht en straf als die verdiend zijn, achterwege laten, maar ze moeten die tijdig en naarstig in acht nemen. Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging (Spreuken 13 vers 24). Wie dit verzuimt en het kwade in het kind laat voortgaan, verwaarloost zijn kind en geeft het aan de strikken en netten van de duivel over. Het voorbeeld van de hemelse Vader zou ook hierin alle aardse vaders tot een voorbeeld van onderwijs moeten dienen. Hij bemint Zijn kinderen het allereerst en Hij geeft er ook de merkbare blijken van; evenwel kastijdt Hij ze ernstig over hun zonden (Hebreeën 12 vers 7 en 8). Zou u uw kind niet redden als het in het water is gevallen, ook al zou dat de nodige moeite en pijn kosten? Wat aarzelt u dan om het kind enige pijn te doen in gepaste tucht, wanneer u het in de zonde en de strikken van de duivel ziet liggen, die hem naar de afgrond van de hel zou wegvoeren!

6. De opvoeder moet de tucht verstandig aanpassen op het karakter en de neigingen van het kind; zij die teer van gemoed zijn, zacht; maar die hard zijn, moeten zij harder behandelen. Zij is altijd gericht op verbetering van het kind. Als die verbetering ook met mildheid kan geschieden, moet men geen strenge bestraffingen en slagen gebruiken; dat moet enkel uit nood gebeuren. En een zonde die met opzet geschiedt, moet harder bestraft worden dan een zonde die onbedacht gedaan is.

7. De tucht onderwijst niet in eigenlijke zin. Daarom moet de ouder, zodra het kind het onderwijs enigszins kan vatten, bij de bestraffing onderwijs voegen. Hiermee bedoel ik niet een uiteenzetting van de misdaad door dreigen, schelden en verwijten, maar het kalm onderrichten waarin de misdaad bestaat, wat ervan afhangt en hoe ze zich bezondigd hebben tegen Gods gebod. Bij dit onderwijs zou men de kinderen met een bewogen gemoed moeten voorhouden hoe zij als ouders door Gods wil en de band der liefde verplicht zijn hun kind (in deze zaak) te tuchtigen om hen van de zonde en de hel af te trekken.

8. Als zachte vermaningen niet helpen, moet de roede spoedig worden gebruikt. Vrees voor de roede en een geringe kastijding kunnen (bij een goed gebruik) al voldoende zijn, waardoor slaan vaak niet nodig is. De reden waarom de roede vaak niet werkt, is omdat er teveel gedreigd en te weinig gestraft wordt. Als u gehoorzaamheid verlangt, dreig dan nauwelijks, maar maak uw dreigementen waar. Sla niet vaak en maak er geen gewoonte van. Denk bij het toepassen van de tucht steeds aan het welzijn van uw kind.

9. Opvoeders moeten hun eigen onvolmaaktheid kennen en de zwakheid van de kinderen in het oog houden. Uit dat oogpunt moeten ze vele gebreken onopgemerkt (zonder harde bestraffing) voorbij laten gaan, wanneer die uit een kinderlijke zwakheid en niet uit slechtheid voortkomt. Ik wijs op het voorbeeld van de hemelse Vader, die Zijn lankmoedige zachtmoedigheid laat schitteren en zovele zwakheden en gebreken verdraagt van Zijn aardse kinderen. Bijna nooit kastijdt Hij, voordat Hij moedwil of zorgeloze traagheid in ons bespeurt.


Het boek ‘Portaal des Heeren’ van Ds. Gerhard Meyer wordt hier in afleveringen samengevat. Dit voorjaar is het volledige boek in een nieuwe uitgave verschenen. Voor € 15,- te bestellen bij www.inhetspoor.nl

Dit artikel werd u aangeboden door: KOC Visie

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 2019

Criterium | 36 Pagina's

Portaal des Heeren

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 2019

Criterium | 36 Pagina's

PDF Bekijken