Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

REAKTIES IN DE NIET-CONFESSIONELE PERS OP DE DOLEANTIE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

REAKTIES IN DE NIET-CONFESSIONELE PERS OP DE DOLEANTIE

10 minuten leestijd

'Het Amsterdamsche kerkgeschil is op zichzelf tamelijk onbeduidend; veel sporen van zijn bestaan zal het dan ook niet achterlaten'. Met deze woorden begon dr. A.L. Poelman, voorman der moderne richting, hervormd predikant te Noordhorn en bekend Nutsredenaar, één van de artikelen in De Nieuwe Gids 1 , waarin hij de lezers van het pas opgerichte tijdschrift voorlichtte over de Doleantie. Zelfs al zouden de kerkelijke twisten te Amsterdam leiden tot een scheuring in de Nederlandse Hervormde Kerk, dan nog, meende hij, 'zouden de practische resultaten der kwestie zoo pover zijn, dat men haar in vergelijking met kerkelijke geschillen van vroeger en later tijd, ten onzent en in den vreemde, zou kunnen karakteriseeren als een storm in een glas water'. Een halfjaar later kwam Poelman gedeeltelijk op deze luchthartige beoordeling terug. In zijn derde en laatste artikel in De Nieuwe Gids beschreef hij de Doleantie als een fase in de strijd tussen het nieuwe en het oude christendom. Dit laatste voelde, dat zijn bestaan op het spel stond en zocht nu zijn leven te redden. Het wilde geen afstand doen van de macht, die het eeuwen achtereen bezeten had en greep nu ieder middel aan om zich te handhaven: 'Uit dit oogpunt beschouwd is het Amsterdamsche kerkgeschil, hoe onbeduidend, hoe nietig, hoe lastig, hoe vervelend ook op zichzelf, niet zonder gewicht. Als eene phase in den strijd tusschen het oude en het nieuwe, verdient het verder verloop van dit geschil bij voortduring algemeene belangstelling'.

Aan belangstelling voor de kerkelijke twisten in en buiten Amsterdam ontbrak het inderdaad niet. Uit de kranten en tijdschriften van het jaar 1886 blijkt duidelijk, dat de gebeurtenissen op kerkelijk gebied de publieke opinie sterk beroerden. De dagbladpers volgde de ontwikkelingen op de voet en gaf veelvuldig commentaar, waarbij vaak met felheid en beslistheid partij werd gekozen. Vooral de niet confessioneel gebonden, liberale en conservatieve,

dagbladpers kwam in die dagen woorden tekort om haar afkeuring uit te spreken over het optreden der 'dolerenden' en hun voornaamste leider, dr. Abraham Kuyper.

Dat de liberale en conservatieve pers, waarin de vrijzinnigheid de toon aangaf, afwijzend stond tegenover Kuypers kerkelijk streven, hoeft geen verwondering te wekken. Het gereformeerd confessionalisme, zoals dat door Kuyper en de zijnen werd voorgestaan, beschouwde zij evenals Poelman als een religieus atavisme, dat het volk bedierf door een 'bekrompen godsdienst van een opgewarmd Calvinisme'. De leervrijheid in de Hervormde Kerk, waarin een godsdienstig leven 'vrij en krachtig, tintelend van echte humaniteit' 2 kon bloeien, waardeerde zij als een belangrijke verworvenheid van de negentiende eeuw, die nu door Kuypers actie werd bedreigd. 'Er is eene partij', schreef de Amsterdamsche Courant op 14 januari 1886, onder de indruk van de gebeurtenissen in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, 'die onrust en beroering sticht, omdat zij tot eiken prijs, deze gevoelens als onfeilbare waarheid wil erkend zien, — eene partij, die aan anderen de vrijheid niet gunt, welke zij zelve verlangt. Zal het haar gelukken de dagen van den ouden geloofsdwang te doen wederkeeren? '.

Ook Kuypers democratische neigingen, zijn gebrek aan respect voor classis en synode, en zijn scherpzinnige, maar onbarmhartige en soms persoonlijke polemieken wekten verzet en zelfs afkeer. Dat Kuyper ook bij het nastreven van zijn kerkelijke idealen strateeg en politicus bleef en weloverwogen te werk ging, ergerde zijn tegenstanders, die spraken van zijn 'handigheden', onwaarachtigheid en berekening. Zoals het liberale dagblad Het Vaderland in die dagen schreef: 'De zoetsappige zalvende toon van dr. Kuyper, in verband met zijn revolutionnair optreden, wekt onzen diepen weerzin. Ook weten wij zeer wel, dat deze strijd, dien hij heeft gezocht, hem slechts een aanleiding is tot de verscheuring van het Hervormde kerkverband, waarop altijd zijn streven was gericht'.

Had de linkse 3 pers dus weinig reden om Kuyper als leider der Doleantie te ontzien, de felheid waarmee zij hem aanviel en bestreed valt voor een belangrijk deel ook te verklaren uit politieke motieven. Voor haar was Kuyper niet in de eerste plaats de rust-

verstoorder op het kerkelijk erf, maar vooral de politieke tegenstander, de auctor intellectualis van de antithese, die als leider van de snel in aantal en invloed toenemende anti-revolutionairen een bedreiging vormde voor de positie van de linkse partijen. Aangezien Kuypers kerkelijke actie in eigen, anti-revolutionaire, kring niet onomstreden was 4 , verschaften de kerkelijke twisten aan de linkse pers een uitgezochte gelegenheid om de verdeeldheid in de Anti-revolutionaire Partij aan te wakkeren en het politieke leiderschap van Kuyper buiten de Tweede Kamer en dat van De Savornin Lohman in de Kamer te ondermijnen.

Vooral het liberale Algemeen Handelsblad, welks hoofdredacteur Charles Boissevain een verklaard tegenstander van de anti-revolutionairen was, speelde hierbij een belangrijke rol. Het Handelsblad had als Amsterdamse krant een verslaggever ter plaatse, toen de gebeurtenissen in de Nieuwe Kerk zich afspeelden. Zijn verslagen, waarin het optreden van de 'paneelzagers' Kuyper, Lohman en Rutgers als onrechtmatig en revolutionair werd afgeschilderd, werden door tal van dagbladen overgenomen en waren daardoor zeer bepalend voor de beeldvorming die in brede kring over de Doleantie ontstond als een oproerige beweging. In zijn commentaren wees het blad op het gevaar dat te duchten viel als de antirevolutionairen zich in de politiek van dezelfde methoden zouden gaan bedienen als de dolerenden in de kerk. 'Wij waarschuwen sinds lang tegen het drijven van dit staatkundig-kerkelijk partijhoofd. Met oneindig grooter gevaren bedreigt deze ex-dominee onze maatschappij, onze vrijheden en instellingen, dan de andere ex-dominee Domela Nieuwenhuis. De daad van geweld, waartoe hij bevel heeft gegeven en die hij heeft helpen uitvoeren, is in elk opzicht af te keuren. Ze toont waartoe hij alzoo besluiten zou indien hij aan het hoofd van een anti-revolutionair ministerie stond. Het is te verwachten dat de partij, die zijn bevelen aanneemt, tenminste afstand zal doen van den thans geheel en al belachelijk geworden naam anti-revolutionair', schreef het Handelsblad op

8 januari 1886, en op 11 januari voegde het blad eraan toe, dat als de Anti-revolutionaire Partij zich op staatkundig gebied aan Kuyper bleef overgeven, men van haar 'ook in het staatkundige, trots haar program, gelijksoortige coups d'état [kon] verwachten, als nu op kerkelijk gebied zijn gepleegd.... Mogen de anti-revolutionairen nog bijtijds inzien, welke verantwoordelijkheid zij op zich laden, door dezen niets ontzienden geestdrijver nog langer als den opvolger van den edelen Groen van Prinsterer te huldigen'.

In dezelfde trant, om nog één liberaal periodiek te citeren, schreef de bekende letterkundige mr. Carel Vosmaer in één van zijn 'Vlugmaren' in De Nederlandsche Spectator van 7 augustus 1886, nadat de kerkelijke twisten in Leiderdorp tot politie-ingrijpen hadden geleid. Het zegt iets van de felheid der emoties, die door de Doleantie werden opgeroepen, dat zelfs een ingetogen estheet als 'Flanor' — Vosmaers pseudoniem — zich te buiten ging aan zulk virulent proza: 'Hoe walgelijk zijn de kerkelijke beroeringen; hier het drijven van de hoofden zonder hoofd, daar de daden der opgehitsten. Alweer een kerk waarin het geloof handgemeen raakt.

Te Leiderdorp een predikant Vlug, die den ringpredikant bedreigt aan 't lijf en die zegt dat men de deur der kerk zal inloopen .... om er stormenderhand God te gaan dienen. Wat voor begrip hebben zulke wezens toch van een God? . . . Arm volk echter dat geleerd wordt de school te verachten, de wet te haten, het gezag als willekeur te beschouwen; arm volk, dat den godsdienst tot een laag werktuig ziet gebruiken en haat kweeken, de staatkunde ziet knoeien, de overdaad ziet brassen; hoe zult gij niet van twee zijden op een dwaalspoor worden gevoerd! Socialistische en anti-revolutionaire geweldenaars draaien u een rad voor de oogen, en wat moet er nog onuitputtelijk veel goeds en gezonds in u zijn, dat gij het nog niet erger maakt en voor een groot deel zoo redelijk blijft! De socialistische drijvers kunnen worden beteugeld; maar de theologo-politische niet. Jaar in jaar uit, dag aan dag zetten deze laatsten hun sloopingswerk voort en er mag geen wet zijn die het hun verbiedt. Daarom, duizendmaal gevaarlijker nog en afkeurenswaardiger een kerkelijk beroerder dan een democ-soc.'.

Van conservatieve zijde werd in niet minder krasse bewoordingen gewaarschuwd tegen Kuyper en zijn medestanders. Het Dagblad van Zuid-Holland en 's-Gravenhage, het hoofdorgaan van de conservatieve richting, die sinds het optreden der Anti-revolutionaire Partij veel terrein verloren had — de laatste conservatief, mr. W. Wintgens, was op 13 maart 1885 uit de Tweede kamer getreden —,

bracht al op 9 januari 1886 de positie van de Anti-revolutionaire Partij in het geding: 'Of ziet men het niet nu reeds, hoe de partij, die zich de anti-revolutionaire noemt, de revolutie in de Kerk bewerkt; hoe staatkundige hoofden der partij, die scheiding van Staat en Kerk in hun programma schrijven, ook hier weder voormannen zijn bij de kerkelijke beroering'. De Amsterdamse kerkelijke twisten gaven volgens het blad een voorspel te zien 'van hetgeen kan uitloopen op een burgeroorlog, door zijn drijfveer, het kerkelijke fanatisme, rampzaliger en verwoestender van aard dan eenige andere buitenlandsche onlusten ooit zijn geweest. ... Dr. Kuyper is jarenlang met de brandende fakkel rondgegaan, heeft er als een geincarneerd onruststoker mee om zich heen gezwaaid, en de vonken dier toorts zijn, naar zijn wensch en zijn wil, in licht ontvlambare brandstoffen, door hem voor dat doel opgehoopt, neergevallen. Het publiek zegt dan ook thans reeds: Dr. Kuyper is een ramp voor ons land. Moge het nageslacht niet het recht krijgen om eenmaal te getuigen: Dr. Kuyper is een vloek geweest voor Nederland!'.

Met bovenstaande citaten is de houding van de liberale en conservatieve pers jegens Kuyper en de Doleantie voldoende getypeerd.

Niet alleen in 1886 maar nog lang daarna bleef zij 'ranselen op de magere rossinante, die het Kerkelijk Conflict moet voorstellen', zoals De Standaard op 21 februari 1890 schamper opmerkte, nadat de intrede van het 'parlementair hoofd der kerkelijke rebellie', De Savornin Lohman, in het kabinet aanleiding had gegeven tot grote verontwaardiging in de liberale pers.

Het gaat wellicht te ver om met De Standaard te zeggen dat de liberale en conservatieve pers 'schoon van die dingen niets ter wereld begrijpend, ten eigen voordeele altijd op kerkelijk "schandaal" heeft geaasd' 0 , maar dat de tegenstelling tussen hervormd en gereformeerd, vooral toen deze na het ontstaan van de christelijkhistorische groepering in de jaren '90 ook in de politiek vorm had gekregen, een geliefkoosd politiek stokpaardje was, dat bij passende gelegenheden van stal gehaald en bereden werd, heeft de parlementaire geschiedenis van de twintigste eeuw herhaaldelijk te zien gegeven.


1. Dr. A.L. Poelman, 'Het Amsterdamsche kergeschil', 'm: De Nieuwe Gids, eerste jaargang (1886), 109-125, 245-255; tweede jaargang (1887), 37-51.

2. Dr. J. van den Bergh, 'de scheuring in de Nederlandsch-Hervormde Kerk', in: De Tijdspiegel, 1886, eerste deel, 417.

3. 'Links' hier in de vooroorlogse betekenis van 'niet-confessioneel'.

4. Het anti-revolutionaire Tweede-kamerlid jhr. mr. G.J.F. Beelaerts van Blokland distantieerde zich reeds in een ingezonden brief in het Algemeen Handelsblad van 11 januari 1886 van het optreden van Kuyper, Lohman en Rutgers in de Nieuwe Kerk, en wees de suggestie van het Handelsblad van de hand, dat de anti-revolutionaire richting hiervoor aansprakelijk te stellen was. Bij de interpellatie over het politie-optreden te Leiderdorp, in de Tweede Kamer op 29 juli 1886, liet Beelaerts van Blokland openlijk blijken het oneens te zijn met zijn partijgenoot De Savornin Lohman die de interpellatie had aangevraagd.

5. De Standaard van donderdag 20 februari 1890.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1986

DNK | 84 Pagina's

REAKTIES IN DE NIET-CONFESSIONELE PERS OP DE DOLEANTIE

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1986

DNK | 84 Pagina's

PDF Bekijken